Zondag Quasimodo geniti 2004 18 april

Dienst in de Lutherse gemeente te Zeist. Organist de heer J. Lijftogt. Aanwezig 21 mensen.
Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen
Onze hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Grote God, U weet hoe ons hart ons aanklaagt:
U weet van onze lafheid, ons tekort komen,
U weet van ons zwijgen als wij hadden moeten spreken,
van ons spreken als wij hadden moeten zwijgen.
Wij vragen U: Heer vergeef ons al wat wij misdeden.

En laat ons weer in vrede leven.
Amen!

God hield zoveel van deze wereld, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt en eeuwig leven mag hebben.

Ons introïtus lied, deze zondag Quasimodo geniti, waarop wij als pasgeboren kinderen ons laven aan de melk van het nieuwe evangelie van de opstanding, is psalm 27: 1, 2 en 6.


Eén ding slechts kan ik van den HEER verlangen,
dit ene: dat zijn gunst mij eenmaal geev'
Hem dagelijks te loven met gezangen,
te wonen in zijn huis zolang ik leef!
Hoe lieflijk straalt zijn schoonheid van omhoog.
Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog,
aanschouwende hoe schoon en zuiver is
zijn licht, verlichtende de duisternis.

Wijs mij de wegen die ik zal betreden,
maak nu de paden effen voor mijn voet.
Als mij benauwt een drieste leugenrede,
leer mij de woorden die ik zeggen moet.
O geef mij aan mijn lasteraars niet prijs,
als zij mij kwellen met een vals bewijs.
Mijn God, zij blazen nijd en snuiven haat:
wees Gij de helper die mij niet verraadt.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen, omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt

 

 

 

 

 

 



Zondagsgebed
Lieve God, Wij danken U voor de blijde boodschap van de Opstanding. Wil ons daarmee voeden, op de manier die bij ons past. Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament   Genesis 28: 10 - 22.

Het gaat over Jacob, die Esau z’n eerstgeboorterecht ontfutseld heeft. Moeder Rebekka hoort Esau zeggen dat ie Jacob zal doden, zodra Vader Izaäk is gestorven.
Jacob moet maar een tijdje verdwijnen, maar hoe?
Ze zegt tegen Izaäk dat ze zo’n moeite heeft met al die Kanaänitische vrouwen, waar Esau zich me afgeeft...
Nog even, en Jacob begint ook zucht ze...
Izaäk stuurt Jacob dan naar Laban, in Haran, om een vrouw te zoeken uit de gemeenschap waaruit ook zijn moeder komt....
Dat is veilig en vertrouwd...
  En dat was nu net de bedoeling van moeder en zoon....
We lezen:


10. Toen vertrok Jacob van Beer-Sheba’ (Zevenbron) en ging op weg naar Haran (Uitgedroogd)
11. En toen de zon onderging kwam hij op een zekere plek terecht waar hij de nacht door ging brengen.
Hij pakte een van de stenen ter plekke, en legde die neer als zijn hoofdkussen. Op die plek ging hij slapen.
12. Maar hij droomde... En kijk! een ladder, die stevig op de aarde stond - waarvan de top tot aan de hemel reikte-
En kijk! Gods boden gingen daarop op en neer.
13. En kijk! De Aanwezige stond daarop, en Hij sprak:
“Ik, Ik ben de Aanwezige, de God van Abraham, je (groot)vader, en de God van Izaäk...
De aarde waar jij nu op ligt geef ik aan jou en aan je nakomelingen.
14. Je nakomelingen zullen zijn als het stof van de aarde, ja, je zult uitdijen naar west en oost, naar noord en zuid, en alle stammen van het land zullen in je zegen delen om jou en om je nageslacht.
15. Want kijk! Ik ben Zelf met je, en Ik zal je bewaren in alle situaties waarin je terecht komt, en Ik zal je naar deze grond terug laten komen. Waarachtig! Ik laat je niet los voordat ik alles wat Ik je gezegd heb ook heb gedaan!”
16. Jacob ontwaakte uit zijn droomslaap, en zei: ‘Beslist is de Aanwezige op deze plek! en ik? ik had het niet gemerkt.’
17. Huiverend zei hij: ‘Wat is dit een ontzagwekkende plek. Dit moet Gods huis wel zijn, ja, dit een poort van de hemel.... ‘
18. Toen Jacob ‘s morgens vroeg opstond pakte hij de steen die hij als hoofdkussen had gebruikt, en die zetten hij rechtop, als een gedenkteken, en hij goot olie uit over de bovenkant.
19. Hardop zei hij - als naam voor die plaats - : Beth-El (Huis Gods) Maar Oelam-Loez, amandelbomenvoorhof was de oorspronkelijke naam van de stad!
20. Jacob legde nu een plechtige belofte af met de woorden: ‘Indien God werkelijk met mij is, en mij op deze tocht die ik onderneem bewaart, mij voedsel te eten geeft, en kleding om aan te trekken....
21. en als ik gezond en wel terug kom in het huis van mijn vader, dan is - en was - de Aanwezige (inderdaad) mijn God.
22. En deze steen, die ik als gedenkteken rechtop heb gezet, is een Godshuis, en van alles wat U mij geeft zal ik U tien procent toewijden.’

Dat is een mooi verhaal. Je kunt je voorstellen, dat Jacob zingend verder ging: laten wij delen in zijn lied .gezang 424.


Looft overal, looft al wat adem heeft,
looft God die leeft.
De kerk zingt schoon en luid
het lied dat niemand stuit,
het hart is 't bovenal,
dat eeuwig zingen zal.
Looft overal, looft al wat adem heeft,
looft God die leeft.

Epistel .Openbaring 1: 12b - 20. In de nieuwe bijbel vertaling.
Johannes was op Patmos, en hoorde opeens een stem die klonk als een bazuin, die tegen hem zei de dingen die hem geopenbaard zouden worden op te schrijven en door te sturen naar de (7) gemeenten van de nieuwe Christenheid in Klein - Azië..
Hij hoorde en zag dit:

Toen zag ik zeven gouden kandelaars, 13 en daartussen iemand die eruitzag als een mens.
Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. 14 Zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. 15 Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s.
16 In zijn rechterhand had hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een tweesnijdend, scherp zwaard.
Zijn gezicht schitterde als de felle zon.
17 Toen ik hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer. Maar hij legde zijn rechterhand op me en zei: ‘Wees niet bang. Ik ben de eerste en de laatste.
18 Ik ben degene die leeft; ik was dood, maar ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk. 19 Schrijf daarom op wat je gezien hebt, wat er nu is en wat hierna nog zal gebeuren. 20 En dit is de betekenis van de zeven sterren die je in mijn rechterhand zag en van de zeven gouden kandelaars: de zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten, en de zeven kandelaars zijn de zeven gemeenten zelf.

Tot zover het woord van de Heer. De Psalmist roept terecht: .Halleluja. Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt. Laten wij juichen en ons daarover verheugen!.
HALLELUJA!



We willen ons loflied zingen: Gezang 205: 1, 5 en 6


Voor wie vertrouwen op uw woord  ontsluit Gij zelf de donkre poort.
Halleluja, halleluja.  Zo laat ons dan uit alle macht
lofzingen Hem, wiens heil ons wacht:  halleluja, halleluja.

Aan God de Vader in zijn troon,  aan Christus, zijn geliefde Zoon,
halleluja, halleluja,  en aan de Geest zij toegewijd
lof, dank en eer in eeuwigheid.  Halleluja, halleluja.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: .Lucas 24: 13 - 25.
Nadat de vrouwen de Opstanding hadden gemeld aan de leerlingen, die het maar onzin vonden en er niets van wilden geloven, is Petrus naar het graf gegaan, om te kijken. Inderdaad: de klederen lagen er, en de Heer niet. Meer horen we niet. Onze aandacht wordt verplaatst naar een weg die van Jeruzalem leidt naar het Westen, richting Middellandse zee.
We lezen:
13. En kijk! Twee van hen waren die zelfde dag onderweg naar een dorp dat 60 stadiën (dit is: ruim 11 km.) van Jeruzalem verwijderd is, met de naam: Emmaüs. (Hete bronnen, betekent dat.)
14. En zij waren met elkaar aan het discussiëren over al die dingen die er gebeurd waren.
15. En wat gebeurt er: terwijl ze aan het discussiëren waren en het niet met elkaar eens werden, liep ook Jezus Zelf met hen op, en kwam al dichterbij.
16. Maar hun ogen waren door ingrijpen van buiten af niet in staat Hem te herkennen.
17. Hij nu zei tegen ze: “Wat zijn dat voor dingen waar jullie, al wandelend, zo heftig over in debat zijn? En somber stonden ze stil.
18. De een, die Cleopas heette, gaf antwoord en zei tegen Hem: ‘Logeert U in Uw eentje in Jeruzalem, dat U niet weet wat daar is voorgevallen, de laatste dagen?’
19. En Hij zei tegen ze: “Wat dan?”
Zij zeiden: ‘Dat met Jezus de Nazarener, die een profetisch man was. Krachtig in werk en woord, in de ogen van God en van het hele volk...
20. ... (of) hoe de hogepriesters en onze leiders hem uitleverden voor de doodstraf, en hoe ze Hem kruisigden...
21 En wij  hoopten nog wel: Hij is het die Israël komt vrijkopen! Maar met dat al is het al wèl de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.
22. Maarre... ook sommige vrouwen uit ons midden hebben ons versteld doen staan: toen ze bij het krieken van de dag bij het graf waren,
23. en Zijn lichaam niet vonden, kwamen ze zeggen dat ze ook een verschijning van Engelen hadden gezien, die zeggen dat Hij leeft.
24. En sommigen die bij ons waren gingen naar het graf toe, en ze vonden het net zo als ook de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet.’
25. En Hij zei tegen hen: “O, wat zijn jullie vol onbegrip en wat komt jullie hart er maar moeizaam toe geloof te hechten aan al wat de profeten gezegd hebben;
26. Was het niet noodzakelijk dat de Gezalfde die dingen moest lijden, en moest ingaan tot Zijn glorieuze verheerlijking?”
27. En te beginnen vanaf Mozes en alle profeten, legde Hij ze de dingen uit die in alle geschriften over Hem staan.

28. En ze naderden het dorp waar ze heen reisden. En Jezus wekte de indruk verder te zullen gaan.
29. Maar ze drongen erg bij Hem aan en zeiden: ‘Blijf toch bij ons, want het is tegen de avond en de dag gaat al ter ruste!’ En Hij ging naar binnen om bij ze te blijven.
30. En wat gebeurde:  Toen Hij met hen achterover leunde, nam Hij het brood, en sprak de zegenbede uit, en Hij brak het en gaf het hen in handen.
31. Maar toen werden hun ogen geopend, en ze herkenden Hem; en... Hij werd onzichtbaar en was bij ze wèg.
32. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Stond ons hart niet in vuur en vlam (in ons) toen Hij onderweg met ons sprak, en toen Hij ons de schriften uitlegde?’
33. En ze stonden ogenblikkelijk op en keerden terug naar Jeruzalem, en vonden de 11 en hun metgezellen dicht opéén gedrongen.
34 – Die zeiden: ‘De Heer is waarlijk opgewekt, en door Simon is Hij gezien!’
35. En zìj beschreven nauwkeurig wat er onderweg gebeurd was, en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood.
Zalig die het woord van God horen en er gehoor aan geven!

Credo:

Ik geloof in God,
            die wilde dat de wereld goed was,
            die mensen en dieren maakte,
            planten en bomen,
            vogels en vissen,       
en er van hield.

Ik geloof in God,
            die als een vader zorgen wil,
            die als een moeder ons omringt.

Ik geloof in Jezus -
            in wie Gods Liefde mens werd,
                        om ons lot te delen
                        ons leven, onze dood,
            die dwars door alles heen
            vast hield aan Zijn Vader -
en angst en dood overwon -
stervend aan het kruis.

Hij ging door de hel,
maar stond óp tot nieuw leven:
            de derde dag.

Ik geloof in de Geest
die Jezus ons zond,
            om ons dichter dan ooit
            bij God te doen zijn.
            Zij bidt en zingt en dankt in ons;
            geeft ons nieuw leven,
in eeuwigheid.

Daarom durven wij geloven
in goedheid, gerechtigheid, trouw....
... in Liefde en toekomst
zelfs voorbij de dood....
... in een kerk, waar mensen zijn
            als één lichaam, dat bestuurd wordt
                        door Jezus, ons Hoofd....

... in een doop, die mensen nieuw maakt...
... in vergeving, in genade en hoop -
voor gewone mensen zoals wij.
Amen.

Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer,
door de Heilige Geest.

Lieve mensen, mensen van het nieuwe begin…
Het is de achtste dag van Pasen. In het Joodse besef, en daarmee kerkelijk gezien ook in het onze, is de achtste dag iets heel bijzonders. De achtste dag is de dag van het nieuwe begin. Denk aan de schepping in 7 dagen, of 7 perioden… op de zevende dag rustte God.
De zevende dag rondt het scheppingsproces af. Maar wat gebeurt er na?
Dan is er opnieuw een eerste dag. Maar een ander soort eerste dag. Een eerste dag waarin de brug wordt geslagen naar de tijd waarin geleefd en gewerkt moet worden met en vanuit die schepping. Een tijd waarin de mensheid antwoord moet en mag geven op Gods scheppingsdaden.
Na elke rustdag, waarop de mens en de rest van de schepping de rust moet hebben en zoeken om met God te verkeren, is er ruimte en energie voor een nieuw begin.
Een nieuw begin binnen het kader van de schepping.
Binnen het kader van Gods bedoelingen met de wereld.
Dit telkens weerkerende verloop van bezig zijn en rusten, dat God ons in feite heeft voorgedaan, wordt als heilzaam ervaren. Het is een leefritme dat bij ons past.

Maar altijd hebben mensen in het achterhoofd gehouden, dat God Zelf na de rustdag ook wel weer eens aan het werk kon gaan. En dat er dan iets onvoorstelbaar nieuws zou kunnen gebeuren. Zoals in een begin God uit duisternis en chaos, uit ordeloosheid en zinloosheid, een lichte, heldere wereld schiep, met overzichtelijke structuren, waarin het in principe, als iedereen zich aan Gods regels houdt, goed toeven is, zo gelooft men dat er in een nieuwe fase een nieuwe schepping zal zijn, waarin alles wat in onze wereld duisternis en chaos is geworden, ordeloosheid en zinloosheid, herschapen zal worden tot een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Dit perspectief is gegeven in alle grote feesten: ze duren tot de achtste dag. Het is u misschien wel opgevallen, dat het psalmwoord van vandaag hetzelfde was als dat van vorige week, met Pasen.
Deze zondag Quasimodo geniti (als pasgeboren kinderen) wijst op het nieuwe begin dat het feest van de herinnering tilt naar een hoger plan, naar het leven in, en meewerken aan de nieuwe wereld die God voor ons schept. Ooit, in de toekomst, nu al, sinds de overwinning van Jezus op Golgotha. Sinds kruis en opstanding. We staan als het ware met knipperende ogen in een nieuwe wereld. Nu komt het er op aan. Er gaan nieuwe dingen beginnen…
Iets daarvan klinkt door in de Openbaring aan Johannes. Een openbaring van God aan Jezus Christus, die Hij aan Zijn dienaren mag doorgeven, zó staat het in het begin van het boek Openbaring. En ook dat brengt ons op het spoor dat met de Opstanding van de Heer het aloude feest van Pasen, Pesach, een nieuwe dimensie heeft gekregen, een afronding is van een verleden, en een stralend nieuw begin, dat al de kiem in zich bergt van de uiteindelijke, glorieuze herschepping.
Aan de Heer, die dood was en leeft, die de dood heeft overwonnen, en de sleutels van het dodenrijk in Zijn bezit heeft, kun je dat stralende al zien. Herinner U hoe Hij bij de verheerlijking op de berg, als doorgloeid was van Gods heerlijkheid – Zijn kleren stralend wit, zijn gezicht blonk als de zon – nú is die ervaring nóg intenser!
Hij houdt zich actief bezig met de kerk, is de boodschap. Allereerst is dat door het tweesnijdend zwaard van Zijn woord, dat, hoe je het ook wendt of keert, altijd actief is.
Het is door Zijn woord dat Hij met de kerk, en de mensen daarin, communiceert. Maar Hij is ook in hun midden. En Hij behoedt de communicatie tussen God en de gemeenten.
De 7 sterren, de engelen, de boden Gods, houdt Hij in de hand.
Het is een voor ons adembenemende, nieuwe werkelijkheid, waarvan een klein stukje hier aan ons wordt geopenbaard.  Een werkelijkheid aan de andere kant van de sluiter, een werkelijkheid, die wij niet zien, nóg niet, maar die nú al samenvalt met onze werkelijkheid.
En daarin staan wij met onze gewone levens, die voor God zo buitengewoon de moeite waard zijn.
Daarin lezen we het verhaal van Jacob, de aartsbedrieger, met nieuwe ogen: ook tijdens de vlucht voor je eigen daden kan de hemel voor je open gaan, is God je meer nabij dan je ooit had verwacht…
We weten allemaal, dat je wel weg kunt lopen, maar dat je verleden je altijd achterhaalt. Het is één pas achter je, en er is in feite maar een manier om er mee om te gaan: je omkeren en het onder ogen zien. Jacob zal dat later, veel later doen. We kennen het verhaal van zijn gevecht bij de Jabbok, waar hij tegen de duistere macht die hem lijkt te weerhouden van de verzoening met zijn broer Esau, zegt: ik laat u niet los, tenzij u mij zegent.
Daar worstelt hij met God, met zichzelf en met zijn schuld. Pas dan kan er verzoening zijn met de naaste: als de mens met God en zichzelf is verzoend.

Zover zijn we in dit verhaal nog niet. Maar ook als Jacob, als wie dan ook, met de rug naar de eigen toekomst op de vlucht slaat voor de gevolgen van zijn of haar daden, dan nóg is daar God, die ons niet in de steek laat. En die ons dat laat weten.

Kijk, dàt is genade.
Daarin gloort al wat licht van de wereld die nog komen moet. Van de wereld die in Jezus’ Opstanding een nieuwe dageraad begroet: een achtste dag.
Ook de leerlingen van de Heer, onderweg naar Emmaüs,  zijn zover nog niet. We hebben daar het begin van de kerk, want ze lopen te kibbelen dat het een lieve lust is.
De één denkt dit, de ander zegt dat… ze zijn zo met zichzelf bezig, dat ze geen oog hebben voor degenen die met hen onderweg zijn.
Voorwaar een getrouw beeld van de kerk in onze dagen!
Maar er gloort licht in de verwarring. De Heer van de kerk komt ongenood en ongemerkt mee op lopen.
En Hij legt de schriften uit, zó dat ze allemaal spreken van dood en lijden en dienen en opstaan. Zó, dat in alle chaos en verwarring, in angst en ontgoocheling, het woord van genade en vergeving, van nieuwe uitzichten en van een nieuwe toekomst, gesproken wordt.
Hun hart brandde vurig in hen, zeggen ze achteraf.
Zo hadden ze de bijbel nog nooit gelezen.
En dan, als ze gehoor geven aan het woord van genade, en zelf genadig zijn, als ze de Vreemdeling uitnodigen in hun huis, dan pas zien ze, bij het breken van het brood, als de mouwen terugvallen, en de wonden van de kruisiging zichtbaar worden, dat Hij, die kort geleden zei: dit brood staat voor Mij, voor Mijn lichaam, voor jullie gebroken, het is die Zelf tot hen gesproken heeft.

Zo wordt voor hen de dag die gewoon de eerste dag van de week leek te worden, de derde dag van de teleurstelling en wanhoop, de eerste dag van een leven zonder hoop, waarachtig méér dan dat. Het wordt een achtste dag. Dag van hoop en uitzicht, van nieuw perspectief, van ongelofelijke dingen, van mogelijkheden en van werkelijk nieuw begin. Nieuw geloof, gebaseerd op oude teksten, en nieuwe feiten. Een nieuwe draai die God er in Zijn genade aan gegeven heeft.

En zo mogen ook wij de bijbel lezen.
Oude teksten, die, door de aanwezigheid daarin van Jezus, van de Heilige Geest, die ze bezielt en voor ons tot leven wekt, ruimte geven aan een nieuwe toekomst.
Een toekomst die al begonnen is. Maar die ook hele nieuwe accenten en mogelijkheden heeft.
Een toekomst, waarin we nieuw mogen beginnen, als pasgeboren kinderen. Onschuldig, onwetend van kwaad, van zonde, onbeschadigd, met alle mogelijkheden nog voor ons, of wéér voor ons, op weg naar een beloofd land dat niet aan plaats of tijd gebonden is, maar aan de persoon van God Zelf.
Aan de persoon van Jezus, aan de Geest, waarmee God Zich aan Hem en aan ons verbindt.
Wij leven van Pasen tot Pinksteren, en van Pinksteren straks weer tot Pasen. Van einde naar begin en van begin naar volheid en rijpheid in geloof en genade.

Lieve mensen, dit is een dag om blij te zijn.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt. Laten we juichen en blij zijn. Laten we ons verheugen in de Heer, die voor ieder van u, voor ieder van ons, nieuwe mogelijkheden schept, mooier en stralender dan we zelf ooit zouden kunnen bedenken.
Ook in ziekte en dood, juist dan.

Midden in de dood zijn wij in het leven, want Één breekt het brood, om met ons te leven,
midden in de dood. 
Zo dichtte Muus Jacobse  het.  En zo is het.
Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want onze Heer is opgestaan.
Krijgen we nu een leven zonder pijn en moeite?
Wis en waarachtig niet, al zijn we wel geroepen om elkaar en anderen tenminste geen pijn en moeite te berokkenen, voorzover dat van ons afhangt.
Maar we hoeven er nooit meer in onder te gaan.
De Heer is opgestaan. Hij loopt met ons mee.
Hij is ons voorgegaan naar het Huis met de vele woningen. En Hij zal er altijd, altijd voor ons zijn.
Als wij daar voor open staan. Als wij Hem verwelkomen. Laten we daar op gespitst zijn. Nu en altijd.
 Amen.

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen, 
  
wij kunnen daarin delen:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht, 
geld en geduld;
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte
Na het gebed over de gaven zingen we: Gezang 199
Maar eerst de Collecte

Gebed over de gaven
Lieve God, u geeft Uzelf aan ons.
Wij bieden U ons eigen leven aan.
Neem het, zoals u ons geld aanneemt.
Dat het dienstig mag zijn voor U.
in de Geest van Jezus - die ons voorging.

Amen.

De trouw zal bloeien als een roos
en zie, gerechtigheid
zal uit de hemel moeiteloos
neerdalen in de tijd.

Voorwaar, het heil is nu nabij,
uw goedertierenheid.
En vol verwachting zingen wij:
God roept de vrede uit !

Sta op, o God, en maak het waar
wat heel uw kerk bezingt:
dat heel uw schepping weer ontwaakt
uit haar betovering.

Want groot zijt Gij en daden groot
zijn door uw hand gedaan;
het graan ontkiemt ternauwernood,
het sterft om op te staan.

Gij hebt de groeve toegedekt
waarin de korrel viel
om weer te worden opgewekt:
Adam met hart en ziel.

Nu is de dag van oogsten daar,
het hoogste van de tijd;
een koning als een korenaar
staat op in majesteit.

Laten we danken en bidden:
Heer, maak ons een bode van Uw vrede:
waar haat heerst:     
laat mij liefde brengen,
waar krenking is:      
vergeving,
waar tweedracht is:  
verzoening,

Waar twijfel is:          geloof,
waar wanhoop is:      
hoop,
waar droefheid is:     
vreugde,
waar duisternis is:    
Uw licht.

Want als wij geven worden wij rijk,
als wij onszelf  vergeten vinden wij de vrede.
Als wij vergeven verkrijgen wij de vergiffenis,
als wij sterven verwerven wij de eeuwige opstanding.
                        Geef vrede, Heer!


Onze Vader, die in de hemel zijt, 
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven
En leid ons niet in verzoeking

Maar verlos ons van het kwade

We zingen gezang 426:5  Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ gezang 426:1

Zegen:
De heilige God van Israël,
de Vader van alle mensen,
wil ons behoeden met Zijn liefde,
wil ons dragen met Zijn Geest,
wil ons voorgaan in Zijn Zoon.
Alle dagen van ons leven.

Amen