Zondag Palmarum 1 april 2007 Lutherse kerk te Zeist. Organist de heer Lijftogt.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Wij willen ons voorbereiden op een ontmoeting met Jezus, Uw Zoon, en daarom bidden wij U:

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven.

Wij loven U Heer, om wat Johannes, de evangelist over U gezegd heeft:

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Op deze feestelijke palmzondag waarop Jezus, onze Koning, Zijn blijde intocht houdt in Zijn hoofdstad Jeruzalem, zingen wij U vol vreugde toe met de woorden van psalm 118:9

LAAT ONS DE HEER AANROEPEN OM ONTFERMING MET DE NOOD VAN DEZE WERELD,
NU WIJ ZIJN NAAM GEPREZEN HEBBEN,
WANT AAN ZIJN BARMHARTIGHEID IS GEEN EINDE

zondagsgebed
Goede God, wij danken U voor Hem die Gij tot ons hebt gezonden in Uw Naam, schenk ons een vreugdevol bestaan waarin wij Jezus als Koning aannemen en de weg gaan, waarop Hij ons leidt.
Dit bidden wij U door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

lezing ot Habakuk 2: 9 – 12
Habakuk heeft God vol verontwaardiging overladen met verwijten over onrecht dat God in Juda maar laat geschieden zonder in te grijpen. Gods antwoord is vervat in een vijfvoudig wee’, waarvan ik er één voorlees, dat slaat op de corrupte en inhalige koning Jojakim van Juda, die de zoon was van de vrome en rechtschapen koning Josia.

9 ‘Wee hem die woekerwinsten maakt ten bate van zijn huis,
zijn nest in de hoogte bouwt,
om zo uit de greep van het onheil te blijven.’

10  Wat je van plan bent is je huis tot schande,
door vele gemeenschappen te vernietigen verspeel je je leven.

11  Zelfs de stenen klagen je aan vanuit de muur,
en de balken stemmen ermee in vanuit het gebinte.

12  ‘Wee hem die een stad bouwt op bloed en een vesting op onrecht.’

Wij zingen een psalm waarmee Habakuk zou kunnen instemmen: psalm 73: 10 en 11


Want allen die U verre staan,  zij zullen eens te gronde gaan.
Gij stort hen neer in de ellende,  die zich in ontrouw van U wenden.
Maar 't is mijn ziel en zaligheid  te zijn bij God, die zelf mij leidt.
'k Vertrouw op Hem geheel en al,  den HEER, wiens werk ik roemen zal.

epistel Romeinen 12: 17 - 19
Over de manier waarop we binnen de gemeente met elkaar en met de wereld omgaan:
17  Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen.
18  Stel, voorzover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven.
19  Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’

Ons zondagslied is gezang 481

Maak ons volbrengers van dat woord,  getuigen van uw vrede,
dan gaat wie aarzelt met ons voort,  wie afdwaalt met ons mede.
Laat ons getrouw de weg begaan  tot allen die ons verre staan
en laat ons zonder vrezen  de minste willen wezen.

Leer ons het goddelijk beleid  der liefde te beamen,
opdat wij niet door onze strijd  uw goede trouw beschamen.
Leg ons de woorden in de mond  die weer herstellen uw verbond.
Spreek zelf door onze daden  van vrede en genade.

Wij danken U, o liefde groot,  dat Christus is gekomen.
Wij hebben in zijn stervensnood  uw diepste woord vernomen.
Nog klinkt dat woord; het spreekt met macht  en het wordt overal volbracht
waar liefde wordt gegeven,  wij uit uw liefde leven.

het heilig evangelie staat geschreven bij: Lucas 19: 28 - 44
Hiervoor vertelde de Heer de gelijkenis van de talenten... waarin een Koning zijn rijk gaat opeisen...
28 Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem.
29  Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit
30  en zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp daarginds. Daar zullen jullie een vastgebonden veulen vinden, dat nog nooit door iemand bereden is. Maak het los en breng het hier.
31  Als iemand jullie vraagt: “Waarom maken jullie het los?” moeten jullie antwoorden: “De Heer heeft het nodig.”’
32  De beide leerlingen gingen op weg en vonden het veulen, precies zoals Jezus had gezegd.
33  Toen ze het dier losmaakten, vroegen de eigenaars hun: ‘Waarom maken jullie het los?’
34  Ze antwoordden: ‘De Heer heeft het nodig.’
35  Daarna brachten ze het veulen naar Jezus. Ze wierpen hun mantels over het dier en lieten Jezus erop zitten.
36  Onderweg spreidden de leerlingen hun mantels voor hem op de grond uit.
37  Toen hij op het punt stond de Olijfberg af te dalen, begon de hele groep leerlingen vol vreugde en met luide stem God te prijzen om alle wonderdaden die ze hadden gezien.
38  Ze riepen: ‘Gezegend Hij die komt als koning, in de naam van de Heer! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste!’
39  Enkele Farizeeën in de menigte zeiden tegen Jezus: ‘Meester, berisp uw leerlingen.’
40  Maar hij antwoordde: ‘Ik zeg u: als zij zouden zwijgen, dan zouden de stenen het uitschreeuwen.’
41  Toen hij Jeruzalem voor zich zag liggen, begon hij te huilen over het lot van de stad.
42  Hij zei: ‘Had ook jij op deze dag maar geweten wat vrede kan brengen! Maar dat blijft voor je verborgen, ook nu.
43  Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten.
44  Ze zullen je met de grond gelijk maken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.’
ZALIG DIE HET WOORD VAN GOD HOREN
EN ER GEHOOR AAN GEVEN


Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER.

Luk 19:40 και αποκριθεις ειπεν αυτοις λεγω υμιν οτι εαν ουτοι σιωπησωσιν οι λιθοι κεκραξονται

Lieve vrienden,

Wie in Zuid-Afrika een beetje haastig door het veld heenloopt, wordt soms onverwacht in zijn vaart gestuit door een struik vol doorns, waarin de kleren van de voorbijganger opeens erg vast komen te zitten. De struik heeft een toepasselijke naam in het Afrikaans. Ze heet: wag-een-bietjie, een naam die we als Nederlanders zonder moeite herkennen. Wag een bietjie, wacht even, ho even, maar de vertaling is nogal saai, terwijl het oorspronkelijke tintelt van leven.
Toen ik bij de voorbereiding van deze preek door het taalveld van Lucas mee huppelde in de optocht van Jezus en Zijn discipelen op weg naar de tempel op Palmpasen, werd ik opeens door een woord van Jezus vastgehouden, waaraan bij de beschrijving van het gebeuren alleen Lucas aandacht heeft geschonken. De joyeuse entrée, de feestelijke intocht, van Jezus als koning in Zijn hoofdstad Jeruzalem is door alle vier evangelisten beschreven, maar de drie anderen hebben de nijdige uitval gemist, die Jezus een groepje Farizeeën naar het hoofd slingerde, toen dezen de vreugde  van de menigte verstoorden door hun critiek op wat de discipelen luidkeels uitroepen. Ho even met die oproerige kreten, zeiden ze tot Jezus. Dit is toch wel één april, hè!
Zeg even dat het niet ernstig gemeend is... Maar alle gekheid op een stokje:
 Laten de Romeinen het niet horen, want ze beluisteren je zo vanuit de burcht Antonia, vlak bij de tempel, en als ze tussen beide komen, dan ben je in een ommezien koning àf; je weet toch zelf, dat ze in de paastijd meer waakzaam zijn dan anders, en als de Romeinen in actie komen is het hele volk in doodsgevaar. Dus, meester, leg je discipelen het zwijgen op!’

Zit daar iets in, in dat verwijt van de Farizeeën? Of is het zwaar overdreven? Op het eerste gezicht lijkt de reactie van de Farizeeën nogal overtrokken. Er komen juist in deze tijd hele karavanen pelgrims in Jeruzalem aan. Volgens de wet moest zelfs iedere Jood driemaal per jaar opgaan naar de tempel om daar voor Gods aangezicht feest te vieren. En altijd werd hun door de priesters een welkom toegeroepen: ‘Gezegend hij die komt, gezegend in de Naam des Heren!’    
Dat was een traditionele groet, die we al vinden in psalm 118. Niets bijzonders dus? Bij nader inzien toch wel: er is volgens Lucas één woord toegevoegd, waardoor de groet een welkom inhoudt voor de koning van Israël; en niet de priesters, maar de discipelen roepen hier met luider stem: ‘Gezegend Hij die komt, de koning, in de Naam van de Heer!’ De auteur van de berijming van psalm 118 heeft hun voorbeeld gevolgd, zoals u opgemerkt zult hebben tijdens het zingen. De toevoeging van het woord ‘koning’ ziet  er uit als opstand tegen de keizer. De discipelen hebben de schijn tegen!
Er is volgens de Farizeeën een grote kans, dat dat ene kleine woordje hun aller ondergang wordt. Als Pilatus en zijn soldaten het woord koning horen is Israël voorgoed verloren.
Alles welbeschouwd is hun vrees dus heel redelijk. Bovendien weten we, dat het woord koning een voorname rol speelde in het proces dat volgde op Jezus’ gevangenneming, en dat het als samenvatting van de aanklacht tegen hen geschreven stond op een bord, dat aan het kruis gehecht was. Het stond er in drie talen, in het Grieks, in het Latijn en in het Hebreeuws, zodat het niemand ontgaan kon, waarop het voor hen zou uitlopen als hij op de titel van koning aanspraak maakte. Zo’n man speelde met zijn leven en eindigde aan een kruis. En ook het volk zou de rekening moeten betalen. Daar waren de Farizeeën, die Jezus becritiseerden, terecht bang voor geweest. Het had heel gemakkelijk slecht kunnen aflopen.
De angst van de Farizeeën dat het hele volk eraan zou gaan, was bij deze gelegenheid echter niet bewaarheid geworden.  Pilatus had best begrepen dat Jezus geen legertje had aangeworven en Herodes, de vorst van Galilea had hem bevestigd, dat ook in zijn gebied dat altijd onrustiger was dan de rest van het land,  hem niets van dien aard gebleken was. Lucas zegt daarom, dat Pilatus Jezus liever wilde vrijlaten, na een flinke afstraffing natuurlijk vanwege het gebruik van de koningstitel, maar Lucas zegt ook dat Pilatus zich onder druk liet zetten door een fanatieke groep aanhangers van een zekere Barabbas, die een moord begaan had. De groep drong sterk aan op een Paas-amnestie voor hun leider. Pilatus zwichtte tenslotte voor de dreiging die van hen uitging en liet Barabbas vrij. Hij verkreeg daarmee rust in Jeruzalem tijdens het Paasfeest. En dat was mooi meegenomen. Op Jezus na, en Zijn kleine aanhang, kon het hele volk in vrede Pasen gaan vieren. En Pilatus had het er ook zelf goed van afgebracht. Maar de rekening voor de vrede is betaald door Jezus.

Onbewust en ongewild brengt Pilatus met zijn veroordeling van een onschuldige en de vrijlating van een schuldige beklaagde Gods blijde boodschap over het voetlicht. Omdat de onschuldige gekruisigd wordt, gaat de schuldige vrij uit. Dat is de kern van onze verkondiging als dienaars van Jezus. Het is de boodschap van de christelijke kerk die alleen daar weerklinkt en nergens anders. Wilt u vrij uit gaan en onbelemmerd door het verleden de toekomst ingaan, laat deze boodschap dan in uw hart weerklank vinden. Sluit u aan bij de palmpasenoptocht. Erken van harte wat u iedere Lutherse dienst die u bijwoont met de mond uitspreekt: Heer vergeef ons al wat wij verkeerd gedaan hebben en laat ons weer met U en met alle mensen in vrede leven.

Deze boodschap, die wij elkaar zondag aan zondag toeroepen en waardoor wij ons laten inspireren, moet overal vrijelijk gebracht worden. De Farizeeën waren misschien best bereid om met Jezus apart eens van gedachten te wisselen over Gods bedoelingen met Zijn volk, en met de wereld, of over Gods komende koninkrijk en de rol van de Messias daarin, maar niet in het openbaar. Daar wordt hun leven beheerst door angst en vrees, terwijl Jezus leeft uit het vertrouwen, dat Hij in God stelt, in God die Zijn hemelse Vader is. Daarover moet in alle openheid gesproken worden door Zijn volgelingen, anders gaan de stenen spreken!

Jezus voorzag, dat er ooit een ramp over Jeruzalem zou komen, en daarom weende hij over de stad. En inderdaad: in 70 na Christus werd Jeruzalem, dat Zijn boodschap van vrede verworpen had, door de latere keizer Titus verwoest, met tempel en al. De Christenen moesten over de Jordaan vluchten naar de stad Pella. Hun boodschap was verstomd. (In het land van belofte, maar ging de wereld in, zoals ooit was beloofd!) Zoals we van morgen gelezen hebben: er was wel vrede in de hemel maar niet in de stad die Jezus zo’n veertig jaar tevoren als koning binnen was getrokken. 
In het jaar 70 spraken de stenen van de in puin liggende tempel hun overduidelijke taal. Ook in Rome spraken de stenen. Op de triomfboog die voor Titus, de  generaal die de Joodse opstand had neergeslagen, was opgericht, waren in stenen reliëfs de afbeeldingen te zien van de buitgemaakte tempelvoorwerpen.  

Nog heden ten dage kan iedere tourist hun stem daar horen.
Zwijgend staan die stenen in het centrum van het oude Rome hun boodschap uit te schreeuwen, net zoals in de Klaagmuur te Jeruzalem de prachtig behouwen stenen, die het enige restant vormen van de tempel van koning Herodes de Grote, in onbehouwen taal hun onvrede over die spectaculaire nederlaag uitbazuinen tot op vandaag. Niet voor niets heeft Jezus gezegd: “Wie oren om te horen heeft, die hore!”  De goede verstaander hoort de stenen spreken van verwoesting als de blijde boodschap van Jezus’ koningschap niet aan het woord mag komen. De discipelen prijzen hun God bij Jezus’ intocht in Jeruzalem, omdat hun God, de God van het verbond, trouw blijft aan Zijn volk.
Telkens weer hebben ze het goddelijk mededogen in Jezus zien opvlammen bij de ontmoetingen met zieken, met armen, met zondaars, kortom met alle kinderen van Abraham, die de weg kwijt waren. In Hem openbaart zich Gods genade. Zijn levenshouding overwint het kwade door het goede. Hij zal Zijn leven geven om God en de mensen, en om de mensen met elkaar te verzoenen. Dat moet over de hele wereld verkondigd worden, opdat die wereld niet ten onder zal gaan. Als de discipelen niet spreken, zullen de stenen gaan spreken en van ondergang getuigen. Dat wist de profeet Habakuk ook al in 600 v Christus. Maar ook toen wilden de machthebbers er niet aan. Koning Jojakim, de inhalige zoon van de wetsgetrouwe koning Josia, had zijn paleis verfraaid in Egyptische stijl en de arbeiders naar Farao’s voorbeeld darvoor niets uitbetaald. De stenen en balken klaagden in beurtzang en God en Zijn profeet hoorden het!


Wat Jezus de Farizeeën antwoordde over de stenen die zullen spreken, is natuurlijk ook voor ons bestemd. Het is onze taak als kerk van Jezus Christus, onze koning, ervoor te zorgen, dat wij Zijn boodschap aan de wereld verkondigen. Zo niet, dan gaan de stenen spreken. Het Europese volkslied, vorige zondag in Berlijn aangeheven, op een melodie van Beethoven, herinnert ons aan het ideaal dat alle mensen in vrede broederschap moeten nastreven. Het is een Europees doelwit, maar het geldt uiteraard voor de gehele wereld. We zullen er overigens in het beperkte Europese gebied al genoeg moeite mee hebben om het te verwezenlijken. We kunnen ook niet zonder grote ongerustheid die immense taak maar even op onze schouders nemen. Hoeveel leden telt onze kerk eigenlijk en hoe oud zijn die inmiddels?
En welke formidabele tegenkrachten staan tegenover ons streven? Economische belangen lopen er niet parallel mee! Nationalistische motieven hebben meer macht over ons hart dan ons lief is. Ik ga daar maar niet op door. Maar om u te bemoedigen wijs ik er ten slotte met nadruk op, dat niet wij aan onszelf de opdracht gegeven hebben. De discipelen, die Jezus als koning bejubelden, hebben in Hem de kracht en de geest van God aan het werk gezien. De opdracht om met Gods werk mee te doen komt van Hem. Hij is in staat gebleken zelfs de dood te overwinnen.
Ons pad gaat over een terrein, dat dichtbegroeid is met doornstruiken. Ze belemmeren ons in onze vaart, die wag-een-bietjies met hun doorns. Maar laat ons niet vergeten, dat deze Goede Week niet in het perspectief staat van de dood, die aan alles een einde maakt, dat zo feestelijk begonnen is.
Integendeel! Op de 8ste dag, de dag van de opstanding, wordt het Pasen! Dan zijn wij met onze Heer Jezus de dood voorbij. En als de kerk daarvan maar blijft spreken en geloof vindt, behoeven de stenen niet te spreken. Dan doen we het zelf. God zij geloofd. Amen.
 

MUZek

Alles wat wij hebben , hebben wij van God gekregen,
om  door  te geven, om met velen te delen
     en er zo van te genieten. Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen:   in de collecte
. Wij zingen daarbij: gezang 466: 1 – 3
collecte


En wat er dreig', of wie er woed',  mijn Herder blijft mij leiden.
Geen donker dal van tegenspoed  kan van zijn staf mij scheiden.
Hij blijft mij overal nabij,  naar stille waatren voert Hij mij
en liefelijke weiden.

Ik heb mijn God, dat is genoeg,  ik wens mij niets daarneven.
Veel meer dan 't meeste, dat ik vroeg,  is mij in Hem gegeven:
mijn hoogste goed, mijn troost in smart,  het enig rustpunt van mijn hart,
mijn eeuwig licht en leven.

gebed over de gaven
Lieve God, wilt U alstublieft zegenen wat we hier bij elkaar hebben gebracht,
  zodat het is tot eer van Uw Naam,

en zodat het Uw gemeente wereldwijd ten goede komt.

Laat het een offer zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt,
door Jezus Christus, onze Heer.  Amen

Voorbeden

gevolgd door:
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd

Uw Rijk kome,  Uw Wil geschiede,
zoals in de hemel zo ook op aarde.

geef ons heden ons dagelijks brood

en vergeef ons onze schulden,
zoals wij vergeven onze schuldenaren

en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade.


slotlied gezang 169: 6

De  genade  van onze Heer Jezus Christus,
de liefde van God de Vader
en de  gemeenschap van de Heilige Geest

is en blijft met u allen.  Amen

En toen was er koffie.... 
naar boven