NASCHRIFT Anthony Alexander Adolf Eugène Alfonso Voerman
Verbi Divini Minister 5-3-1921 – 24-12-2017.

(Het was oorspronkelijk de bedoeling dit stuk te schrijven voor het dagblad Trouw, maar men vond daar dat ik er te laat mee kwam. Dat spijt me, want ik vind dat Ton zoiets meer dan verdiend heeft. Hij is altijd een bijzonder persoon geweest, voor heel veel mensen. Het enige voordeel is dat ik nu meer kan schrijven, en ook meer fotootjes kan plaatsen. Voor aanvullingen houd ik me aanbevolen, maar... ik sluit mij mutatis mutandis aan bij de laatste zin van het Johannes-evangelie!)


Zijn ouders, Suzette de Roo en Anthonie Johannes Voerman, ontmoetten elkaar in Gorcum, toen zij, na omzwervingen via Londen en Johannesberg in Zuid-Afrika, bij de firma De Vries Robbé werkte als secretaresse. Een verantwoordelijke baan, waarin zij zeer werd gewaardeerd. Haar aanstaande werkte bij de Steenkolen Handels Vereeniging in Utrecht. Hij was succesvol handelsreiziger op Duitsland, maar weigerde daar verder heen te gaan toen Hitler daar een grote mond kreeg. Hij is er - meen ik - na 1933 niet meer geweest, en nam genoegen met een kantoorbaan. Ook daarin was hij duidelijk goed. Op 14-05-1918 huwden zij voor de burgerlijke stand in Gorinchem. Zij was 39 jaar, hij 37. Na enkele jaren huwelijk werd Ton geboren. 
Zij vernoemden hem naar een grootvader en naar mensen die voor zijn vader en vooral voor zijn moeder belangrijk waren geweest, tijdens haar reizen over de wereld. Zo kreeg hij al werelden mee. Als mensen hem vroegen naar al zijn voorletters, zei hij steevast dat hij vernoemd was naar alle werelddelen!

Hij had een gelukkige jeugd! Hij was dan wel het enige kind van zijn niet meer zo jonge ouders, maar al had hij geen broers en zussen, aan vriendjes ontbrak het niet. Zijn vader had altijd leuke ideeën voor zijn verjaardagspartijtjes, van een toverlantaren-voorstelling tot een goochelaar die kwam optreden, en dat was in die tijd héél bijzonder! 
Als vader Voerman in het weekend met Ton ging wandelen, van Utrecht naar Zeist, of naar de Lage Vuursche, dan gingen er ook wel eens klasgenootjes mee. 

Een van de leukste cadeaus die Ton als jonge jongen kreeg, was een onbeperkt abonnement op de tram die toen nog door Utrecht liep. Hij had er veel plezier in als een onbekende conducteur hem uit de tram wilde zetten, omdat hij al zo lang meereed, en hij dan triomfantelijk zijn abonnement kon laten zien!

De eerste jaren van zijn leven woonde hij in de Utrechtse Obrechtstraat, maar rond de tijd dat hij naar het Stedelijk Gymnasium ging, en na het overlijden van grootvader Voerman, verhuisde de familie naar het Geertebolwerk, naar het huis waar hij uiteindelijk ook is gestorven. Ze waren de eerste bewoners! 

Het Gymnasium paste hem als een handschoen. 
De meeste leraren waren buitengewoon bekwaam, en ze verwachtten veel van de leerlingen, maar hadden dan ook veel te bieden. (Helaas hebben velen enkele jaren later het leven gelaten in de concentratiekampen!)

Ton is altijd dol gebleven op katten, ook al bleek na zijn zestigste dat hij er allergisch voor was! 
Toen Ton in de vijfde klas de rector een introductie vroeg voor de Universiteitsbibliotheek, omdat zich daar boeken bevonden die hij anders niet kon lenen en lezen, kreeg hij die direct. Hij was een goede leerling, met een brede belangstelling. Uit handen van de Franse ambassadeur kreeg hij op een gegeven moment een fraai boekwerk omdat hij met zijn tienen voor Frans was opgevallen. 
Nu kwam dat niet uit de lucht vallen, want hij ging met zijn moeder regelmatig naar de Waalse gemeente in de Utrechtse Pieterskerk, waar de kerkdienst in het Frans werd en wordt gehouden. 
Zijn moeder las met hem graag uit Prediker, en de tamelijk vrijzinnige Waalse gemeente paste daar goed bij. Zijn vader had zich heftig verzet tegen de grote druk van diens zeer orthodoxe moeder, die het zo mooi had geleken als de enige zoon predikant zou worden. Het paste niet bij hem. Maar al heeft hij zich, ten einde zijn moeder niet te kwetsen, nooit uitgeschreven uit de Hervormde kerk, hij wilde er zelf niets meer mee te maken hebben. 
'Tonnie' werd dan ook pas gedoopt toen hij drie was! Omdat grootvader Voerman er zo heel erg veel prijs op stelde. Tons Moeder ook, dat spreekt vanzelf.
De rit met een koetsje naar de Geertekerk was voor Tonnie het hoogtepunt van de dag! Hij mocht naast de koetsier zitten op de bok, en bijna was hij op het paard gekropen. Van de doop zelf wist hij later niets meer. Maar met zijn dierbare grootvader ging hij af en toe mee naar de Jacobikerk, waar deze een vaste plaats had. Toen Ton zelf over de 90 was, en een ochtenddienst niet altijd meer lukte, vond hij het prettig om op die plaats de namiddagdienst mee te maken.

Terug naar het Gymnasium. (Hier aan het eind van de eerste klas). 

Dat was een eliteschool, en vader Voerman was werkzaam bij de SHV. Een goede baan, maar voor veel gymnasiasten iets te min. En als je dan nog eens goede cijfers haalt, en extra lessen neemt, zoals Hebreeuws, maakt dat op zich je niet populair. 
Aan vrienden ontbrak het echter nooit. En Ton kon niet alleen goed leren, hij kon ook fabuleus pianospelen!
Op zijn vijfde jaar had hij een piano gekregen, een goede Rönisch, en sindsdien had hij pianoles van Anne Jager, een bijzonder mens en een begaafde kunstenaar. Iemand, die in Utrecht wegens gebrek aan contanten af en toe moest verhuizen, zodat de lessen in de loop der jaren op allerlei verschillende locaties plaats vonden. ;-) 
Toen Ton op het Gym een aantal keren op schoolavonden had gespeeld, werd hij regelmatig uitgenodigd door chique ouders van medeleerlingen om te hunnen huize piano te komen spelen. Zo wees hij later op wandelingen door de stad met smaak aan waar hij allemaal wel eens piano had gespeeld. Waar níét, vroegen wij ons dan af. ;-)

Na het eindexamen Gymnasium in 1939 ging Ton rechten studeren. Een carrière als concertpianist had tot de mogelijkheden gehoord. Het daarbij horende leven trok hem echter niet. 
Ton koos voor de rechtenstudie, maar de muziek bleef zijn hele leven een prominente rol spelen!
Halverwege de studie bezocht Ton ook colleges rechtsfilosofie, en die prikkelden hem, omdat hij zich afvroeg waar de rechtsregels nu eigenlijk op gebaseerd waren. Langzaam brak het inzicht baan, dat het mensbeeld, waarop de rechtsregels gefundeerd zijn, voortvloeit uit het Godsbeeld van de mensen die de regels opstelden. Ook daar wilde hij meer van weten. En al heeft hij de studie rechten netjes afgemaakt in 1948, hij voelde zich, om verschillende redenen, gedrongen om theologie gaan studeren.

Nu had vader Voerman zich verheugd te kunnen pronken met een jonge jurist in de familie, (zijn moeders diepste begeren was dat hij arts zou worden) en Tons verlangen om theologie te gaan studeren, was voor vader een bittere pil. Hij had er geen cent voor over. Moeder kwam met een redelijke oplossing: het ‘kind’ kon thuis blijven wonen, en als hij halve dagen werkte, zou hij de studie zelf kunnen betalen, toch? 
Zo gebeurde het.

Over die overgang naar de theologie citeer ik Tons eigen woorden. Op 5-10-2014, toen hij herdacht dat hij 60 jaar predikant was, vertelde hij over de oorlogsjaren o.a.: ‘Ik kan u zeggen, dat ikzelf, die de Hongerwinter van 1944 tot mei 1945 heb meegemaakt, niet zo sceptisch tegenover wonderen sta. Daarvan wil ik u het een en ander vertellen.
Ik was nog niet klaar met studeren toen de tweede wereldoorlog over ons heen kwam.
Tegen het einde van de oorlog begonnen de Duitsers met het rekruteren van arbeidskrachten. Ik lag nogal ziek thuis toen 's morgens ineens onze straat afgesloten bleek door Duitse soldaten, die huis na huis doorzochten naar mijn leeftijdgenoten. Ik had geen schuilplaats en kon ook niet ongezien wegvluchten. Afwachten dus maar.
Toen ze bij onze buurman kwamen, sloeg de klok juist half één. Met militaire precisie werd de actie stopgezet om te schaften en om prompt één uur weer hervat. Nu waren er op dat moment nog maar drie huizen te gaan tot het eind van de straat, en de soldaat die bij ons aanbelde vroeg: ‘Sind wir hier schon gewesen?’ Mijn vader beaamde dat, en werd dadelijk geloofd.
Hij sprak heel goed Duits met een Rijnlands accent en zag er volstrekt betrouwbaar uit. De soldaat was vermoedelijk allang blij, dat de vervelende klus erop zat en de compagnie vertrok.
 
Dat was niet de enige keer dat ik de dans ontsprong. In totaal was ik viermaal bijna door een bom geraakt of opgepakt en tewerk gesteld in Duitsland of bij Zevenaar voor graafwerk.
Nog één verhaal vertel ik u.
Bij een tweede razzia belandde ik achter een boerenhuis aan de rand van Utrecht en werd door de boer, die toevallig op het goede moment zijn konijnen kwam voeren, in een leeg konijnenhok gestopt, dat wel diep genoeg was, maar vrij wat korter dan mijn lengte. Mijn hok lag tussen twee volle hokken in op ongeveer de hoogte van het middel van iemand met normaal postuur.
De boer voelde zich safe, omdat hij te oud dacht te zijn om opgepakt te worden. Hij stopte mij in met wattendekens, met gaten, zodat ik lucht had. Het vroor buiten stevig.
Aldus comfortabel gelogeerd werd ik inderdaad bezocht door een soldaat, die met de kolf van zijn geweer tegen de hokken sloeg en riep: ‘Sitzt hier noch einer?’ Ik overwoog nog éven te roepen: ‘Nein, sitzen tut hier keiner. Ich liege nur.’
Gelukkig hield ik mijn mond dicht want het was niet het moment voor humor. Alleen de opgeschrikte konijnen, díé maakten veel lawaai, en de soldaat en zijn kameraad vertrokken, zonder mij ontdekt te hebben...[1] Ik wachtte echter tevergeefs op de boer die mij zou bevrijden. Hij was meegenomen.
Het was moeilijk om zelf uit dat hok te komen, verstijfd als ik was na een paar uur stilliggen. Maar het lukte mij, en geholpen door de duisternis bereikte ik ongedeerd ons huis.
En de boer is tenslotte weer ontsnapt.
 
Hoe kijk ik op dat alles nu terug? Ik mag zeggen dat ik in de oorlogstijd wonderbaar bewaard ben. Mijn ouders en ik zijn er heelhuids doorheen gekomen, niet zonder honger, maar toch.
 
En er was ook een stil moment geweest, waarin ik beseft had, dat ik predikant moest worden. Als mijn leven in de oorlog telkens gespaard was gebleven, was het zinvol om te weten waartoe dat gediend heeft.

Zo begreep ik achteraf dat ik al op de lagere school Frans geleerd had omdat er internationaal werk op mij wachtte. Zo heb ik Spaans geleerd, omdat mijn werkterrein in dat land zou komen te liggen.
Alle kennis, die ik om hele andere redenen vrijwillig verworven heb, is bestemd geweest om mij een nuttig instrument te laten wezen in wat ik sindsdien allemaal als predikant heb mogen doen. Op het Gymnasium leerde ik voor mijn plezier Hebreeuws. En ontkende daarna met overtuiging dat ik dominee wilde worden. Geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. En toch werd ik het!’

In de latere oorlogsjaren hield het studentenleven grotendeels op. Wie de Ariërverklaring niet wilde ondertekenen, kon geen colleges meer volgen. Ton dus ook niet. Dan heb je uren over, al kostte het leven van alle dag in de oorlog ook veel tijd. Bij de boeren schooien om eten, niet zonder te betalen natuurlijk, al was er haast niets meer, ('ontspullen' ging toen vanzelf!!!) was een tijdrovende bezigheid. 
De situatie met het konijnenhok gebeurde toen Ton buiten de stad op zoek was voor melk voor zijn moeder, wier zwakke maag niet goed kon tegen het bloembollenmeel, waarvan Ton als enige van het gezin in staat was met de juiste hoeveelheid water een wat acceptabele ‘pannenkoek’ te maken. Er was toen echt honger!
Toen Ton via via hoorde van een Letse dame van Russische komaf, die net als  haar zuster in Utrecht woonde, en lessen gaf in de Russische taal en cultuur, nam hij contact met haar op en ging hij haar lessen volgen. Vijftig jaar later kreeg hij op reis in Rusland complimentjes voor zijn prachtige Russisch! Een mooie taal, die hem van pas kwam, toen hij na de oorlog lid werd van een Russisch koor! (En die hem verdacht maakte voor de Militaire Veiligheidsdienst, toen hij later in militaire dienst ging. De telefoon thuis werd tot hij de dienst verliet afgetapt. Daar werd in het gezin hartelijk om gelachen!)
(Dit is een foto die vermoedelijk stamt uit 1945, men amuseerde zich met charades en ander vermaak tussen de schuifdeuren.) 
De lessen Russisch brachten hem in contact met meer dan de Russische taal en cultuur, namelijk met de eerste, grote liefde van zijn leven. Die lessen werden gegeven ten huize van de buren van de notaris Gutteling en diens gezin, waartoe ook Beppie behoorde. Zij was een vriendin van die buurfamilie bij wie zij vaak op bezoek kwam en waar zij Ton ontmoette. Het klikte. Niet meteen, want ze vond hem nogal eigenwijs, maar naarmate de twee jonge mensen elkaar beter leerden kennen, waardeerden ze elkaar steeds meer, zodat Ton ook bij Beppie thuis een welkome gast werd. 
Vaak zaten ze samen te studeren, en al hebben ze zich nooit officieel verloofd, ze waren een ‘stel’. Dat Ton na 1948, als kersverse Meester in de rechten (met lesbevoegdheid voor Staatsrecht en Handelsrecht) nog aan een nieuwe studie wilde beginnen, heeft hij uitgebreid met zijn liefste besproken. Zij wilde zelf ook haar studie Duits wel afmaken, en omdat ze door de kinderverlamming in haar jeugd gehandicapt was geraakt, had ze daar meer tijd voor nodig. Ton droeg haar op handen, zo nodig letterlijk. Lange wandelingen maakten ze samen, zij in de grote rolstoel, hij erachter. Tochten van twintig tot dertig km vormden geen uitzondering.

En omdat Ton zich niet veel gelegen liet liggen aan de conventies op dit gebied, kwamen ze ook op plaatsen, waar mensen met een handicap anders niet konden komen. De schouwburg, een trip van Utrecht naar Amsterdam met de trein – wel in de goederenwagen, en dan alleen nog omdat Vader Gutteling de directeur van de NS persoonlijk kende – dat loste hij op, en ach, als een draaideur de toegang tot een restaurant onmogelijk maakte, kreeg hij het met zijn onschuldige charme voor elkaar dat de draaideur ‘even’ gedemonteerd werd, zodat ze toch binnen konden komen.

Talen. Ton verdiende zijn boekengeld (wie al een studie had afgerond, hoefde toen geen collegegeld meer te betalen) bij de Spoorwegen, waar hij correspondent vreemde talen werd. Kwam er een onbegrijpelijke brief binnen, dan kon hij aan de postzegel wel uitvogelen welke taal daar waarschijnlijk bij hoorde, en dan kocht hij een grammatica, een woordenboek, en, zomogelijk, ook een lesboek. Liefst twee verschillende, want die vulden elkaar aan. Het was voor hem een spannende puzzel om die brieven te ontraadselen, en te beantwoorden. Meer dan 45 talen kon hij zich op die manier min of meer eigen maken, en in zeker 25 talen kon hij zich wel verstaanbaar maken. Hongaars is hem overigens nooit gelukt! En Chinees was een levenslang project. Omdat Prins Bernhard in 1947 bij professor van Dam lessen Spaans volgde, werd ook Tons nieuwsgierigheid geprikkeld, en hij volgde dezelfde colleges. (Dat was van de Heer geschied!)

In juni 1951 deed Ton zijn kerkelijk examen, en kreeg hij een verklaring dat hij geschikt geacht werd tot den Heiligen Dienst. Hij had de studie daarbij kunnen afronden, en de kansel opgaan, want hij mocht de toga nu dragen, maar zo zat hij niet in elkaar. 
het sprak vanzelf dat hij de wetenschappelijke theologiestudie zou afmaken!
Ton in Ierland
Later had hij eens een gesprek met dr. Visser ’t Hooft, die voor hem na zijn kandidaatsexamen in februari 1953 een studieplaats in Belfast, in Noord-Ierland[2] geregeld had, en deze vroeg hem naar zijn mogelijkheden; bij het horen van Tons vaardigheden in het Spaans, zei hij t.z.t. wel een plek voor hem te hebben in Spanje. 

Toen Beppie, een heel intelligente jonge dame, dat hoorde, heeft ze zonder dit aan haar geliefde te melden, zelf ook Spaanse les genomen, zodat ze hem eens fijntjes in het Spaans op de vingers kon tikken, zonder dat de rest van het gezelschap dat opmerkte. Hij was er verrukt van! De ideale vrouw voor hem!

De druk van de a.s. baan in Spanje was groot, en het laatste studiejaar vergde veel van hem, maar in 1954 studeerde hij af en op 3-10-54 werd hij in het geheim ingezegend als predikant in de sacristie van de Domkerk in Utrecht. Hij werd predikant van de NHK voor buitengewone werkzaamheden voor de kerk in haar geheel (t.b.v. Oecumenische hulpverlening in Spanje.) Het moest heimelijk, omdat de Spaanse regering onder Franco niets van Protestanten moest hebben, en al helemaal niet van Protestantse predikanten. Vervolging van Protestanten was aan de orde van de dag! De kosten van zijn uitzending werden gedragen door de Nederlandse Vereniging Het Evangelie in Spanje, later de Stichting Het Evangelie in Spanje, waarmee hij levenslang verbonden zou blijven.

Het kerkelijk huwelijk was twee dagen na de inzegening, en de daaropvolgende dag gingen de jonggehuwden naar Spanje, waar ze via Barcelona naar Madrid gingen, de plaats van het Seminarie waar Ton als 'Fraternal Worker' werd aangesteld om Nieuwe Testament en Grieks te geven, (hij werd berucht bij de leerlingen om zijn nadruk op de ‘kleine woordjes’!) Dit was de theologische opleiding van zowel de I.E.E. (Iglesia Evangélica Española) als van de I.E.R.E. (Iglesia Española Reformada Episcopal), de Spaanse Protestantse kerk en de Spaanse Hervormde Episcopaalse Kerk. Die laatste kwam uit de eerste voort en was en is via Gibraltar steeds meer gericht geraakt op de Anglicaanse kerk. De opleiding bestaat nog steeds als S.E.U.T.
(Hier Ton op het vliegveld in 1955 na een vacantie met Beppie in Utrecht. Hij zou dit soort Baskische baretten tot het eind van zijn dagen blijven dragen, ook al zei later een van de Spaanse collega's tegen hem dat hij dat ècht niet meer dragen kon. Haar oude oom deed dat nog, maar dat was dan ook een boer in een achteraf-dorp in een achtergebleven gebied. Het stàk hem, maar hij vond het een aangename dracht, en dus bleef hij ze, als dat enigszins mogelijk was, dragen.)
De leerlingen waren erg dol op hun enthousiaste leraar, en vergastte hem en zijn vrouw zelfs aan het eind van het semester op een 'tertulio' - een feestje. Helemaal op hun kosten. En ze hadden al niet genoeg om in leven te blijven! De band is met de meesten blijven bestaan tot het einde. (José Panete-Juan Eizaguirre-Feliz Moreno-Sebastian Rodriguez-Emilio Gabás-José Morales_Arturo Sanchez-José Nieto-Diego Rubio.)

De stuwende krachten in Madrid, de familie Fliedner (van de diaconessen in Kaiserswerth!), werden trouwe vrienden, in die onrustige en gevaarlijke jaren van de Francotijd. Zij stonden Ton en Beppie in alles bij. 
De school en het Seminarie deelden een gebouw: het Porvenir (Toekomst), waar ook de Fliedners woonden. 
Zij waren er ook voor hem toen Tons beminde vrouw, die met haar lessen Duits en haar warme belangstelling een eigen plaats had verworven in het Protestantse leventje, plotseling ernstig ziek werd. 
Het doodsbed was heel traumatisch, zowel voor Beppie, als voor Ton. Tot in het laatst van zijn leven heeft hij daaronder geleden. Na een ziekbed van slechts 5 dagen, overleed op Beppie op 16 januari 1956. (Er zijn wel vraagtekens te zetten bij haar plotselinge ziekte en overlijden).
De Fliedners namen alle zorgen uit Tons handen, want hij was volledig lamgeslagen. 
De eerste week was hij zelfs niet in staat ook maar één woord te spreken.

Tijdens de begrafenis van Beppie in Nederland, is het SEUT gesloten, en zijn de deuren verzegeld. Ton was op dat officieel niet alleen docent, maar ook directeur van het SEUT! Elfriede Fliedner en haar man, die op het terrein woonden, kregen onderhands te horen dat er niet zou worden gecontroleerd of de zegels intact bleven, maar dat kon een valstrik zijn, dus ze waren heel voorzichtig. Na de begrafenis van Beppie is Ton teruggekomen naar Madrid. Zoals te doen gebruikelijk leverde hij zijn paspoort in, in de verwachting dat hij na een paar weken wel het bericht zou krijgen dat hij het bij de Veiligheidsdienst zou kunnen ophalen. Dat gebeurde echter niet.
Aangezien de leerlingen van het Seminarie nog in Madrid waren, is Ton hen privé-les gaan geven op zijn kamers. Dat was gevaarlijk, maar nu Beppie was gestorven deed niets er meer toe.
Tegen de zomer kreeg hij een oproep om zich bij de Veiligheidsdienst te vervoegen. Men toonde hem zijn paspoort, en zei dat hij dit terug kon krijgen, mits hij binnen twee weken naar Nederland zou terugkeren. 
Zo niet...! Het was duidelijk: als hij dat niet zou doen, zou het paspoort verdwijnen, en hijzelf ook. 
Net zoals met veel andere Protestanten gebeurde in die tijd. Noodgedwongen vertrok hij. 
Vervolgens is het Seminarie overgebracht naar Barcelona, waar de nieuwe directeur, een Zwitser, kon rekenen op bescherming vanuit Zwitserland.

Ton kreeg in Utrecht een half jaar de mogelijkheid om in het Diaconessenziekenhuis een predikant met zwangerschapsverlof te vervangen. Daarna kwam een aanstelling als krijgsmachtpredikant op zijn weg. 

Eerst een paar jaar in Breda, waar hij met iedereen goed overweg kon, daarna werd hij een jaar gelegerd in Fontainebleau, bij het hoofdkwartier van de NAVO. 

De Geestelijke Verzorging van de krijgsmacht was intussen gesplitst in een Landmacht- en een Luchtmacht-tak, zodat hij in het grijsblauwe uniform van de luchtmacht naar Frankrijk ging. Het lege leven daar beviel hem absoluut niet, en hij weigerde bij te tekenen.
Maar op zich beviel de open en soms oecumenische sfeer in de dienst hem wel. Hier aan tafel met o.a. Mgr. Bluyssen en kardinaal Alferink. En de foto van de handdruk van Prins Bernhard in de Trip van Zoutlandkazerne in 1957 had hij ook zorgvuldig bewaard. 

Op 8 october 1961 werd hij – een zeer geliefde - studentenpredikant in Amsterdam, waar hij in 1963 aan de VU zijn latere echtgenote ontmoette, een kersverse studente biologie.

Op zijn 44ste verjaardag trouwde hij in Alkmaar met Gea van Haselen. 
Veel afgevaardigden van het Amsterdamse studentenleven waren aanwezig!

Zij zagen hun geliefde dominee Voerman met lede ogen vertrekken toen hij op 12 september 1965 weer als luchtmachtpredikant werd verbonden aan de krijgsmacht, want hij was niet alleen een goede herder en een heldere leraar, maar hij had ook een groot vermogen tot vriendschap. 
Die werd beantwoord, en zo vond hij het nooit vreemd om tegen etenstijd bij mensen aan te bellen. 
Natúúrlijk was hij welkom, en altijd werd hij uitgenodigd om aan te schuiven!
Wat dat betreft bleef hij heel lang een beetje een vrijgezel.
Hij werd ziekenhuispredikant in het Militair Hospitaal Dr. A. Matthijssen in Utrecht, op de plek waar nu het hoofdkwartier van de PKN is. Hij vond het heerlijk, zinvol werk. Niet alleen had hij zorg voor de patiënten, vaak in goed overleg met de aalmoezeniers, maar ook voor het personeel, en die ontmoette hij het best 's avonds in de Mess. Dat leverde lange werkdagen op. 
Ook moest hij van tijd tot tijd met een groep dienstplichtigen een paar dagen weg, zodat ze zich konden bezinnen op hun geestelijk welzijn. 



Het huwelijk werd in vlot tempo bekroond met vier kinderen, en hij genoot daar intens van. 
In 1969 kreeg hij problemen met zijn gezondheid, en moest hij een half jaar bed houden. Tja, àls hij eens niet sliep, kon hij best - en met genoegen - een flesje geven. In 1970 was het gezin compleet. 
 

Op de dag dat de jongste uit het ziekenhuis kwam, verscheen ook 'oma Hesse' in ons leven.

Ze was al (ruim) 65, maar kwam werken als  'interieurverzorgster'. Ook ons inwendige interieur heeft ze nog lang verzorgd, want ze was op slag verliefd op de twee kleinsten, en kon het ook met de twee 'groten' goed vinden. Als Jehova's getuige bracht ze weer andere accenten in. 
We hebben o.a. van haar geleerd te bidden voor hen die zorgden dat er eten op tafel kwam. :-) 
Ton heeft de twee jongsten zelf gedoopt, nadat hij het dopen van de oudsten door de wijkpredikant in de Muiderkerk teleurstellend onpersoonlijk had gevonden.

Het gezin verhuisde in 1972 naar Utrecht, naar het inmiddels, door het overlijden van Moeder Voerman, vrijgekomen ouderlijk huis. 
Sinds zijn studententijd had daar altijd een gipsen afbeelding van Athena Parthenos voor het raam gestaan, dat hetzij naar buiten, hetzij naar binnen keek, zodat het bezoek met één blik kon zien of Ton al dan niet thuis was, en dan hoefde zijn moeder niet voor niets naar de deur te komen.
Het beeld kijkt nu definitief naar buiten.

In Utrecht schreef Ton het gezin meteen in bij de Frans-sprekende Waalse gemeente in de Pieterskerk, voor hem nog altijd een thuisbasis. 
(En nee, hij wist toen nog steeds niet dat het overleg-model heilzaam kan zijn in een huwelijk!) ;-)
Toen Ton destijds in Breda stond, werd hij gevraagd om ook voor te gaan in Lutherse diensten. Eerst in Breda en omgeving, in Heusden, en weldra in het hele land. Maar in de Hervormde kerk werd hij eveneens veel gevraagd, zijn agenda stond twee jaar tevoren al vol. De militaire dienst had daarbij zijn eigen vereisten, zodat kerkdiensten op de bases in Duitsland regelmatig een heel weekend opslokten. En als je daar dan toch bent… dan is het toch logisch de steden in de omgeving even te verkennen, of vrienden binnen een straal van 100 km. op te zoeken. Voor de kinderen betekenden de weekends vooral dat ze hun vader nauwelijks zagen. Maar door de week ook niet, want hij was verplicht om negen uur aanwezig op zijn werk, een moment waarop je als predikant in een ziekenhuis niet veel anders kunt doen dan de krant lezen en studeren. Het personeel ontmoette hij vooral ’s avonds in de Mess, zodat hij thuis ook bij het avondeten meestal ontbrak.
In het hospitaal had hij heel regelmatig weekenddienst; dan moest hij opgeroepen kunnen worden, en binnen afzienbare tijd ter plekke kunnen zijn. Mobieltjes waren er nog niet. Als het gezin er dan even uit wilde, moest er veel geregeld worden!
1973: Ton komt op zijn eindrang: Overste, ofwel: Luitenant- Kolonel. 

Oecumene is in de dienst uitgevonden, want aalmoezeniers en predikanten werkten en werken al heel lang vanzelfsprekend samen. In de loop van zijn leven heeft Ton zich in alle kerkelijke bloedgroepen thuis gevoeld, en samenwerken was wat hem betreft nooit een probleem.
Toen Ton 55 jaar was, moest hij de dienst verlaten. Een pas ingegane bezuinigingsmaatregel, die hem zeer aan het hart ging, omdat ‘hij nu net wist aan welke touwtjes hij moest trekken’ om dingen voor personeel en patiënten voor elkaar te krijgen. Het feit dat hij meester in de rechten was, heeft vaak positieve invloed gehad in het werk, door brieven die hij voor mensen schreef, en door aanwijzingen waar ze iets mee konden.

55. Dan ben je te jong om niets te gaan doen. Natuurlijk had hij meer tijd voor de kinderen, en kookte hij op zijn tijd eveneens. Dat vond hij prettig. Ook ging hij op reis naar Mexico, want daar woonde iemand die hij op een andere reis eens had ontmoet. Dan ben je dus vrienden voor het leven. 

Gea kon nu ook gaan werken, en ze begon een paar jaar later aan een studie theologie via de Utrechtse zaterdagopleiding. Een van Tons aardigste eigenschappen was, dat hij het altijd leuk vond als hij iets van iemand anders kon leren. Hij nam met vreugde kennis van nieuwe inzichten in de theologie, stoorde zich er nooit aan als Gea iets wist wat hij nog niet wist, integendeel! Ook met zijn schoonzus, die wiskunde studeerde, en met vele anderen, kon hij bevlogen gesprekken hebben. 
Als ‘bijstand in het pastoraat’ ging hij parttime aan het werk bij de Lutherse Rogatekapel in Amsterdam Oost. 
Daar vierde hij zijn 25-jarig bestaan als predikant. 
  
Ton de Kapel een paar jaar later 50 jaar bestond, mocht zijn dochter van 13 wat hem betreft bèst nippen van zijn wijnglas. Niks nix! 

Ton werd al snel bestuurslid van de Bond zonder Naam, en godsdienstleraar op Duinzigt, een IVOMAVO school in Oegstgeest. Aanvankelijk onder de straffe leiding van zuster Salvatrix, met wie Ton het goed kon vinden. 
Dat was leuk werk, zolang het vak van belang was voor de overgang, maar toen er een nieuwe directie kwam die dit principe los liet, waren de kinderen minder gemotiveerd om te leren. Dat maakte het werken veel zwaarder. Ton vroeg ook best veel van de leerlingen. Af en toe protesteerden zijn eigen kinderen dat het véél te moeilijk was!!!
Tot dan toe kon hij altijd moeiteloos omgaan met iedereen, van dienstplichtige tot generaal, van portier tot ambassadeur. Nu was de sfeer minder plezierig. Na zijn zestigste begon de COPD ook een steeds grotere rol te spelen, dat benam hem de adem, maar ook veel energie. Daardoor moest hij na zijn 64ste ophouden met het werk op school. Maar zijn andere taken bleef hij nog vervullen.

Het Evangelie in Spanje maakte daar al vanaf zijn terugkeer in 1956 een belangrijk deel van uit. Eerst als lid van het bestuur, later als voorzitter, en sinds 1998 als vice-voorzitter. Bijna alle jaren dat hij voorzitter was, heeft hij de tweejaarlijkse synodevergaderingen van de I.E.E. bijgewoond.
Bij zijn begrafenis noemde ds. Alfredo Abad, de huidige voorzitter van het Dagelijks Bestuur (C.P.) van die kerk, hem een steunpilaar, die zijn sporen in Spanje had nagelaten, en dat was terecht. Spanje, en daarmee de Nederlandse Vere(e)niging Het Evangelie in Spanje, later de Stichting, had zijn hart. 
Zolang daar belangstelling voor was heeft hij samen met de andere bestuursleden zijn best gedaan om de aandacht in de kerkelijke gemeenten van heel diverse signatuur levend te houden en te wekken voor de Spaanse zaak, door lezingen, door kerkdiensten met predikanten uit Spanje, maar de interesse van de kerken verplaatste zich later naar Oost-Europa, en toen er een eind was gekomen aan het Franco-tijdperk en er in Spanje op papier godsdienstvrijheid bestond, werd het draagvlak steeds minder. Bovendien werd Spanje voor de Nederlanders ook minder een vacantieland. Men keek steeds verder om zich heen. 
Jammer, want de discriminatie duurt nog voort. 
Met zijn Gea maakte hij later (in 1998) nog een reis door (Protestants) Spanje, opdat ook zij de plaatsen en mensen zou leren kennen – en zij haar, want ze nam dat jaar de plaats als secretaris in van ds. W. van Laar, die toen voorzitter werd, waarbij Ton de plek van vice-voorzitter innam. In 2000 volgde nog een reis naar Rusland, i.v.m. de voorgenomen bouw van een Lutherse kerk in Jekaterinburg. Ook Moskou werd met veel plezier bezocht, en de Russische boekenschat werd nog enigszins uitgebreid. (Die wàs al ruim vertegenwoordigd!)

Ook op andere wijze diende Ton het Evangelie en de Protestanten in Spanje, door jaarlijks voor de EPNS zich enkele weken of maanden bezig te houden met Nederlandse overblijvers (en toeristen) in het buitenland. 
Er werden o.a. kerkdiensten in Benidorm, Torremolinos en Gran Canaria, verzorgd, en ook was er ruimte voor gesprekken, koffiedrinken naar de dienst, en persoonlijke bezoekjes. 
 

Nu hij iets meer tijd had, werd hij gevraagd voor het Utrechtse Donderdagavondgezelschap, waar hij de leden van tijd tot tijd bezig hield met hoogst interessante lezingen, zoals ook zij om de beurt deden. Ieder op het eigen vakgebied. En dat was heel divers.
Een maandelijks gebeuren overigens, maar wel op donderdagavond. 

De banden met de Mess van het Militair Hospitaal bleven, en zo nam hij in 1982 zijn zestienjarige dochter mee naar een koninginnebal, omdat haar moeder niet mee kon. 
Ze genoten er beiden van! Het was natuurlijk ook een heel charmante man!
 
Een paar jaar later nam hij zoonlief mee naar Rome, waar hij ons vroegere bruidsmeisje zou weggeven
Als daar geen vader meer fungeert, is zo'n knappe 'oom' in een mooi uniform ook wel een heel goede keuze, nietwaar? Voor dit gezin is hij jarenlang toeziend voogd geweest. 

Een groot geluk was de geboorte van zijn eerste kleinkind in 1998. Hij was al 77! 
Het werden er acht, en hij was daar heel erg verguld mee. Dat hij minder met hen kon doen dan hij wel had gewild, lag alleen aan de gezondheid! 

Die ging steeds verder achteruit, hartfalen maakte het gebruik van een rolstoel nodig, en op zijn 80ste dachten de medici dat het einde verhaal was, zodat Gea een afscheidsdienst voor hem organiseerde in de geliefde Pieterskerk, waar hij jaren lid van het Consistoire (de kerkenraad) was, en veel diensten deed. 

De vele vrienden konden nu de aardige dingen tegen hem zelf zeggen, die ze anders over hem zouden zeggen bok de begrafenis, was de gedachte. Kennelijk is er veel voor hem gebeden, want wonderlijk genoeg krabbelde hij weer op, al bleef de rolstoel een noodzakelijk kwaad. Maar een paar jaar lang had hij bij goed weer toch nog veel plezier van het vouwfietsje, dat hij bij die gelegenheid had gekregen. Ook het (op den duur wekelijkse) bezoek aan de voortreffelijke acupuncturist – een oude vriend uit het hospitaal – had een grote invloed op zijn gezondheid.


Lourdes. Een uitvloeisel van die viering op zijn 80ste was dat daarna de deelname aan de Militaire Lourdesbedevaarten werd hervat. 
In 1958 ging hij voor het eerst mee, uit nieuwsgierigheid, want de dienstplichtigen hadden hem gevraagd: ‘Dominee, de aalmoezenier gaat naar Lourdes, want vindt U daar nu van?’ Hij las zich in, de volgende les van de Geestelijke Vorming besteedde hij er aandacht aan, maar terwijl hij zichzelf hoorde spreken, dacht hij: ‘hier staat een man die praat over iets waar hij niets van afweet!’
Dus ging hij dat jaar mee met de ziekenbedevaart met de trein.
Veel gesprekken voerde hij daar, en hij leverde zijn aandeel met het rijden van de zieken. Later ging hij nog eens mee met een RK collega naar Rome. Dat is nooit weg, als je van reizen en van mensen houdt. 
Naar Lourdes ging hij pas weer mee, toen hij in het Militair Hospitaal werkte. Eerst onregelmatig, de dienst moest het ook mogelijk maken, later vaker. Een aantal jaren gingen zijn vrouw en hij zelfs officieel mee als Geestelijk Verzorger. In 1986(?) namen ze de dienstplichtige zoon mét 'dochter Twee' als zijn introducé ook nog een keer mee! 

De jongelui hadden een bijzonder vrolijke bedevaart. 
De vaart zat er wel in, aan het bidden ontbrak het wel wat. ;-x 
Er kwam  een abrupt einde aan de bedevaarten, toen een nieuwe voorzitter van het bestuur de deelname aan de bedevaart wilde ‘verjongen’, en de 65-jarigen en ouder niet meer werden aangemoedigd om mee te gaan. 

Maar bij de gelegenheid van die dienst in de Pieterskerk werd hij door de toenmalige voorzitter (een nieuwere) gemaand om weer mee te gaan. Hij was welkom! Zo gebeurde.
Van 2002 – 2017 is er slechts een enkele keer door ziekte een hiaat geweest in de pelgrimages. We waren de tel kwijt, maar hij tikte de 40 wel aan. Of net niet. Het is niet belangrijk.
Maar in Lourdes genoot hij van de sfeer van de militaire dienst, en van het feit dat hij nog dienstbaar kon zijn. Toen hij jonger was, door met zieken te sjouwen, later door met groepen de grote Kruisweg te lopen, en daarbij net iets andere accenten te leggen, en het gebeuren dicht bij het leven van de mensen te brengen. Wat dat betreft heeft hij school gemaakt bij de aalmoezeniers. Ook was hij altijd weer diep onder de indruk van het feit dat daar de zieke geen randfiguur is, zoals in het dagelijks leven hier, maar centraal staat. 
Ook toen hij later zelf in de rolstoel zat, en door deze en gene werd gereden, en zijn vrouw wel eens angsten uitstond, omdat niet iedereen daar even handig mee is, zei hij haar privé, dat je het de mensen moest gunnen iets voor een ander te doen. Dat gaf ze een goed gevoel. Het ging (bijna) altijd goed. ;-) 
Zo lang het ging liep hij zelf nog de grote kruisweg, al moest hij er soms 3 uur over doen. En na afloop, een traditie, een ijsje!

........................................................................

2003
was een bijzonder jaar. Op 25 januari hadden we het grote voorrecht samen het huwelijk van onze eigen oudste dochter met haar geliefde in de Utrechtse Pieterskerk in te mogen zegenen, nadat het op hun eigen boot, de Vlieland aan de Amsterdamse Borneokade voltrokken was door de trouwambtenaar. Een opwindende aangelegenheid! Toen ze het ons, eind 2002 kwam vragen, was Ton bedlegerig, maar dit was een van de mooiste momenten van ons leven. Hij leefde er ook naar toe, en hij leefde er van op. :-) 
In 2001 had hij overigens al in Den Bosch gedanst met de bruid van zijn zoon! Een adembenemende ervaring!

In de Sint Jan had hij voordien een kaarsje opgestoken... 


Later in 2003 benoemde Hare Majesteit koningin Beatrix ter gelegenheid van haar verjaardag Ton tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Een teken van erkenning, waar hij bijzonder dankbaar voor was.

In de herfst van datzelfde jaar ging de Waalse gemeente uit Utrecht naar Roemenië. Dankzij een gemeentelid waren er contacten met een Orthodoxe gemeente en een school in Brașov aangeknoopt, met uitwisselingsreizen tot gevolg. De predikante was verhinderd, en dus ging Ton mee, met rolstoel en al. Regelmatig moesten de jongelui alle schroeven en moeren weer aandraaien, want het plaveisel daar was erger dan de bekende kinderkopjes in België! 
Achtentwintig jaar eerder was er al eens een reisje naar Roemenië geweest, en nu kwamen de leerboeken weer van pas. Ton heeft ijverig zijn Roemeens opgehaald en verbeterd, en met behulp van een Waalse reisgenoot, die goed Roemeens sprak, heeft hij een preek in die taal op papier gezet, die er wezen mocht. 
Het was een memorabele dienst! Ton had zich vooraf al in zijn witte toga gehuld, toen wij als groep met de bus aankwamen bij de nieuwe orthodoxe kerk in Brașov. Die ligt op een heuvel, en is bereikbaar via brede trappen. Een stel sterke mannen stonden ons op te wachten, en namen Ton met rolstoel en al op de schouders. Zo droegen ze hem de kerk in – en later er weer uit. ‘Papa’ werd er gefluisterd. De paus, dachten ze. 
En toen deze man begon te spreken, en niet, zoals de andere vreemdelingen, uit het Frans vertaald werd, maar hen zèlf in hun eigen taal aansprak, was er een intense aandacht. 

Bij het vertrek uit de kerk wilden veel mensen even zijn hand of zijn toga aanraken… Zelfs zijn entourage ontkwam daar niet aan. 
Met de parochiepriester is er nog steeds contact, en tot voor kort werden in beide kerken op de derde zondag van de maand een kaars voor elkaar gebrand.

Preken bleef Ton doen, al werd dat langzaam minder. Toen hij voor het eerst in de rolstoel werd gezien door een echtpaar uit een kerk in Utrecht waar hij een paar keer per jaar placht voor te gaan, zei hij ondeugend tegen Gea: ‘Nu word ik daar nooit meer gevraagd!’ Hetgeen klopte. 

Vijftig jaar predikant zijn vierde hij met een dienst in de Pieterskerk in Utrecht, met veel familie en vrienden. 

Ook heeft hij met veel vreugde en in een iets kleinere kring, in 2014 nog zijn 60ste jaar als predikant gevierd met een dienst in de lutherse kerk in Zeist
Dat zijn kinderen ook daarin actief waren, was iets waar hij zeer dankbaar voor was. Voor het feit dat de gemeente dit mogelijk maakte eveneens. Jammer genoeg had iemand in een kerkblad gezet dat het zijn afscheidsdienst was. Gelukkig was dit niet het geval. :-) Maar de gezondheid nam af, en de diensten werden minder. Niet in kwaliteit, gelukkig. 
De laatste dienst was in mei 2017 in de Waalse kerk in Groningen. Met zuurstof, en dankzij de oudste dochter, die hem reed, en met haar moeder een deel van de liturgie verzorgde. Het was ontroerend, dat dit nog kon, en hij bleef interessant, want met studeren hield hij nooit op! 
Alleen de laatste maand van zijn leven had hij er geen energie meer voor, al volgden Gea en hij ook toen nog graag de Efemeriden, de mini-internetcolleges Hebreeuws van ds. Piet van Midden.

Het trauma van het sterfbed van zijn geliefde Beppie hield hem steeds meer bezig naarmate zijn krachten afnamen. Toch zei hij half december 2017 nog dat hij volgend jaar toch wel weer mee naar Lourdes zou willen. Het kwam er niet van. Kort daarna raakte hij in een coma. 
Hij kwam daar wel weer uit, maar hij had zijn leven aan Jezus gegeven, en hij wilde met Hem mee. 
Van de kinderen had hij afscheid genomen, en het was goed zo. 
Het duurde nog tot de dag voor kerst, voordat hij in Jezus’ armen insliep.
Een rijk en vol leven hier op aarde was voltooid. En het beste kwam nog. Dat wist hij.


Aan het eind van de dienst ter gelegenheid van zijn 60 jaar predikantschap zei hij:
‘Ik heb ervaren, zowel hier in mijn eigen land als in Spanje, dat er meer is tussen hemel en aarde, dan mijn verstand kan bevatten. Ik ben wonderlijk bewaard en nu aan het eind van mijn leven ben ik diep doordrongen van de zekerheid dat het ons aller taak is om elkaar tot zegen te zijn.

Mijn eigen primaire taak bestaat in het spreken over Jezus en het opwekken tot vertrouwen in Zijn bescherming en leiding.

Hij houdt van alle mensen, stuk voor stuk, niemand hier uitgezonderd, ook de kinderen niet, en Hij zegent ons opdat ook wij voor anderen tot zegen zijn. Amen.’ 



[1] (Zelf had hij de ogen gesloten om niet te worden opgemerkt!)

[2] Daar kuste hij de Blarney Stone, waar je de gave van het woord van zou krijgen. Die hàd hij! Maar of het aan de Blarney Stone lag???