Klik voor een aantal eerdere diensten hier

Zondag 22 na Trinitatis 192-10-2008 Lutherse kerk te Gorcum. Organist: H. Nomen. 

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. 
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer      
die hemel en aarde gemaakt heeft.


Wij belijden voor de Almachtige God,
dat wij gezondigd hebben,
gezondigd, in gedachten, woorden en daden…

Het is onze schuld, onze eigen grote schuld.

Daarom vragen wij God, de Almachtige,
de Barmhartige, Zich over ons te ontfermen,
ons al onze zonden te vergeven en ons te bevrijden van alles wat verkeerd is.
Amen

De Almachtige  God schenke ons Zijn genade!
Amen!

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons Introïtuslied is nummer 211 uit Tussentijds, U vindt dat op uw blaadje. Ook dit is een gebed…

2. Niemand kan alleen, Heer, Uw zegen dragen:
Zegen drijft ons heen naar wie vrede vragen.
Wat Gij schenkt wordt meer naar gelang wij delen,
Horen, helpen, helen, vruchtbaar in de Heer;

3. Vrede, vrede laat Gij in onze handen, -
dat wij die als zaad dragen door de landen,
zaaiend dag aan dag, zaaiend in den brede,
totdat in Uw vrede ons hart rusten mag

4. God, schenk ons de kracht  dicht bij U te blijven,
dan zal ons geen macht  uit elkander drijven.
Zijn wij in U een,  samen op uw wegen
dan wordt ons tot zegen  lachen en geween.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!



Zondagsgebed
Grote God, U heft koningen ten troon, en verhoogt mensen tot koningskinderen.
Schenk ook ons dan Uw Heilige Geest en Haar gaven, opdat wij het vertrouwen, dat U in ons stelt, waardig mogen zijn door Jezus Christus onze Heer.
Amen.

Lezing OT Jesaja 45: 1 – 7 NBV
God heeft Cyrus, de nieuwe heerser over Babylon, Zelf geroepen om Zijn volk te bevrijden uit de ballingschap. Hij is het die alle macht in hemel en op aarde heeft. Zodoende heeft hij ook Cyrus aangesteld, zodat alle machthebbers ter wereld zich zullen buigen en erkennen: God is in Israël, en een andere God is er niet op heel de aarde.
1   Dit zegt de HEER tegen Cyrus, Zijn gezalfde, die Hij bij de rechterhand neemt, aan wie Hij volken onderwerpt, voor wie Hij koningen ontwapent, voor wie Hij deuren opent – geen poort blijft gesloten:
2  Ik zal voor je uit gaan, Ik zal ringmuren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken.
3  Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijkdommen. Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Israël, die jou bij je naam roept.
4  Omwille van mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je Mij niet kende.
5   Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten Mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je Mij niet kende.
6  Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten Mij. Ik ben de HEER, er is geen ander
7  die het licht vormt en het donker schept, die vrede maakt en onheil schept. Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet.”

Hij zegt het niet alleen tegen Cyrus, of Kores, zoals we hem ook tegen komen in de bijbel, maar ook tegen ons.
Het is goed dat we ons duidelijk maken met Wie we te doen hebben. En hoe God werken kan in ons leven, via onverwachte kanalen. Hij ís er, ook als je Hem niet ziet of verwacht. Daar kun je blij van worden.
Onze graduale-psalm is dan ook: psalm 116:1, 8

Voor 't oog van al de zijnen zal ik Hem
offers van dank naar mijn beloften brengen,
in 's HEREN voorhof mijn gejubel mengen
met uw lofprijzingen, Jeruzalem.

De epistellezing is uit: 1 Thessalonicenzen 1: 1 – 10 NBV. Het is een brief:
1 Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus.   
Genade zij u en vrede.
2  Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden
3  en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer.
4  God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat Hij u heeft uitgekozen:
5  onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest.
U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren.
6  U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u het Woord ontvangen met de vreugde van de heilige Geest.
7  Zo bent u een voorbeeld voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje geworden.
8  Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen;
9  iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren–om Hem, de levende en ware God, te dienen
10 en om Zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die Hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel.

Dat is het evangelie in een notedop. Terecht zegt de psalmist: God geneest wie gebroken zijn en verzorgt hun diepe wonden. (Psalm 147:3)

Halleluja!

Om die genezing mogen we ook verder, moeten we vooruit kijken. Daarom zingen we uit het blauwe boekje nr. 92 = gvl 409 = tt 51.
Laten we het elkaar toezingen: 2x.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Mattheüs 22: 15 – 22 NBV
Het is in de Heilige Week, tussen de glorieuze intocht in Jeruzalem, en de gevangenneming. De Heer vertelt nog veel verhalen, om te getuigen, om uit te leggen, om te bekeren… Hij heeft ook verteld hoe het heil wel eens voor de heidenen kon zijn, als Israël niet luisteren wil… We lezen:
15   Nu trokken de Farizeeën zich terug om zich erop te beraden hoe ze Hem met een uitspraak in de val konden lokken.
16  Ze stuurden enkele van hun leerlingen samen met een aantal Herodianen naar Hem toe, met de vraag: ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen.
17  Zég ons daarom wat u vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’
18  Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars?
19  Laat me de belastingmunt zien.’ Ze reikten Hem een denarie aan.
20  Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’
21  Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’
22  Ze waren zeer verbaasd toen ze dit hoorden. Ze lieten Hem staan en gingen weg.

  Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

In antwoord op Gods Woord willen wij samen (nog steeds staande) ons geloof belijden:
 
Wij geloven in God - Schepper van hemel en aarde.
Heer over alle machten

Die om ons van alle macht heeft afgezien
en in Jezus de prijs heeft betaald voor onze overtredingen.

Die in eenvoud tot ons kwam,
en werd verraden en vermoord - gekruisigd...

maar Hij overwon de dood!

Na drie dagen opgestaan ten leven
verscheen Hij aan vriend en vijand;

weer in Zijn hemels rijk terug zond Hij Zijn Geest
die ieder mens bezielen wil tot leven in de Heer.

Tot  een geméénschap van heiligen,
door een doop, door vergeving van zonden,

tot leven in  der eeuwigheid.  Amen


Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve Gemeente, lieve vrienden, zusters en broeders in de Heer.

Het zal wel van alle tijden zijn, dat mensen er een hekel aan hebben om belasting te betalen.
En word je er zelf beter van, doordat er goede wegen worden aangelegd, doordat ze veilig zijn, en goed verlicht, doordat er zorg is voor de zwakken in de samenleving, en al dat soort dingen, dan is dat tot daaraan toe.
Je kunt er het nut van inzien.
Maar als je belasting moet betalen aan een bezetter, dan wordt dat natuurlijk dubbel bitter.
En Jezus leeft in bezet gebied.
Dubbel en dwars.

Trouwens: de (tweede) profeet Jesaja is er met het volk waartoe hij behoort, niet beter aan toe, want ze zijn al generaties geleden het land uitgesleept, ze zijn in ballingschap in het oude Syrië, hier Babylon genoemd, en ondanks alle mooie beloften via en aan de eerste profeet Jesaja, lijkt de situatie uitzichtloos. De vijand Babel houdt de gevangenen er onder door een schrikbewind.
Maar dan staat er in het buurland Perzië (nu Irak) een nieuwe koning op. Kores of Cyrus, zoals zijn Griekse naam luidt. Hij begint een veldtocht tegen de koning van Babylonië, en als hij eenmaal de hoofdstad Babel heeft ingenomen, zal hij de Israëlieten en Judeeërs, die dat willen, toestaan en zelfs wat helpen om terug te gaan naar het Moederland.
En Israëls God heeft daar de hand in.
Hij is dan ook de Enige God die echt bestaat.

Hij
laat in onze eerste lezing, waarin Cyrus wordt aangesproken, aan het volk, dat in de onrust van de tijden helemaal niet meer weet waar men het zoeken moet, weten, dat Hijzelf hier achter zit. En dat Hij hun heil op het oog heeft.

God slaat recht met kromme stokken
, zei mijn moeder wel eens.
En dat kon overal op slaan…
En warempel, opeens lezen we dezer dagen in de krant, dat in deze recessie niet alles hopeloos is, al is het wel héél vervelend als je spaargeld opeens 25% minder waard blijkt, en je pensioen niet meer zeker is… Toch: opeens lezen we dat er iets goeds in zit, want nu zal er vast een nieuw stelsel ontwikkeld worden, een àndere vorm van kapitalisme waarschijnlijk, waarin het allemaal beter wordt, eerlijker, en fatsoenlijker.
En wie dat gelooft, is een optimist of een Christen. Of beiden. Wij mogen immers terecht geloven dat God een goede draai kan geven aan slechte dingen. Aan dingen die wij zelf in de soep hebben laten lopen.
Want Hij staat daar vér boven.
Hij is Heer over allen en alles.
Zijn aandacht gaat uit naar de weerlozen en kwetsbaren, en Hij gebruikt daar soms de sterken voor. Zelfs de allermachtigsten.
Maar Hij blijft de al-machtige.
Degene aan wie alle macht toekomt, en van Wie alle macht afkomstig is.
Er is geen kracht en geen macht die niet uit Hem en tot Hem en door Hem is.
Dat is in elk geval de boodschap die we mogen meenemen uit de eerste lezing.
En in de doxologie, de lofzang aan het eind van het Onze Vader zeggen en zingen we het ook vaak: van U is het rijk en de kracht en de macht in eeuwigheid.
Dat beamen we, en daarom loven we Hem, aanbidden we Hem, en kunnen we vragen om een oplossing voor onze noden en die van de wereld.

Om dat koningschap van God in de herinnering van de mensen te brengen is Jezus gekomen naar Jeruzalem, heeft Hij al die jaren gesproken tot Gods volk
Want het is in nood. In grote nood.
Het land is bezet door de Romeinen.
Harde meesters zijn het.
Ze maken het leven moeilijk.
Ze hebben geen enkele belangstelling voor het speciale karakter van dit volk. Voor het feit dat het een volk is dat in principe wordt geregeerd door hun God.
Een theocratie?
Dat hebben zij zelf ook: hun keizer Augustus was zelf goddelijk. Divus Augustus! Dat is bij wet vastgesteld, en het Romeinse volk heeft het bevestigd. En zijn opvolger Tiberius doet niet minder.
De keizer is een god die je kunt zien, bejubelen, en, als hij een goede bui heeft, zelfs benaderen met verzoeken. Zo’n brutaliteit kán je de kop kosten, maar met een beetje geluk word je gehoord en wordt je verzoek verhoord. Dáár heb je tenminste iets aan. Die Joden hebben een god die je niet kunt zien, er is zelfs geen beeld van in zijn tempel
En ook al houden de Romeinen wel enige rekening met de religieuze gevoeligheden van dit volkje, - de Joden vormen in Rome een krachtige lobby -, ze hebben er in feite niets anders dan minachting voor.
Opstanden worden, net als elders in het Romeinse rijk, met veel geweld in de kiem gesmoord.

Jezus wordt door de Hogepriesters en de Hoge Raad gezien als een grote bedreiging voor de rust in het land. Zeker nu de stad vol is met volk van heinde en verre, dat gekomen is om het Paasfeest te vieren.
Dan is een opstand een reëel gevaar.
Ook de Farizeeërs delen die mening.

Jezus heeft nota bene zojuist laten doorschemeren, in een verhaal over een bruiloft, dat de Joden het niet meer waard zouden zijn Gods volk te zijn, en dat het heil vanaf nu voor héél de wereld zou wezen. Ze zijn laaiend. En ze sturen, om niet te veel op te vallen, hun leerlingen er op af, om Jezus ten val te brengen. Ze sturen eveneens een stel NSB-ers mee voor hun veiligheid. Herodianen genoemd. Dat is nu even minder belangrijk

Waar het om gaat is dat ze een heel venijnige vraag hebben bedacht, die zó is geformuleerd, dat ze Jezus in elk geval tuk hebben. Hij zal óf zeggen: nee, je moet vooral geen belasting betalen aan de keizer, en dan kunnen de Herodianen Hem aanhouden en voorgeleiden, omdat Hij opstand preekt, óf Hij zal zeggen dat ze dat wel moeten doen, en dan zal Hij het volk op Zijn nek krijgen.
Daarmee wordt Hij vast de bron van een opstootje, en zo zal er alle aanleiding zijn om Hem aan te houden en voor te geleiden.

Maar Jezus is slimmer dan zij.
Hij is in de tempel, en daar mag een mens alleen maar tempelgeld uitgeven.
Op het tempelgeld staat geen afbeelding van mens of dier. Het is wat je noemt kosher geld.
Vandaar ook die geldwisselaars aan de rand van het tempelterrein…
Natúúrlijk heeft de Heer geen denarie bij de hand. En Hij doet alsof Hij er nog nooit een gezien heeft. Een denarie is een kleine zilveren munt, die ongeveer een dagloon vertegenwoordigt, buiten de tempel. Hierbinnen is die niets waard.
En op de munt staat de beeltenis van de afgod Augustus, en diens naam staat op de inscriptie.
Het is dus eigenlijk een eigendom van de keizer, dat je in ruil voor goederen of diensten even vast mag houden…
Men brengt op Zijn verzoek de munt naar Jezus toe, maar nergens staat dat Hij die ook aanpakt.
Integendeel: Hij vraagt aan Zijn tegenstanders: “Wat staat er op? Wat zie je daar?”
‘De beeltenis van de keizer, en zijn inscriptie. Zijn handtekening.’
“Geef dat dan gauw terug aan de keizer”, zegt de Heer. Het Griekse woord dat Hij gebruikt wordt ten onrechte maar half vertaald met geven.
Er staat eigenlijk: teruggeven.
Het hoort hier niet, is de boodschap die mee klinkt in Jezus’ woorden. Hier, in de tempel, hebben we alleen met God te maken.
Met onze Hemelse Vader, die voor ons zorgen zal, als we Hem maar dienen.
Geef aan de keizer terug wat hier niet hoort, maar geef aan God terug wat je van Hem gekregen hebt.

En daar vinden we waar het Jezus om gaat.
En dan gaat het niet om het betalen van de tempelbelasting, die van elke feestganger wordt verwacht, en die betaald wordt met tempelgeld, (zoals alle offers aan God betaald dienen te worden met kosher tempelgeld), al zullen Zijn tegenstanders dat er wel in horen…
Het gaat om veel méér.

Want Jeruzalem en Judea en Galilea zijn niet alleen bezet door de Romeinen, het wordt ook aangevochten door een andere vijand.
Een vijand die het niet gaat om macht over land en mensen, om veel belastinggeld, maar die het gaat om macht over de zielen van de mensen.
Over hun wezen.
En die ziel, die néfésh, dat wezenlijk leven, is tot leven gewekt door de adem die God Zelf bij de schepping ons heeft ingeademd, zoals we in het lied van de schepping lezen. 
Die ziel is onze directe verbinding met Gods Geest.

Jezus staat aan het eind van Zijn missie.
En u zult zich herinneren, hoe de satan Hem aan het begin ervan heeft verzocht in de woestijn.
Voedsel en veiligheid en alle macht in de hemel en op aarde bood de verleider Jezus aan, liegende dat die aan hem gegeven was.
Maar Jezus heeft Zich van hem afgekeerd, en heeft Zijn heil gezocht, en dat hardop gezegd, bij God, de wezenlijke bron van alle macht.
Hij heeft geen behoefte aan macht, want Hij is gekomen om te dienen.
Toen droop de satan af.
Zoals die nu afdruipt… voor even.
Om terug te komen met list en geweld.
Om de mensen te bewerken, zodat ze de Heer verraden met een kus, zodat ze, verblind en misleid door hun overheden, roepen: kruisig Hem.

De cirkel is rond…

Maar het verhaal gaat door.

Maar op Golgotha overwint Jezus, in Zijn gehoorzame overgave aan God, de dood, en slaat daarmee het uiterste machtsmiddel uit de handen van de satan.
Hij geeft aan God terug wat Hij van Hem gekregen heeft: het leven als mens. Als waarachtig mens.
Ons leven.
En daarmee is het geheiligd.
Is het losgewrongen uit de klauwen van angst en geweld.

Zodoende kan Paulus een twintigtal jaren later schrijven aan de gemeente in Colossos, ondanks de zware vervolgingen: Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden en gedenken dan hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer. 
Dat is mooi… Zo moet het.. 

En nu wij.

Hoeveel vertrouwen hebben wij in God?
Wat brengt ons geloof te weeg, en hoeveel werk kan onze liefde verzetten?
Zijn wij als de gemeente in Colossos, die stand hield, temidden van het geweld van de Romeinen tegen de Christenen, en temidden van de duivelse verlokkingen om maar te offeren aan de keizer en zo veilig te zijn? Die niet bezweken is voor de vervolgingen, maar vasthield aan het offer van Jezus voor hen én voor ons?

Of zijn we onrustig en bang in het woelen der tijden, in het omvallen van banken en onze vooruitzichten, in de angst voor de toekomst die ons benauwt?
Wàt als je pensioen straks niets meer waard is? Wàt als je straks op straat staat?
Wàt als je ziek wordt, en de hypotheek niet meer kunt opbrengen?
Wàt als ons geloof te klein blijkt?

Laten we dan denken aan wat Godzelf tegen Cyrus, tegen het volk, en tegen ons zegt: “Ik zal voor je uit gaan, Ik zal muren slechten, bronzen deuren verbrijzelen, ijzeren grendels stukbreken. Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijkdommen.
Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Israël, die jou bij je naam roept. Ik ben de HEER, er is geen ander, buiten Mij is er geen god.
Ik heb je bewapend, ofschoon je Mij niet kende.

De wapens die Hij aan ons heeft gegeven, aan u en jou en mij, zijn liefde en offerbereidheid, zoals we die zien in Jezus.
Liefde zoekt naar het goede in de ander;
wil dat zien, ontdekken, ruimte geven.
Die liefde is hier in deze gemeente in ruime mate aanwezig. Dat weet ik. Ik heb het in de loop der jaren gezien. En veel mensen hebben getoond dat ze bereid waren offers te brengen voor God.

Maar daarmee zijn we er niet.
De ervaring leert, dat juist waar mensen dicht bij God leven, de satan nog altijd op de loer ligt om ze onderuit te halen. Om ze door list en bedrog op de verkeerde weg te brengen.

Daarom moeten we alert blijven. Op onze hoede.
Jezus roept daartoe telkens weer op.
Daarom moeten we iedere dag weer ons wapenen tegen de waan van de dag, tegen vermoeidheid en zwakte, tegen drukte en overwerk.
Want o! de tegenstander weet zo goed wat onze zwakke punten zijn. Vaak beter dan wijzelf.

Daarom moeten we elke morgen ons leven weer aan God toewijden. Het in Zijn dienst stellen.
Elke dag tijd nemen voor bijbel en gebed, zoals broeder Maarten deed, want dat is het dagelijks brood voor onze ziel.
Elke avond de dag met God doornemen: wat was goed, wat kon beter?

Aan ons is veel toevertrouwd. Ons leven
De gemeente. Onze kinderen… Geld en goed...
Laten we tonen dat we het waard zijn.
Met Gods hulp kunnen we dat!
In de Geest die Jezus ons heeft nagelaten.
Amen.

Muziek

 (Gods goedheid is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij mogen daarin delen door te doen zoals Hij:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
genade en geduld…
Nu kunnen we er, als een goed begin, gestalte aan geven in de collecte!

Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 402: 1)

Collecte

Gebed over de gaven

Heer, wat wij bij elkaar gebracht hebben, is meer dan geld,
wil er ook onze goede wil in zien,
   en onze dank voor Uw liefde.
Zegen  het,
zodat het vrucht draagt in overvloed
-hier en elders-
               om Jezus'  wil.  Amen

Wij zingen gezang 402: 1


Laten we nu danken en bidden, en laten we ons gebed zingend beëindigen met het Onze Vader. Ook dat staat op Uw papier.

Grote, machtige en verheven God, Heer over dood en leven, bron van alle macht en heerschappij op aarde, tedere en zorgzame Vader in de hemel, U willen we danken voor alle goede dingen die U ons telkens weer geeft, in elkaar, in gezondheid, in een stabiele samenleving, in deze warme gemeente… in Uw Geest en Haar veelkleurige gaven…

Wij bidden U voor ons allen om Uw hulp, en de constante leiding van Uw Heilige Geest, zodat we de weg gaan die Jezus ons voorging, en die leidt naar U en naar elkander.

Heer God, wij danken U, dat U, die zo sterk en machtig bent, ook begaan bent met kwetsbare mensenkinderen. Help ons te leven naar dat voorbeeld, maar help ons ook om hulp te aanvaarden, wanneer we die nodig hebben.
Hulp van U, die U vaak geeft via mensen.

Wij bidden U voor al die hulpverleners, die soms zo moe worden van de bureaucratie, van de dingen die maken dat ze aan hun eigenlijke werk: mensen helpen, niet goed toekomen.

Wij bidden U ook voor de zieken in eigen kring…Allereerst voor mevrouw Feenstra. Sterk haar in haar ziekte en haar eenzaamheid. We danken U dat het met Mevrouw Temme en met Angenietje Temme iets beter gaat,  maar wij bidden wel dat U ook verder voor hen zorgt, en hen heelt en geneest. 
En ach, Heer, al die anderen hier en thuis... 
U kent ze bij name.
Wij bevelen ze aan in Uw liefde en zorg.

Wij bidden voor allen die op de vlucht zijn, gedreven door oorlog, door geweld van mensen of van natuurrampen, en vragen om Uw leiding voor alle mensen die ze op hun levensweg ontmoeten.
Open ons de ogen en de harten voor wat we kunnen en mogen doen, en zegen hen die macht en verantwoordelijkheden hebben gekregen op hoge plaatsen, zodat zij het hunne doen.

Heer, in dankbaarheid en liefde willen wij U toezingen en aanbidden als Onze Vader in het verborgene…


Ons slotlied is aanstonds gezang 213: 5 en 6
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ gezang 213:1
Nu bidden wij eerst staande met gezang 213: 5 en 6 om Gods zegen…


opdat wij, vrolijk en bevrijd, lofzingen in der eeuwigheid
Uw lieve Naam gebenedijd. Halleluja, halleluja, halleluja!

Zegen:
De Heer van dood en leven,
de Moeder vol barmhartigheid,
schenkt ons allen overvloedig genade en liefde,
om Christus’ sterven en opstanding.
In Zijn dood sterft onze dood,
in Zijn Geest mogen wij verder leven,
nu en altijd.
Amen.

gezang 213:1


En dan is er koffie en het feest van het samenzijn...