Paasdienst in de Lutherse Kerk te Heusden, Putterstraat 4 om half elf. 
Organist: Hans van Rossum

Afkondigingen.

Het orgel speelt een koraal van Bach BWV 244
Herzliebster Jezus, was hast du verbrochen…
Daß man ein solch scharf Urteil hat gesprochen? 
Was ist die Schuld?
In was für Missetaten  Bist du geraten?

Bewerking Jaqueline van der Waals:
Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt,
Het kwaad, gekruisigd God, dat Gij gedaan hebt,
Waaraan Uw volk U schuldig heeft bevonden, Noem mij Uw zonden.

Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen,
Geminacht als de minste der verloornen,
En als een booswicht, die zijn straf moet dragen,  Aan 't kruis geslagen.

Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft,
U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft,
- Om voor mijn schuld verzoening te verwerven, Moest Gij dus sterven?

Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide
De herder zelf ter slachtbank zich liet leiden,
De heer zich voor de schulden zijner knechten  Aan 't kruis liet hechten!

O wonderbare Liefde, die ons denken
Te boven gaat, wat kan mijn liefde U schenken,
Wat ooit bereiken met den arbeid mijner dagen,       Dat U behage?

O Liefde, voor dit offer van Uw leven,
Wat kan ik dan mijzelf ten offer geven,
Opdat ik nooit, hetzij ik leve of sterve,       Uw liefde derve.

De tafel is nog gedekt met paars. Er zijn geen kaarsen aangestoken…

De kerkenraad komt binnen met de voorgangster en de witte kleden.

V. In het duister van het lijden heeft Hij onze dood op Zich genomen.
A. Wij danken God.
V. In de schoot der aarde heeft Hij de doden verlossing verkondigd.
A. Wij danken God.
V. Uit de dood is Hij opgestaan!
A. Christus is waarlijk opgestaan!

Dan wordt de paaskaars aangestoken aan het vuur dat van buiten kwam.
Allen staan op en zingen: psalm 150: 1 en 2

Hef, bazuin, uw gouden stem,    harp en fluit, verheerlijkt Hem!
Cither, cimbel, tamboerijn,    laat uw maat de maatslag zijn
van Gods ongemeten wezen,    opdat zinge al wat leeft,
juiche al wat adem heeft    tot Gods eer. Hij zij geprezen.

Intussen maakt het paars plaats voor het wit.

Het licht van de paaskaars wordt gedeeld met de gemeente onder het zeggen van: Licht van Christus.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Onze hoop is in Hem die is opgestaan uit de dood!
Onze hoop is in Hem die ons voorgaat naar het Leven.

Gezang 215 helemaal

Prijst nu Christus in ons lied, halleluja,
die in heerlijkheid gebiedt, halleluja,
die aanvaardde kruis en graf, halleluja,
dat Hij zondaars 't leven gaf, halleluja!

Maar zijn lijden en zijn strijd, halleluja,
heeft verzoening ons bereid, halleluja!
Nu is Hij der heemlen Heer, halleluja!
Englen juublen Hem ter eer, halleluja!

Gebed van inkeer
Grote God, die de glans van de Paasmorgen
tot een nieuwe schepping hebt geweven,
wij komen aan dat licht tekort.
Heilige God, die ons gedacht hebt, en wij waren,
die ons tot nieuw leven hebt geroepen,
U smeken wij: herschep ons tot deze hoge heerlijkheid.
Vergeef ons alles waarin wij tekortschoten
en doe ons weer in vrede met U leven.
Amen.

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven mag hebben!

Wij zingen ons Introïtuslied: Tussentijds 170:2 Melodie liedboek 434

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook vol vreugde Zijn naam prijzen,  omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!




Zondagsgebed.
Lieve God, grote God, machtige God,
Heer over leven en dood, over heden, verleden en toekomst,
Wij danken U, dat U door de dood van Uw Zoon de zonde en de dood hebt vernietigd, en dat U door Zijn onschuld en Zijn opstandig ons genade en eeuwig leven hebt willen schenken,
om in Uw nieuwe rijk te kunnen en mogen leven,
vrij van alles wat ons tegenhield en van U verwijderde.
Wek in ons dan nu en elke dag de liefde en het geloof
waardoor wij telkens weer ons vasthouden aan Uw Woord,
aan Uw verlossing, en zo U loven, overal en altijd,
door Jezus onze Heer, die is: God redt.
Amen

Eerste lezing: Jesaja 25: 6 – 9 NBV
Deze lezing wijst ons op een eindtijd, waarin Gods koningschap zichtbaar is voor alle mensen, een tijdstip waarop Gods koninkrijk gekomen is en alles en allen Zijn wil doen en Zijn Naam loven…

6  Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten
voor alle volken een feestmaal aan:
uitgelezen gerechten en belegen wijnen,
een feestmaal rijk aan merg en vet,   met pure, rijpe wijnen.

7  Op deze berg vernietigt Hij het waas
dat alle volken het zicht beneemt,
de sluier waarmee alle volken omhuld zijn.

8  Voor altijd doet Hij de dood teniet.
God, de HEER, wist de tranen van elk gezicht,
de smaad van Zijn volk neemt Hij van de aarde weg–
de HEER heeft gesproken.

9  Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God!
Hij was onze hoop: Hij zou ons redden.
Hij is de HEER, Hij was onze hoop.
Juich en wees blij: Hij heeft ons gered!’


Laten we zingen! lied Tussentijds: 170: 3

Epistellezing: Colossenzen 3: 1 – 4 NBV
Jezus heeft op het kruis onze zonden gedragen. Die zijn met Hem gestorven. Ons oude ik is met Hem gestorven, als het goed is. En wie werkelijk in Hem gelooft, wie leven wil zoals Hij, die is met Hem opgewekt in een nieuwe manier van leven.
Dat bedoelt Paulus als hij schrijft:
1   Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt,
     streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God.
2  Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is.
3  U bent immers gestorven,
    en uw leven ligt met Christus verborgen in God.
4  En wanneer Christus, uw leven, verschijnt,
    zult ook u, samen met
Hem, in luister verschijnen!

Psalmwoord: Halleluja, dit is de dag die de Heer heeft gemaakt.
Laten wij juichen, en ons verheugen! Halleluja!
Direct gevolgd door: Tussentijds 170:1

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Johannes 20: 1 – 18 NBV (de gemeente staat op)
1  Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald.
2  Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’
3  Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf.
4  Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.
5  Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen.
6  Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in.
Ook hij zag de linnen doeken,
7  en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold, op een andere plek.
8  Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde.
9  Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan.
10  De leerlingen gingen terug naar huis.
11  Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf,
12  en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen.
13  ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe gebracht hebben.’
14  Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was.
15  ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als U Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar U Hem hebt neergelegd, dan kan ik Hem meenemen.’
16  Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!‘ (Dat betekent ‘meester’.)
17  ‘Houd me niet vast, ‘zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar Mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat Ik opstijg naar Mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar Mijn God, die ook jullie God is.’
18  Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat Hij tegen haar gezegd had.
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Wij zingen Gods lof met het Paaslied: Tussentijds: 171.


In stilte, ongezien en stralend, onverwacht,
herrijst de Levende uit dood en donk’re nacht.

De kruiden van de dood, zij kunnen weggedaan.
De Opgestane leeft en spreekt Maria aan.

Haar blij getuigenis zet zich onstuitbaar voort,
dit ongelooflijk nieuws wordt tot vandaag verwoord.

Waar Pasen wordt gevierd is dood voorbij gegaan,
daar wortelt weer de hoop in ’t menselijk bestaan.

In antwoord op Gods woord willen wij ons geloof belijden:

Ik geloof in God,
          die wilde dat de wereld goed was,
          die mensen en dieren maakte,     planten en bomen,
          vogels en vissen,    en er van hield.
Ik geloof in God,
          die als een vader zorgen wil,
          die als een moeder ons omringt.
Ik geloof in Jezus -
          in wie Gods Liefde mens werd,
                     om ons lot te delen           ons leven, onze dood,
          die dwars door alles heen vast hield aan Zijn Vader -
en angst en dood overwon -   stervend aan het kruis.

Hij ging door de hel,
maar stond óp tot nieuw leven:   de derde dag.

Ik geloof in de Geest  die Jezus ons zond,
          om ons dichter dan ooit    bij God te doen zijn.
          Zij bidt en zingt en dankt in ons;
          geeft ons nieuw leven,       in eeuwigheid.

Daarom durven wij geloven   in goedheid, gerechtigheid, trouw....
... in Liefde en toekomst    zelfs voorbij de dood....
... in een kerk, waar mensen zijn   als één lichaam, dat bestuurd wordt
                     door Jezus, ons Hoofd....
... in een doop, die mensen nieuw maakt...
... in vergeving, in genade en hoop -
voor gewone mensen zoals wij.
Amen.

Preek

Beminde mensen van God… lieve gemeente, broeders en zusters, vriendinnen en vrienden

Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt!
Laten we ons verheugen en vieren! Juichen en jubelen!
De Paasliederen uit ons liedboek voor de kerken, en de aanvulling daarop, geven ons daartoe ruim de gelegenheid.
Met Paasfeest mogen we zeker vrolijk zingen
Want de dag ís aangebroken, de dag die al door Jesaja uit de verte is voorzien, de dag van bevrijding, de dag waar, door alle generaties heen, alle mensen van tijd tot tijd op gehoopt hebben,
En die is niet meer terug te draaien!
We vieren een vermetel iets: namelijk ons geloof dat de dood van Jezus werkelijk verschil heeft gemaakt, en dat Hij die dood ook nog te boven is gekomen.
Het is iets, waar anderen soms wat lacherig over doen.
Hoe kunnen we die onzin geloven?
Vrijdag, Goede Vrijdag, hoorde ik op de radio, in een jongerenprogramma, een heel jong meisje op die manier spreken over de Heer, en over Zijn dood.
En ze eindigde met: ‘en sindsdien zijn alle zonden vergeven!’.
Het klonk als een sprookje voor niet-ingelichte kringen…
Maar als je het geloven wilt, dan ís het wel waar.
En wij wíllen het geloven, want we hebben Jezus ervaren als de Levende.
Daarom kon ik, na me een tijdje flink geërgerd te hebben aan de domheid van dat meisje, ook bedenken dat ze misschien zo lacherig deed uit onzekerheid, en dat ze wellicht heel dapper was, en op haar plek probeerde iets te vertellen, dat boven ons begrip uit gaat.
Laten we het daar in elk geval maar op houden!
En dankbaar zijn…
De dingen zijn niet altijd zoals ze lijken...

Maria van Magdala verwachtte in elk geval níet dat ze Jezus zou ontmoeten, daar, bij het graf, in de tuin
En wat je niet verwacht, dat zie je niet, dat hoor je niet… zelfs niet als Hij vlak voor je staat.
Maar Hij roept haar. Johannes is de enige die dat vermeldt.
Jezus noemt Maria bij de naam.
En daarmee ís ze iemand. Niet zomaar een vrouw, niet een van de vrouwen die Hem volgden, maar: Maria Magdalena.
Met héél haar verleden, haar heden en haar toekomst.
Met al haar verdriet, en met de oproep tot troost.
Troost, niet om getroost te worden, dat wordt ze, omdat ze Hem herkent van Wie haar hart zo vol is… maar ze wordt gestuurd om zelf de broeders en de zusters te gaan troosten in hún verdriet.
Om ze het Goede Nieuws te gaan vertellen:
Hij was dood, maar ik heb het gezien: Hij leeft!

Ze kunnen het niet geloven. Een vrouw, emotioneel, wat wil je.
Hoewel… toen Johannes had gezien dat het graf leeg was, en de doeken die het lijk van de Heer hadden bedekt en bijeen gehouden, op een ordelijke manier waren opgevouwen, toen had hij geloofd.
Hij had het nog niet gezien, maar er was een hoop in hem opgestaan, dat het waar was. Dat Jezus de dood te sterk was geweest, en dat Hij – hoe dan ook – de dood voorbij was.
Zijn geloof wordt die avond bevestigd, als Jezus Zelf het huis binnenkomt waar ze bij elkaar zijn, dwars door muren en gesloten deuren heen
En Hij is gezien door velen, staat er nuchter.
Het getuigenis van Zijn opstanding is betrouwbaar

Maar het zou een mooi en vroom verhaal geworden zijn, iets van vroeger, het zou daar misschien bij gebleven zijn, als de historie niet verder was gegaan. Als daar niet de Hemelvaart was geweest. En Pinksteren.
Nog een Hemelvaart.
Want kennelijk moest de Heer die Paasmorgen nog naar Zijn hemelse Vader toe, om Zijn Opstanding volkomen te maken… voordat Hij die avond bij de leerlingen en geliefden terug kon komen, en door hen gezien en beroerd te worden.
Het zou niet meer dan een oud verhaal zijn geweest, in een dik boek, een verhaal dat mensen dierbaar was, en ze hoop gaf, dat alles ooit goed zou komen, als Jezus zich niet in levende lijve aan Zijn dierbaren had vertoond. Als Hij niet met hen had gesproken en gebeden en gegeten en gewandeld.. Als Hij Zijn Geest niet had gestuurd, die dichter bij ieder van ons kan zijn, dan iemand die naast ons staat, en die ons evenzeer aanspreekt.
Want het is de Stem van een Levende, die ons van tijd tot tijd bij name noemt, en ons aanspreekt.
Die ons leven heelt, en die ons troosten wil in het diepste verdriet, die ons er op uit stuurt om zelf te troosten en te helen, en het goede nieuws te brengen.
Want het is die Geest van God die de bedekking waardoor we niet hoorden en niet zagen wat voor de hand lag, weg haalt van onze ogen en onze harten, de Geest, die ons roept tot Gods heerlijkheid.
Pasen en Pinksteren is één beweging. Het loopt door.
Als Jezus sterft, scheurt het zware gordijn dat het Heilige in de tempel scheidt van het Allerheiligste, waar alleen de Hogepriester één keer per jaar, met Pasen, binnen mag komen om te offeren voor de zonden en tekortkomingen van het volk…
Jezuszelf is nu onze hogepriester, en Hij heeft voor eens en voor altijd het uiterste offer gebracht voor ons allen.
Niet meer alleen voor Israël, maar voor alle volkeren.
De afscheiding tussen Israël, Gods oudste zoon, en de andere kinderen, waartoe ook wij mogen behoren, is weggenomen.
Er gebeurt zoveel in deze momenten, we kunnen het haast niet aan.

Jezus is een lévende werkelijkheid.
In Gods Geest spreekt Hij ons aan, U, jou, mij…
Alle levenden en alle doden roept Hij bij de eigen naam.
Om te vertellen van God die genadig is. Om ons vrij te spreken, van alles waar anderen ons van beschuldigen, van alles, waar we ons zelf schuldig aan weten.
Hij heeft het, in Zíjn gruwelijke pijn, aan het kruis uitgewist.
Inderdaad: onze zonden zijn allemaal vergeven.
Gods hart is ruim: dat kunnen wij ons niet voorstellen.
Het omvat de hele mensheid.
De levenden en de doden van alle tijden.

De traditie wil dat de Heer  na Zijn overlijden is afgedaald in het dodenrijk. Men zag dat vaak als een soort onderwereld, waar het niet al te aangenaam toeven was. De hemel boven, de doden onder, dat was een duidelijke verdeling.
Maar daar gaat het even niet om. In  1 Petrus 3:19 en 4:6 wordt geschreven dat onze Heer de gevangen zielen heeft verlost, ja, dat Hij aan doden het Evangelie heeft gebracht.
We zien dat in onze liturgie terug op de beide iconen die daar zijn afgebeeld, op blz 3. en op de achterkant, waar de Heer, staande op het kruis, Adam en Eva de hand reikt en opwekt. (Kijk maar even rustig). (Gezien? Dan gaan we verder).
Eindelijk gerechtigheid, zou je kunnen zeggen.
De Heer Jezus is de eersteling van een nieuwe schepping: de mens zoals die altijd al door God was bedoeld. En Hij is het die als eerste de sterfelijke, kwetsbare, tekortschietende mens van Gods genade mag getuigen en overtuigen. Daarom gaat Hij het dodenrijk door, en daarom moet Maria Hem nog niet aanraken, want Hij is tussen twee werelden op dat moment. Hij is nog met de dood bestemt, ook al heeft Hij die overwonnen...
Jezus gaat ons vóór in het troosten op plaatsen waar wij niet kunnen komen. En ook dat is troost.

De betekenis van Jezus’ dood en opstanding is wereldwijd, verzoent heden, verleden en toekomst.
Die betekenis wordt ons duidelijk door de Geest, die ons leert hoe dat nieuwe bestaan in ons dagelijks doen en laten vorm en gestalte kan krijgen.
Die ons telkens weer roept… Die ons elke morgen de oren opent, als van een leerling die moet leren luisteren naar de Onderwijzer.
Die moet leren wat er te weten valt, maar die vooral moet leren om te leven in en uit liefde.
Zo verwoordt Jesaja het in een van de bekendste gedeelten van het boek.

Die dag, die is aangebroken, zien we die niet?
Het is aan óns om die zichtbaar te maken!
Het is aan ons, om troost te brengen, om verdeeldheid weg te nemen, om liefde en vriendelijkheid, geloof en nederigheid zó in ons dagelijks leven te verweven, dat mensen om ons heen de glans zien van dat koningschap van God.
Dat ze mee gaan doen.

Dat vraagt wel even wat van ons!
We lezen de brief aan de gemeente in Corinthe, die vandaag toevallig ook aan ons is gericht, er nog maar eens op na:
1   Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt,
streef dan naar wat
boven is,
waar
Christus zit aan de rechterhand van God.
2  Richt u op wat boven is, niet op wat op
aarde is.
3  U bent immers gestorven,
en uw
leven ligt met Christus verborgen in God.
4  En wanneer
Christus, uw leven, verschijnt,
zult ook u, samen met Hem, in
luister verschijnen!
We hebben iets om naar uit te kijken.
En God kijkt er naar uit dat we samen met Hem, in de Geest van Jezus, aan het werk gaan, met vreugde, met vieren en troosten.
We staan er niet alleen voor!
Amen.

Muziek.

De wereld is wijd en Gods goedheid is groot; vanuit ons aandeel mogen wij helpen en delen, nu in de collecte, straks weer anders…

Collecte

Gebed over de gaven:

Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen,
het is allemaal uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.  Wijs ons in dit alles de weg, door de Geest van Jezus.
Om Zijnentwil. Amen.


Gezang 200: 1, 4 en 5

Heel de aarde, al het schepsel zal   opstaan in 't zonlicht overal;
voorbij is nu de droefenis,   omdat de Heer verrezen is.
Halleluja.

Ook wij, wij zetten blij van zin  een stralend halleluja in.
O Christus, die verrezen zijt,   wij prijzen uw aanwezigheid.
Halleluja.

Voorbeden
Lieve God, wij danken U voor Uw goede Nieuws.
Wij danken U, dat U ons elke dag weer wilt roepen.
Bij naam en toenaam.
Om wie we voor U mogen zijn.
Beminde mensen.
En wij bidden U om Uw Geest: dat Ze dagelijks ons de oren mag openen voor Uw woord, ons de harten mag openen voor de mensen om ons heen, en onze liefde en ons geloof mag wekken, opdat wij blijvend leven vanuit de vreugde en vrede die U ons en alle andere mensen zo graag gunt…
Machtige en Heilige God, wij danken U, dat U zó diep hebt willen zinken, dat U in Jezus onze zonden op U hebt willen nemen, dat U in Hem voor ons bent gestorven – en dat U al dat kwaad hebt overwonnen door de Opstanding, die wij vandaag en elke zondag vieren.
Lieve God, wij bidden U dat U ons zwakke geloof wilt versterken, dat U ons telkens weer bij de les roept, als we afdwalen, als we toegeven aan onze gemakzucht, onze vermoeidheid, onze zorgen…
Wij bidden U dat U ons telkens weer vult met Uw liefde, met de gaven van Uw Geest, zodat we het aandurven om van U te spreken en te getuigen, om te leven zoals U van ons hoopt, en wij bidden U voor al die mensen die wij níet kunnen bereiken.
Omdat ze te ver weg zijn, of omdat ze niet open staan voor ons.
Om welke reden dan ook.
Wij bidden U voor de slachtoffers van het geweld in deze wereld.
En voor de plegers van dat geweld.
Voor de slachtoffers van het verkeer, slachtoffers van onoplettendheid, gebrekkig onderhoud, verkeerde prioriteiten…
Wij bidden U voor de zieken in deze gemeenschap, in ons hart, in onze levens… in stilte noemen we ze voor U die ons bidden hoort…
(Rianda, Christina, Gerard, Chris, Anton ….)
 
Wij bidden U voor onze kinderen en kleinkinderen, die van onszelf, als we daarmee gezegend zijn, en voor die van Uw Gemeente wereldwijd.
En vol vertrouwen op U beloften leggen wij ons leven en dat van hen allen in Uw hand, en wij loven en aanbidden U samen zoals Jezus ons dat voordeed (Onze Vader naar NBV)
:
Onze Vader in de hemel,
laat Uw Naam geheiligd worden,
laat Uw Koninkrijk toch komen
en Uw Wil worden gedaan
op aarde zó als in de hemel.
Geef ons steeds weer het brood
dat wij dagelijks behoeven.
Vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij vergeven
wie ons iets schuldig was. 
En breng ons in beproeving niet,
maar red ons uit de greep  van alle kwaad.


Ga dan en draag de vreugde van de Heer in uw hart.

Ons slotlied is: gezang 218: 1, 7 en 8

Nu is op aard geen goede daad   meer tevergeefs gedaan,
want wat gij goed doet is als zaad,        dat heerlijk op zal gaan.

't Is feest, omdat Hij bij ons is,   de Heer die eeuwig leeft
en die in zijn verrijzenis   alles herschapen heeft.

Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ U zij de glorie

Zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart.
Gods geliefde Zoon, die eeuwig leeft,  gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

U zij de glorie


Christus is waarlijk opgestaan. Verheugt U, zingt en jubelt, want Hij schenkt eeuwig leven aan wie dit leest en het wil geloven!