Voor eerdere diensten klik hier:

Zondag 17 november 2013, (Voor)laatste zondag van het kerkelijk jaar

Organist: Hans van Rossum.

Orgelspel
 
Afkondigingen en aansteken van de kaarsen.

Stilte

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.       
Amen
 
Onze Hulp is in de Naam van de Heer     
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Wij belijden voor de Almachtige God,
dat wij gezondigd hebben,
gezondigd, in gedachten, woorden en daden…

Het is onze schuld, onze eigen grote schuld.

Daarom vragen wij God, de Almachtige,
de Barmhartige, Zich over ons te ontfermen,
ons al onze zonden te vergeven en ons te bevrijden van alles wat verkeerd is.
Amen

De Almachtige  God schenke ons Zijn genade!
Amen!

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons introïtus-lied op deze voorlaatste zondag van het kerkelijk jaar is psalm 103: 1 en 2
Wij hebben veel om dankbaar voor te zijn, als wij omkijken naar dit jaar, en als wij zien hoe wij in vrijheid en gezegende omstandigheden God mogen dienen en loven. Niet alleen Israël is gezegend, ook wij, als gemeente mogen dat beamen.



Loof Hem, die zo met gaven u verzadigt,
dat uw bestaan, met glorie begenadigd,
gelijk een arend nieuw bevleugeld wordt.
Het volk in druk heeft van Hem recht verkregen,
Hij heeft aan Mozes eens getoond Zijn wegen,
op Israël Zijn zegen uitgestort.

Laten wij de Heer aanroepen om ontferming met de grote nood van deze wereld,
zeker met de beelden voor ogen van de ramp die o.a. de Filistijnen heeft getroffen…
maar laten wij dan ook Gods naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!

 



Zondagsgebed:

Heer, wil tot ons hart spreken, en doe ons eerbiedig zwijgen, opdat wij U beter horen, door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing OT: Exodus 3: 1 - 15
Mozes is uit Egypte weggevlucht, omdat hij in zijn boosheid over het onrecht dat zijn volk werd aangedaan, een Egyptische ambtenaar heeft gedood. Hij is inmiddels getrouwd, en heeft nog wel contact met zijn familie in Egypte. De situatie daar is nijpend.
 
1. Mozes was bezig de schapen en geiten te hoeden van Jetro (Eminentie), zijn schoonvader, priester van Midjan (strijd), en hij ging de schapen en geiten voor voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb (woestenij).....
2. en er verscheen hem een bode (engel) van de Aanwezige in een vlam van vuur, midden in het braambos, en hij keek eens, en wat gebeurt er: het braambos vlamt óp van het vuur,
maar het  braambos  wordt er niet door verteerd!
 
3. Mozes zei: ‘Nu wil ik toch eens dichterbij gaan, en dit grote spektakel gaan bekijken, (om te zien) waarom het braambos niet verbrandt...’

4. De Aanwezige zag Mozes dichterbij komen om te gaan kijken, en Hij riep hem tóe, God, van midden in het braambos, en wel: “Mozes, Mozes!!!”  en (deze) zei: ‘Hier ben ik!’
 
5. Hij nu zei: “Kom niet dichterbij hierheen, maar doe je schoenen van je voeten, want de plaats waarop jij (nu) staat, dat is heilige grond!”
 
6. En Hij sprak: “Ik, Ik ben de God van je vaderen, de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jacob....”
         Toen bedekte Mozes zijn gezicht, want hij had er een heilig ontzag voor om te kijken naar God.
 
7. Maar de Aanwezige zei: “Ik heb heel duidelijk gezien de ellende van Mijn volk in Egypte, en hun hulpgeroep vanwege hun onderdrukker heb Ik gehoord, waarachtig! Ik ken hun lijden.
 
8. Ik daal àf om ze wég te rukken uit de macht van Egypte, en om ze omhoog te voeren uit dit land naar een land, goed en ruim, naar een land dat overvloeit van melk en honing, naar de plaats van de Kanaänieten, de Chittieten, de Amorieten, de Perizieten, de Chiwieten, en de Jebusieten.
 
9. Nu dan, let op! Het hulpgeroep van de Israëlieten kwàm tot Mij, en ook heb Ik de vernederende onderdrukking gezien waarmee Egypte ze onder de duim houdt.
 
10. Nu dan, ga! Ja, Ik stuur je naar de Farao toe, je moet mijn volk, de Israëlieten wegleiden uit Egypte.”
 
11. Maar Mozes zei tegen God: ‘Wie ben ik nu helemaal dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de Israëlieten uit Egypte wég leid.....?’
 
12. Maar Hij zei: “Waarachtig, Ik Ben[1] met je, (of: Ik Ben is met je) en dit zal je een teken zijn dat Ik je er op uitgestuurd heb: als je het volk uit Egypte wégleidt zullen ze God op deze berg aanbidden.”
 
13. Maar Mozes zei tegen God: ‘Moet U kijken..... :
Goed, ik ga naar de Israëlieten, en ik zeg tegen hen: de God van jullie voorvaderen heeft mij naar jullie toegestuurd, dan zeggen ze tegen mij:
‘Wat is zijn naam?’…    
Wat zeg ik dan tegen ze?’
 
14. Toen sprak God tot Mozes:      
“Ik ben het die Ik Ben (die Aanwezig is)”..........
En Hij zei : “Dit kun je tegen de Israëlieten zeggen: IK-DIE-ER-BEN heeft mij naar jullie toe gestuurd.”
 
15. En nog een keer sprak God tot Mozes:
Dit kun je tegen de Israëlieten zeggen:
De Aanwezige, de God van jullie voorvaderen, de God van Abraham, de God van Izaäk, en de God van Jacob, heeft mij naar jullie toegestuurd.
 
Dat is Mijn Naam voor altijd, en dat is Mijn titel, van geslacht op geslacht.
 
In antwoord op deze lezing zingen wij de Gradualepsalm 24: 1, 2 en 3 waarbij in vers 2 en 3 ook haar en zij mag worden gezongen, want dat is evenzeer waar.


[1] De GodsNaam… voordat Mozes het hoort… in 14


Wie is de mens die op zal gaan en voor Gods heilig aanschijn staan?
Wie mag de tempel binnentreden? Wie niet op loze wijsheid bouwt,

haar hart en handen zuiver houdt van kwade trouw en valse eden.

God is haar zegenrijk nabij, in 't recht des HEREN wandelt zij,
de God des heils zal haar verblijden. Een nieuw geslacht gaat op in 't licht
en zoekt des HEREN aangezicht, Jakob, het volk dat Hij zal leiden.

Epistel: 1 Johannes 2: 4 - 6 NB
 
In deze eerste brief schrijft Johannes over het getuigenis dat hij brengt: hij heeft er met zijn neus boven op gestaan. Zijn verkondiging is dat God licht is en dat er géén duisternis in Hem is. Dat geldt dan ook voor ons, als wij in Hem zijn. Jezus Christus verzoent ons, en heel de wereld, van onze zonden. Dan zullen wij Zijn geboden toch wel bewaren! Wij lezen:
 
3  En hieraan onderkennen we dat we Hem kennen: als we Zijn geboden houden.
4  Wie zegt: ik kén Hem en Zijn geboden niet houdt, is een leugenaar en in hem of haar woont de waarheid niet;
5  maar wie Zijn woord houdt, waarlijk, in haar of hem is de liefde van God volmaakt geworden.      
Hieraan herkennen we dat we ‘in Hem’ zijn:
6  wie zegt ‘in Hem’ te blijven hoort zelf te wandelen zoals Híj gewandeld heeft.
(Wandelen in de betekenis van leven en handelen.)

De psalmist zingt: Halleluja. De hemel verkondigt Gods gerechtigheid. Hijzelf treedt op als rechter!
(ps 50:6)  HALLELUJA!


Wij zingen lied 792NLB
'Kom, God, en schrijf Uw eigen Naam als licht over ons uit.'
Het is een melodie die u wel zult herkennen, en die licht en vrolijk gezongen en gebeden mag worden…
 



O God, die al Uw liefde hecht
aan wie van liefde leeft,
omvat de trouw hier toegezegd.
Dat Gij Uw zegen op ons legt,
Uw vrede aan ons geeft!

Verlaat niet, wat Uw hand begon,
o God, ontbreek ons niet!
Straal in ons leven als de zon,
Gij, van de liefde Zelf de bron,
de adem van ons lied!

Laat zonneklaar te lezen zijn
Uw beeld, in ons geprent!
Gij komt en schenkt de beste wijn
waar wij elkaar tot zegen zijn,
tot liefde voorbestemd.
 
Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 20: 27-38.
U weet natuurlijk dat Jezus niet populair was bij de kerkelijke leiding. Integendeel: hoe meer het volk met Hem wegliep, hoe meer de top van  het kerkelijk leven Zijn ondergang zocht. Ze proberen van alles, waardoor Hij iets zou kunnen zeggen of doen, waarop Hij gearresteerd kan worden. Maar Hij is slimmer dan zij, en laat Zich niet vangen.        Het is inmiddels na Palmpasen, het Paasfeest staat voor de deur. Maar ze durven Hem, vanwege de mensenmenigten, niet zelf aan te pakken. Dus proberen ze Hem een politieke uitspraak te ontfutselen, waardoor Hij gevangen genomen zou kunnen worden door de Romeinen.
Hij trapt niet in de val van de vraag of je de keizer wel belasting mag betalen.
Geef God wat God toekomt, en de Keizer wat de keizer toekomt, zegt Hij.
De Farizeeën druipen af, maar er is nog een partij die Jezus niet ziet zitten: de Sadduceeën. Dat zijn min of meer de vrijzinnigen, die ook graag aanschuren tegen de culturele elite van de bezetters. Wij lezen:

27 Enkele Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Hem toe en vroegen Hem:
28 ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: als een gehuwd man sterft zonder dat zijn vrouw kinderen heeft gebaard, moet zijn broer met die vrouw trouwen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.
29 Nu waren er zeven broers. De eerste was gehuwd, maar stierf kinderloos;
30 daarna trouwde de tweede broer met de vrouw
31 en vervolgens de derde, en toen de andere broers, maar alle zeven waren ze kinderloos toen ze stierven.
32 Ten slotte stierf ook de vrouw.
33 Wiens vrouw is ze dan bij de opstanding? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
34 Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt,
35 maar wie waardig bevonden is deel te krijgen aan de komende wereld en aan de opstanding van de doden, huwt niet en wordt niet uitgehuwelijkt.
36 Zij kunnen ook niet meer sterven, want ze zijn als engelen en ze zijn kinderen van God omdat ze deel hebben aan de opstanding.
 
37 Dat de doden opgewekt worden, dat heeft ook Mozes al duidelijk gemaakt in de tekst over de doornstruik, waar hij spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob.
38 Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.’
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Credo:  In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden:
Wij geloven in God - Schepper van hemel en aarde.
Heer over alle machten

Die om ons van alle macht heeft afgezien
en in Jezus de prijs heeft betaald voor onze overtredingen.

Die in eenvoud tot ons kwam,
en werd verraden en vermoord - gekruisigd...

maar Hij overwon de dood!

Na drie dagen opgestaan ten leven
verscheen Hij aan vriend en vijand;

weer in Zijn hemels rijk terug zond Hij Zijn Geest
die ieder mens bezielen wil tot leven in de Heer.

Tot  een geméénschap van heiligen,
door een doop, door vergeving van zonden,

tot leven in  der eeuwigheid.  Amen

Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve mensen,
 
Wij hoorden zojuist een typisch staaltje van theologiseren zoals dat in Jezus' tijd in bepaalde kringen tot een hoge kunst verheven was.
Met een 'stel dat' verhaal werd een casus opgeworpen, een theoretisch geval, en hoe moet je dan de Schrift toepassen… Dit gaat helemaal volgens de regels van de elegante discussiekunst van die tijd.
Er zit meer dan je denkt achter de vraag: hoe zou U dat nu oplossen?
In de wereld van het Oude Testament, en dat geldt in Jezus' dagen nog net zo, is de grootste zegen de kinderzegen. (Zodat de lof U toegezongen op aard' nooit onderbroken wordt!)
Door die kinderzegen is er voortbestaan, en dan wordt je naam nog door kinderen en kleinkinderen voor God genoemd als jijzelf al jaren dood bent.
En ook Gods lof wordt blijvend gezongen door hen.
Wie kinderloos sterft is dus duidelijk niet gezegend. Dat kan niet.  Ook Jezus spreekt van mensen die het waard zijn om het eeuwig leven te smaken.
Een eeuwig leven dat de Sadduceeën verwerpen.
 
Stel nu, zeggen ze, dat er een voortbestaan is na de dood… Het spreekt vanzelf dat dàt er dan natuurlijk alleen voor gezegende mensen, voor mensen die God bevallen. Daar gaan ze van uit.
In de visie van deze mensen zouden kinderloze gelovigen daar niet voor in aanmerking komen.
En zo leggen ze Jezus deze strikvraag voor.
 
Het logische antwoord is voor hén natuurlijk: de vrouw, de onvruchtbare heeft geen deel aan de zegen. (Het is vanzelfsprekend hààr schuld, zeven onvruchtbare broers is wat onwaarschijnlijk, suggereert het verhaal. Van erfelijkheid had men niet zoveel benul.) De vrouw, die komt de hemel niet in.
 
Maar Jezus zegt: wat een geklets! Jullie houden je bezig met wat niet belangrijk is, het lichamelijke, en in elk geval niet met wat belangrijk is: de ziel.
Na de opstanding komt dat soort dingen niet meer voor. En het gáát daar niet om.
Het gaat om God. Om de levende God, die tot in eeuwigheid een relatie heeft met mensen.
Met mensen die opstaan uit de dood.
Heeft Hij tegen Mozes niet gezegd: Ik ben de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jacob?
Hij is geen God van doden, maar van levenden.
En dat is wezenlijk.
Daar gaat het om.
Een van de Sadduceeën mompelt nog: dat hebt U mooi gezegd, en dan schuifelen ze weg.

Een paar dagen later zal Jezus aan den lijve ondervinden dat het waar is wat Hij heeft gezegd.
Hij wordt dan beschuldigd van opruiing, een terroristische aanslag op de tempel zou hij hebben voorbereid, en Hij wordt vermoord na een proces dat rammelt. Gekruisigd wordt Hij. 
 
En dan, dàn doet God Hem opstaan uit de dood.
Hij ís een God van levenden.
Hij IS.
Voor altijd en immer. We mogen Jezus geloven!

Een paar jaar geleden hadden we reuring in het kerkelijk kippenhok omdat een dominee zei: 'God bestaat niet. Maar Hij werkt wel. Hij doet wel dingen'.
Uiteindelijk bleek het meer een taalkundige kwestie te zijn dan iets anders.
God bestaat misschien niet zoals u en ik bestaan, - wij doen dat voorlopig ook maar op beperkte schaal - dus goed, dat is dan ook niet te vergelijken - , maar Hij IS wel. En Hij IS er.
Hij is er ook voor ons.
Uit de ontmoeting van Mozes met de Levende blijkt dat al.
 
Even een beetje taal. Dat is hier belangrijk.
In het Hebreeuws en het Grieks wordt het werkwoord zijn nauwelijks gebruikt.
In elk geval veel minder dan in het Nederlands.
Daar kan ik wel een uurtje college over geven, maar daarvoor zijn wij hier niet bijelkaar gekomen.
 
Toch gaat het hier om iets wezenlijks, want er gebeurt iets nieuws.
Abraham en de zijnen kenden de Heer aanvankelijk alleen als de Allerhoogste, en de Almachtige, maar nu krijgt Hij een Naam. Ik Ben.
Een Naam en een titel.
Zo mag je over Hem spreken, en zo mag je tót Hem spreken. En dàt schept nabijheid.
 
Het is altijd lastig communiceren als je iemands naam niet weet. 'Eh…' en 'hé' zijn niet comme il faut, mevrouw of mijnheer niet steeds gepast.
Ik onthoud zelf gezichten beter dan namen, dus ik ken het probleem.
 
Wanneer iemand je zijn of haar naam noemt is dat als een uitgestoken hand, het is een uitnodiging om met elkaar om te gaan. Als je weet hoe je iemand kunt aanspreken, doe je dat ook makkelijker.
 
God legt in het verhaal van vanmorgen Zijn Naam in onze mond. Wij mogen Hem aanspreken. Hoe?
Ik Ben.
Letterlijk vertaald: Ik Ben van Wie geldt: (dat) Ik Ben.
In vers 12 en vers 14 wordt de eerste persoon enkelvoud van het werkwoord zijn gebruikt.
Dat geeft dan een heel sterk accent. Uitroeptekens!
In vers 12 zegt de Heer al tegen Mozes: Ik Ben met je. Met deze werkwoordsvorm.
Vreemd.
Normaal zou het zijn om te zeggen: Ik met je.
Ik God van Abraham, God van Izaäk en God van Jacob.
Zo stelt Hij Zich aan Mozes voor in vers 6.
 
Vanuit de openbaring van de Naam, twee verzen verder, begrijpen wij nu, dat je al in vers 12 moet lezen: Ik Ben (is) met je.
Hij-Die-Is mag door ons worden aangesproken, want Hij is Aanwezig, Hij is er voor ons.
Door Zijn Naam te openbaren inviteert Hij ons om met Hem op weg te gaan, om met Hem te leven.
 
Hij laat ons in Zijn bestaan toe, en hoopt dat wij Hem in ons leven willen dienen en liefhebben.
Op een warme en directe manier. Intens!
 
Als kind las ik het boek Zuster Luc, verfilmd als A Nuns story. Een paar regels daarin hebben mij altijd zeer getroffen: zuster Luc is operatiezuster, en kan niet altijd in de kapel zijn voor de communie. Dan komt de priester later langs de operatiekamer, de zuster knielt op de drempel, ontvangt de communie, en zegt in zichzelf: Hij is in mij en ik ben in Hem.
Daarna gaat zij verder met haar taak.
 
Hij is in mij en ik ben in Hem.
 
Zo mag het voor ons ook zijn.
Dat mogen wij dagelijks zeggen bij het opstaan.
Om Jezus, en in en door Zijn Geest.
 
 
Deze voor ons nu laatste zondag[1] van het kerkelijk jaar oogsten wij alle vruchten van het afgelopen jaar. Van Kerstfeest tot Pasen, vanuit de Opstanding, Hemelvaart en het Pinksterfeest wordt ons geloof en ons leven gevoed en verrijkt, rijpen de vruchten van de Geest in ons leven.
 
Zo mogen wij steeds nauwer in contact komen met de Levende.
Zo mag Hij steeds meer Aanwezig zijn in ons leven.
En dat blijft zo, over de grenzen van de dood heen.
 
Daarom brengen wij straks onze doden voor Zijn aangezicht, en dan zijn wij even heel dicht bij elkaar, omdat zij en wij in Hem zijn, en Hij in ons.
Hier en nu. En dat is goed.
 
Maar het gaat niet alleen om het hier en nu.
Het gaat ook om onze plaats in de wereld, en om de mensen om ons heen.
 
Als wij 'in Hem' zijn, schrijft Johannes, dan is dat aan ons te zien, omdat wij leven zoals Jezus.
 
Dan maken onze handel en wandel reclame voor Hem.
Zo zegt Johannes dat: Wie Zijn woord houdt, waarlijk, in haar of hem is de liefde van God volmaakt geworden.
 
Dat is iets om naar te streven.
En nee, dat gaat onze krachten niet te boven, want God is met ons. Hoe moeilijk de taak ook mag zijn.
De Geest van God laat ons nooit alleen. Zij ís er. Zij is Aanwezig.
Misschien zeg je: ik ben bang.
Maar dan zegt Zij: Ik Ben met je.
Misschien zeg je: ik ben zo alleen.
Zij zegt: Ik Ben bij je, alle dagen van je leven.
Tot in eeuwigheid.
Daar mogen wij op vertrouwen.
Amen!

[1] Volgende week is er geen dienst!

Muziek
 
Alles wat wij hebben, hebben wij van God gekregen,
om  door  te geven, om met velen te delen
en er zo dubbel van te genieten.
Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen:   in de collecte        
 
Na het gebed over de gaven zingen wij: Lied 730 NLB Dan kunnen wij ook een kaarsje opsteken.
 
Collecte

Gebed over de gaven
 
Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, is uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons in dit alles de weg. Om Jezus’ wil… Amen.

Herdenken

 

 



Onder het zingen van lied 730NLB kan men nu naar voren komen om een lichtje aan te steken voor wie men wil gedenken.


Heer, herinner U hun luistrend wakker liggen in de nacht
en hun roepen in het duister, de armzaal'gheid van hun kracht,
en wil zeer aandachtig lezen in de rimpels van hun huid
de verscheurdheid van hun wezen, en wis al hun zonden uit.
 
Die Maria hebt vergeven en de rover aan het kruis,
laat de doden eeuwig leven met U in het paradijs.
Heer, herinner U hun namen, oordeel hen en spreek hen vrij,
en bedek hun schuld en laat hen zitten aan Uw rechterzij.
 
Waarheen zal de mens zich keren, die, staand voor Uw aangezicht,
Uwe liefde moet ontberen bij het eindelijk gericht?
Heer, zo Gij niet wordt bewogen door het breken van zijn stem,
door de droefheid in zijn ogen, is bij niemand heil voor hem.


Gesproken:
Herinner U de namen, God, van wie gestorven zijn,
hun vreugde en hun levenslot, hun werken en hun pijn.
Temidden van hun dood zijt Gij als licht voorbij gegaan,
en sinds die ochtend leven zij ontwaakt en opgestaan.
 
Door nacht en ontij gaan zij heen en nergens wijst een ster,
de aarde is zo koud als steen, de levenden zijn ver.
Maar midden in de dood zijt Gij als licht voorbijgegaan,
en sinds die ochtend leven zij ontwaakt en opgestaan.
 
En aan het eind der wegen ligt het huis van brood en wijn,
daar staat de tafel aangericht, daar zal geen dood meer zijn.
 
Want midden in de dood zijt Gij als licht voorbijgegaan,
en sinds die ochtend leven zij ontwaakt en opgestaan.

Voorbeden:

Grote God, Aanwezige, Heilige, Heerlijke, wij danken U dat U er bent voor ons.

Dat wij op U mogen terugvallen, wanneer alles om ons heen wegvalt, gezondheid, geluk, mensen, huis en zekerheden waarop wij hadden gerekend.

Vader, Zoon en Heilige Geest, God van onze vaders en moeders, God van heden, verleden en toekomst, wij danken U dat wij van U mogen weten, wij aanbidden en loven U om alles wat U ons hebt gegeven, tot in Jezus toe.

Wil ons dan door Uw Geest helpen om ons altijd bewust te zijn van Uw Aanwezigheid, om te leven zoals Jezus ons leerde, om op Zijn manier, met Zijn liefde, naar mensen om ons heen te kijken.

Dan zijn we altijd samen, en niemand is meer eenzaam, dan is het leven goed.

Dankbaar voor Uw goedheid voor ons bidden wij voor hen die het nu zo bitter moeilijk hebben.

Wij bidden voor de christenen die in het Midden-Oosten, in Azië en Afrika vaak genadeloos worden vervolgd.

Sterk hun geloof, geef hen moed, laat hen weten dat er mensen aan hen denken, met hen meeleven. 

Wij bidden U ook voor de vele oorlogsslachtoffers, zoals in Syrië, en de landen erom heen.

Al die vluchtelingen, Heer, U kent hun ellende, U hoort hun hulpgeroep.

Help ons om hen niet te vergeten.

Wees bij allen die hulp bieden, soms met gevaar voor eigen leven.

Ook voor hen die proberen te helpen op de Filippijnen bidden wij, en allereerst voor alle mensen die daar alles kwijt zijn, huis en haard, familie en vrienden

U weet dat er honger en dorst is, wij kunnen het ons niet voorstellen

Voor alle mensen daar bidden wij om uitkomst. 

In ons eigen land leven wij warm en veilig, maar ook hier is pijn en onrecht.

Wij bidden U voor alle overheden die moeilijke maatregelen moeten nemen, geef hen Uw wijsheid.

Wij bidden ook voor de mensen van Greenpeace, die in Rusland gevangen zitten, en voor allen die gegijzeld zijn of die onterecht zijn veroordeeld.

Laat ons zien wat wij kunnen doen om te helpen, zodat deze wereld meer lijkt op het beeld dat U er van hebt 

Goede God, die ons nooit in de steek hebt gelaten, wij bidden om Uw zegen op de weg die wij het komende jaar willen gaan, samen met andere gemeenten in Brabant.

Wil ons met Uw wijsheid  in een Geest van liefde leiden, ook als het lastig is, als wij elkaar misschien niet meteen begrijpen

en hoor ons als wij in de stilte van dit moment ons hart voor U openen…

Met Jezus, die het ons leerde, zeggen wij tot U:
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!

 

Ons slotlied is nummer 207NLB: 2 - 4. = lb 375
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ lied 207:1. Nu beginnen wij bij vers 2.



Drijf uit, o licht, wat duister is,
behoed ons hart voor ergernis,
voor blindheid en voor schande en schuld;
houd niet uw glans voor ons verhuld,

opdat wij wandlen als bij dag
en, kome wat er komen mag,
staan vast in het geloof, o Heer,
van U verlaten nimmermeer.

Zegen:
De Heer van dood en leven,
de Moeder vol barmhartigheid,
schenkt ons allen overvloedig genade en liefde,
om Christus’ sterven en opstanding.
In Zijn dood sterft onze dood,
in Zijn Geest mogen wij verder leven,
nu en altijd.
Zo zegent ons God, †
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Amen.


En daarna dronken wij samen koffie!