Zondag Esto Mihi = 50ste zondag voor Pasen 2006 om 10 uur in de Lutherse kerk te Zeist

WIJ ZIJN HIER AANWEZIG IN DE NAAM VAN DE VADER EN DE ZOON EN DE HEILIGE GEEST.
Amen

ONZE HULP IS IN DE NAAM VAN DE HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft


Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons introïtuslied op deze derde overgangszondag, de 50ste genaamd, of Esto Mihi, Wees voor mij een rots, een toevlucht, een vesting die mij redding biedt… is het lied dat u vindt op bladzij 28 van uw eigen bundel, Wij gaan op naar Jeruzalem.
Want daarheen is vanaf nu onze blik gericht.
Tot en met zondag Trinitatis, als de neergang en de opgang van de Heer is voltooid.
We zingen alle verzen.
1 zingen we samen, 2 de zusters, 3 de broeders, 4 de vrouwen weer en 5 de mannen, om samen met vers 6 te eindigen.

2 vrouwen:
Zijn Wet is voor Hem uitgegaan,
Mozes heeft op de berg gestaan,
Elia die zijn toekomst hoort
is in de wolken weggevoerd:
zij kwamen bij Zijn heerlijkheid
toen Hij ging sterven in de tijd.

3 Mannen:
O Heer, aan wie geen luister is,
U legt de vorst der duisternis
zijn gesel en zijn gruwel aan:
brengt Gij dat wereldrijk tot staan?
Drijf hem in onze harten uit
en heers met Uw zachtmoedigheid.

4 vrouwen:
Uw vrede neemt de overhand,
zij voedt ons in ’t beloofde land
vol druiven en het edelst graan:
o Jozua, wat draagt gij aan?
Daar doen zich duizenden te goed,
Heer Jezus, aan Uw overvloed!
5 mannen:
God zal wel zorgen voor een lam.
Ziet, hoe Zijn vader Abraham
het brandhout op Zijn schouders legt:
de Oudste neemt de schande weg.
Hier treedt Hij in het heiligdom,
Zijn liefde keert ons leven om.

6 Allen:
Jeruzalem, dat Hij bemint,
zijt gij de moeder van dit kind?
Wat is er tussen u en Hem?
Dit is Zijn uur, Jeruzalem,
Hij is uw Koning, gij Zijn bruid,
Hosanna, roep Zijn glorie uit.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!

Zondagsgebed
Heer, nu wij op weg gaan, met U mee, richting Jeruzalem, vragen we ons af hoe het verder moet.
Wil ons zwak geloof versterken en ons moed geven om U te volgen. In de Geest van Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing uit het Eerdere Verbond:  Jesaja 38: 1 - 6. NBG
In het voorafgaande gedeelte staat te lezen hoe Sanherib het beleg heeft geslagen rond Jeruzalem, en hoe de Heer tot tweemaal toe heeft aangekondigd, dat Hij de stad niet zal laten innemen.
Dan slaat er een dodelijke ziekte toe in het vijandelijk kamp, en bijna iedereen sterft die nacht.
De veldheer laat de tenten opbreken, en gaat terug naar Syrië, waar hij sterft…
Eind goed al goed? We lezen verder!
1   Omstreeks dezelfde tijd werd (koning) Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: ‘Dit zegt de Heer: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’
2  Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot de Heer:
3  ‘Heer, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar Uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in Uw ogen.’
Daarbij stortte hij bittere tranen.

4  Toen richtte de Heer zich opnieuw tot Jesaja:
5  ‘Ga naar Hizkia toe en zeg tegen hem:
Dit zegt de Heer, de God van je voorvader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien.
Welnu, ik geef je nog vijftien jaar te leven,
6  en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië.
Ik zal deze stad beschermen.”’

Iedereen heeft in zijn of haar leven wel eens een slecht-nieuws bericht gekregen, of zal dat nog krijgen. Dan is het goed om te denken aan koning Hizkia, en zijn gebed. Voor de een is het slechte nieuws de gezondheid, voor de ander: ontslag of een verbroken relatie. Allemaal vijanden van het leven zoals wij dat hoopten te mogen leven.
Wij zingen met koning Hizkia: de smeekbede uit psalm 64: 1 en 3

Zij zeggen: ,,Laat ons strikken spannen,
geen ziet ze, geen die ons verraadt!''
Zij zijn voortdurend uit op kwaad
en pochen op hun slinkse plannen
mij t'overmannen.

God helpt! Dat komt door Zijn grote liefde.
Hij helpt ook als wij in nood zijn…

We lezen uit het eerste epistel aan de gemeente in Corinthe: hoofdstuk 13 (NBG) hoe God van mensen houdt, en hoe Hij hoopt dat wij van Hem en van elkaar willen houden…

1   Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen–had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
2  Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen– had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
3  Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.

4  De liefde is geduldig en vol goedheid.
De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
5  Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
6  ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.

7  Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.

8   De liefde zal nooit vergaan.
Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan–
9  want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt.
10  Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.
11  Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.

12  Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.
13  Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Ons lied is gezang 437 helemaal. Laten we het biddend zingen…


Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.
Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig Licht,
van aangezicht tot aangezicht.
Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas, hoofdstuk 18: 31 – 43
Jezus heeft, op weg naar Jeruzalem, op weg naar lijden en sterven, de menigte en de leerlingen onderricht gegeven, les gegeven in geloof en dienst aan God, waarbij Hij steeds weer vergelijkingen gebruikte uit het dagelijks leven. Vlak hiervoor heeft Hij de kinderen gezegend, en een rijke jongeman uitgenodigd al diens bezittingen weg te doen en Hem te volgen… Helaas, hij zat vast aan zijn geld en wat hij zag als zijn verplichtingen.
Petrus merkt dan op dat zíj, de apostelen, alles hebben opgegeven voor Jezus. En de Heer laat weten dat dit alles ruim vergoed zal worden in dit leven, en dat er in de toekomende tijd het eeuwig leven aan toegevoegd zal worden.
Dan gaat het
verder. We lezen in Lucas 18: 31-43:

31   Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen:
‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan.
32  Want Hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd.
33  En nadat Hij is gegeseld, zal Hij worden gedood, maar op de derde dag zal Hij opstaan.’

34  De leerlingen begrepen er niets van.
De betekenis van Jezus’ woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat Hij had gezegd.

35  Toen Hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen.
36  Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was.
37  Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’
38  Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!
39  Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!
40  Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij Hem moest brengen. Toen deze voor Hem stond, vroeg Hij hem:
41  ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.
42  Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.
43  Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde Hem terwijl hij God loofde.
Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

In antwoord op Gods woord willen wij ons geloof belijden door samen uit te spreken:

Ik geloof in God,
         die wilde dat de wereld goed was,
         die mensen en dieren maakte,
         planten en bomen,
         vogels en vissen,
en er van hield.

Ik geloof in God,
         die als een vader zorgen wil,
         die als een moeder ons omringt.

Ik geloof in Jezus -
         in wie Gods Liefde mens werd,
                  om ons lot te delen
                  ons leven, onze dood,
         die dwars door alles heen
         vast hield aan Zijn Vader -
en angst en dood overwon -
stervend aan het kruis.

Hij ging door de hel,
maar stond óp tot nieuw leven:
         de derde dag.

Ik geloof in de Geest
die Jezus ons zond,
         om ons dichter dan ooit
         bij God te doen zijn.
         Zij bidt en zingt en dankt in ons;
         geeft ons nieuw leven,
in eeuwigheid.

Daarom durven wij geloven
in goedheid, gerechtigheid, trouw....
... in Liefde en toekomst
zelfs voorbij de dood....
... in een kerk, waar mensen zijn
         als één lichaam, dat bestuurd wordt
                  door Jezus, ons Hoofd....
... in een doop, die mensen nieuw maakt...
... in vergeving, in genade en hoop -
voor gewone mensen zoals wij.
Amen.
 

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER,
DOOR DE HEILIGE GEEST.


Lieve gemeente, lieve mensen van God…

Mensen op weg door het leven, naar een bestemming die we vaak zelf niet goed onder woorden kunnen brengen. Soms weten we het stralend zeker, soms krijgen we er geen vat op wat we kunnen en mogen geloven…

We zien de weg, of we denken dat we de weg zien, maar het is alsof we in een niet al te heldere spiegel kijken naar het leven…
Naar onze bestemming. Naar de weg die we gaan.
Dat beeld ontleen ik aan de lezing van 1 Corinthe 13, waar Paulus het heeft over kijken als in een spiegel. Die waren in zijn tijd meestal van gepolijst koper. Maar je kunt polijsten wat je wilt, een scherp beeld krijg je niet. En als je naar de dingen kijkt in een spiegel, krijg je ze ook nog in spiegelbeeld te zien. Niet erg handig dus, als je zó kijkt naar de weg die je wilt gaan.
We hebben voor het leven geen computerprogramma als Tom-Tom, dat je met een stem naar keuze de weg kan wijzen.
En tóch…
Toch wordt er van ons verwacht, dat we op weg gaan, dat we de handen uit de mouwen steken, wat de omstandigheden ook zijn, en dat we iets dóén met ons leven…

Maar geen nood: in de lezingen van vandaag vinden we allerlei wegwijzers

Allereerst: koning Hizkia. Een mooie figuur.
In 2 koningen 18: 1 – 7 lezen we over hem:
1 Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda in het derde regeringsjaar van koning Hosea van Israël, de zoon van Ela.
2  Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem.
Zijn moeder was Abi, de dochter van Zecharja.
3  Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had.
4  Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang droeg, wierook te branden.
5  Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël.
Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda.
6  Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van Hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven.
7  De HEER stond hem bij, zodat Hizkia alles wat hij ondernam tot een goed einde bracht…
En zo gebeurde het.
En opeens is het over en uit.
Van de ene dag op de andere. Een verschil van dag en nacht, als we de Hebreeuwse tekst letterlijk volgen. Zo ben je overwinnaar, in elk geval ontzet en bevrijd, en je hoort dat je tegenstander aan zijn eind is gekomen, en dàn is daar – volkomen onverwacht – je eigen eind.
Het wordt hem nog wel aangekondigd.
Dat heeft iets zorgzaams. Het overkomt hem niet helemaal onverhoeds, maar hij heeft waarschijnlijk een wondje, er volgt een ontsteking, en voor hij het weet is hij doodziek, en komt Jesaja, wiens naam betekent: God redt, hem namens God vertellen dat hij zijn zaken in orde moet brengen, want dat hij stervende is…
Nu betekent de naam Hizkia: God is mijn kracht. Maar hij ligt krachteloos neer op zijn bed.

De laatste opdracht die hij krijgt van Godswege, is dus: regel je opvolging en de erfenis, zodat er niet gevochten gaat worden na je dood, en doe het .
Een goddelijk gebod, dat Hizkia royaal in de wind slaat.
Hij draait zich niet om naar de hofhouding, die nu verbijsterd op zijn orders wacht, maar hij keert ze de rug toe, en begint hardop te jammeren en te smeken om genade.
In het stuk dat op deze lezing volgt, staat Hizkia’s eigen relaas over dit gebeuren, en daaruit lezen we dat voor hem, voor zijn besef, de dood het laatste moment is.
Voorbij de dood is er in zijn idee geen leven.
En dus zegt hij: dan kan ik U ook niet meer loven en dienen.
Hizkia richt zich direct tot Godzelf.
Of Deze er alsjeblieft aan wil denken dat hij altijd met hart en ziel volkomen oprecht de zaak van de Heilige heeft gediend, en dat het niet eerlijk is! Het maakt hem niet uit dat iedereen zijn gejammer en zijn gebed kan horen (en in die cultuur wordt dat ook niet gezien als onmannelijk of zwak): hij is in een noodsituatie, en hij schreeuwt het uit! God heeft hem altijd geholpen, zou Hij daar nu mee ophouden?

En God in de hemel glimlacht, en zegt tegen Jesaja, dat hij zijn naam: God redt, mag waarmaken.
Nog 15 jaar krijgt Hizkia er bij. Hij sterft pas als hij 54 is, voor die tijd een redelijke leeftijd.
En al die tijd, en ook nog daarna zal de Heilige God van Israël zorgen voor stad en land.
Hizkia bidt vóór hij gaat handelen.
Hij zoekt zijn kracht bij de Heer, ook in zijn zwakste momenten.
Eerst bidden, dan doen en spreken lijkt me een goede wegwijzer…

En dan is er de blinde, die onze Heer Jezus ontmoet op Zijn weg naar Jeruzalem, waar Hij Zijn ondergang en onze redding tegemoet gaat.
Hij heeft het net nog allemaal uitgelegd aan de leerlingen, maar die begrijpen er helemaal níéts van. Het is alsof ze in een doffe spiegel kijken…
Ze zien geen hand voor zich uit. Ze kunnen alleen maar Jezus volgen… Hij is hun Gids.
Maar de blinde, díé weet waar hij heen moet.

Als Jezus hem vraagt: “Wat wil je van Me?” dan zegt deze man: Ik wil weer kunnen ópzien.
Het Grieks kan hier, en dat heb ik al eens eerder verteld, zowel worden vertaald met: omhoog kijken, dus de Hemel zien, als met: opnieuw kijken.
Zijn hart zoekt het hogerop: en als hij genezen ís, looft en dankt hij dan ook niet Jezus, maar God.
En alle mensen loven God, die wonderen doet.
Door Jezus.

En dat is onze tweede wegwijzer: we komen er alleen als we onze ogen gericht houden op God. Op ons eeuwige, werkelijke levensdoel…
Waar wil je heen met je leven?
Ik wil God wel zien…

Misschien móét je wel een tijd aan de zijkant van het bestaan leven, om dat inzicht te krijgen.
Om het te geloven.
Het wordt ons hier vandaag zomaar aangereikt.

En Paulus reikt ons een derde wegwijzer aan.
Hij spreekt over de gaven van de Geest.
Die zijn nuttig en goed om het geloofsleven en het gemeenteleven te stimuleren, maar ze verkeren in hun tegendeel, als ze niet worden gedragen door, en zijn ingebed in de Liefde.
De liefde, zoals God die ons aanreikt, de liefde, zoals Jezus die ons voorleeft, tot op het kruis
De liefde die zichzelf niet zoekt, maar die naar deze wereld en naar de mensen kijkt met Gods liefdevolle ogen.
De liefde, die richting en zin geeft aan ons leven.

De liefde, die het raakvlak is tussen Gods wereld, en de onze
Dat is de derde wegwijzer.

En de vierde reikt de Heer ons Zelf aan.
De weg gaat naar Jeruzalem.
De weg gaat naar de plek waar de tempel staat.
Waar de dienst aan God wordt gevierd.
Waar wordt geleerd uit de schriften.
Daar moeten we wezen.
Maar dat brengt ook risico’s mee.
Leven vanuit Gods visie, leven met het oog op God, leven om God te loven en van God geleerd te worden, dat is een bestaan waar niet iedereen even goed tegen kan.
Dat is een leven dat tegenspraak en geweld oproept.
Kán oproepen, in elk geval…
En dan is het zaak om de andere wang toe te keren, want altijd is het Jezus die ons voorgaat op de levensweg.
En dat vraagt dus dat wij Hem volgen.
Ook in díe dingen…

Dat zal waarachtig niet meevallen.
Maar áls wij Hem volgen, als wij mét Hem naar Jeruzalem gaan, om te leren, te bidden, en te leven met het oog op God gericht, dan is onze kracht in God.
En dan is Jezus de vlees geworden vervulling van de belofte die in Jesaja werd aangezegd…
Jezus, God redt
Hij redt.
Hij heeft U en mij en jou gered.
Niet passief, doordat, zoals de Nieuwe Bijbel Vertaling het wil: men de Mensenzoon alles heeft laten ondergaan wat door de profeten is geschreven, maar actief: doordat Hij dat alles heeft gedaan.
Hij ís de vervulling van Gods beloften.
Hij heeft ze waar gemaakt.
Tot door de dood heen.
En daarom mogen we vertrouwend bidden, ook in de hoogste nood.
Daarom mogen we God zien, waar we Jezus zien.
En Hem in het oog houden, bij al ons doen en laten.
Daarom mogen we oefenen in liefde, hier, in deze gemeenschap, om te kunnen leven in liefde, in de wereld om ons heen.
Ook als die wereld dat niet van ons wil.
Als die wereld ons daarom uitspuugt.
Zelfs als ons dat het leven kost.
Kan zo maar gebeuren. Een paar tekeningen, en duizenden kilometers verderop worden christenen vermoord… om Zijn Naam
En toch… toch mogen we blijven vertrouwen, en leren, leven in dienst aan God.
Hier bij elkaar blijven komen.
Over Hem spreken, zingen, Hem dienen.
Dan komen we waar we wezen moeten.

Komende woensdag beginnen de veertig dagen die ons brengen naar Goede Vrijdag en naar Pasen.
Veertig dagen van inkeer, van leren, van bidden, van bewust leven met het oog op God, en op de medemens, vanuit die eindeloze liefde, waar we deel aan mogen hebben, als we het maar vragen.
Veertig dagen op weg met Hem, die ons redt.

Laten we die tijd er dan ook voor nemen.
Laten we God die tijd géven.
Die aandacht, en die discipline. Die liefde.
Dan zien we niet meer in het soort spiegel dat Paulus kende… maar dan zien we elkaar en onszelf zoals God ons ziet.
Dan kennen we, zoals we door Hem gekend worden.
Als mensen die lief kunnen hebben, en stuk voor stuk die liefde waard zijn. Wij allemaal.

Als God van mensen houdt, van mensen kan houden die Hem telkens weer teleur stellen, dan kunnen wij dat ook.
Als we maar aangesloten zijn op de bron van Liefde, die Hij Zelf is.
Als we maar bereid blijven om te leren, en om te veranderen
Jezus wijst ons de weg.
Laten we Hem volgen.
Amen

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij kunnen daarin delen:

dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
geld en geduld,
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte!

Na het gebed over de gaven zingen we: gezang 459
Maar nu eerst de Collecte

Gebed over de gaven
Lieve God, wilt U alstublieft zegenen wat we hier bij elkaar hebben gebracht,
  zodat het is tot eer van Uw Naam,

en zodat het Uw gemeente wereldwijd ten goede komt.

Laat het een offer zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt,
door Jezus Christus, onze Heer.  Amen

Gezang 459

Liedren zingend vol vertrouwen
tot in het voltooide licht
broeder broeder zal aanschouwen
staande voor Gods aangezicht.

Door de nacht leidt ons ten leven
licht dat weerlicht overal,
dat ons blinkend zal omgeven,
als ons God ontvangen zal.

In ons hart is dit de luister,
dit de liefde die ons leidt
op de kruistocht door het duister
naar de lichte eeuwigheid.

Met één lied uit duizend monden
gaan wij zingend door de nacht,
door één Geest tesaam verbonden,
naar de kust waar God ons wacht.

Eén van hart en één van zinnen,
één in onze aardse strijd,
in ons hemels overwinnen,
één in tijd en eeuwigheid.

Zo gaan wij hier met elkander
door de nacht op weg naar huis,
pelgrims die uit alle landen
samenkomen om het kruis.

Die aan kruis en graf ontheven
zullen zingen lof en prijs
aan den Heer van dood en leven
in Zijn zalig paradijs.

Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U telkens en telkens weer omdat U zo toegankelijk bent.
Omdat U voor ons te vinden bent.
Omdat U wegwijzers hebt neergezet langs ons levenspad, vaak waar we die niet verwachten
Schenk ons dan Uw Heilige Geest, opdat Zij ons vult met Uw Liefde.
Opdat wij met Uw ogen kijken naar U, naar deze wereld en naar onszelf.
Opdat wij de kracht vinden in U, om het leven aan te kunnen, zelfs in de duisterste diepten, de grootste angst, de bitterste eenzaamheid.
Ook daar bént U, en daar danken we U voor.

Lieve God, open ons het hart en de ogen, voor die wegwijzers
Voor de mensen om ons heen.
Voor wat U van ons vraagt
Houd ons verbonden met Uw liefde, en leer ons er telkens weer om te vragen.
Wees ons genadig, en houd ons in leven.
Geef ons de moed om te bidden als koning Hizkia,
maar ook om te leven als hij: dwars op de wereld, gericht op Uw dienst.

Wij bidden U voor deze wereld.
Voor de armen en zieken, voor de zwakken en weerlozen. Voor de vogels die worden afgemaakt, opdat wij geen vogelgriep krijgen, en voor al die mensen die hun leven ontworteld zien, nu hun bron van vaak toch al zo karige inkomsten hen wordt afgenomen.
Wij bidden U voor alle overheden, opdat zij en wij met liefde beslissingen nemen. Ook in de kerk.
Voor hen die worden getroffen door maatregelen die goed bedoeld zijn, maar die slechte gevolgen hebben voor mensen.
Wij bidden U voor gehandicapten naar lichaam en ziel, opdat ze weten waar ze het moeten zoeken: bij U. Dat ze U weer mogen zien, in alle ellende…
En dat ook zij Uw lof mogen uitjubelen.

Wij danken U dat wij hier in alle vrijheid Uw Naam mogen verheerlijken en heiligen met ons leven,
en wij bidden U voor hen die dat niet kunnen, niet mogen, niet durven

Help ons telkens weer de weg naar U te zoeken en te vinden, opdat wij, in navolging van onze Heer Jezus, U met een oprecht hart kunnen dan-ken en bidden als wij samen zeggen en zingen:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd

Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood

en vergeef ons onze schulden,
zoals wij aan anderen hun schuld vergeven;

en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!


We zingen nu staande: gezang 235:1
In bidden en in smeken, maak onze harten één…
 
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ gezang 235:2
Maar nu eerst het eerste vers.
 
Zegen:
De Heer van dood en leven
schenkt ons Zijn Geest, Haar liefde.
Dat onze ogen het heil mogen zien,
onze handen zich bekommeren over de medemens,
en onze voeten zich richten naar de eeuwigheid.
In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen.

Allen: 235:2


En daarna is er gezelligheid, en koffie...