Klik voor vorige diensten hier en kijk evt. hieronder. 


Liturgie zondag Laetare 18-3-2007 te Winschoten in de Lutherse kerk. Het was een dienst van de gemeenten Winschoten en Pekela samen. Organiste: Ingrid Noack. Een kleine 30 mensen vierde samen in de mooi gerestaureerde kerk :-) 

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Onze hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven

Zo lief had God deze wereld, dat  Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!


Ons introïtuslied is psalm 121

Uw wankle voeten zet Hij vast,
als gij geen uitkomst ziet:  uw wachter sluimert niet!
Zijn oog wordt door geen slaap verrast,
Hij wil, als steeds voor dezen,  Israëls wachter wezen.

De HEER brengt al uw heil tot stand,
des daags en in de nacht  houdt Hij voor u de wacht.
Uw schaduw aan uw rechterhand:
de zon zal u niet schaden,  de maan doet niets ten kwade.

De HEER zal u steeds gadeslaan,
Hij maakt het kwade goed,  Hij is het die u hoedt.
Hij zal uw komen en uw gaan,
wat u mag wedervaren,  in eeuwigheid bewaren.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, 
maar laten wij dan toch ook Zijn naam prijzen, 

omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!

Zondagsgebed
Lieve God, wij zijn blij dat wij telkens weer tot U mogen komen, ook al hebben we redenen om ons te schamen over ons doen en laten. Wij weten ons toch geborgen in Uw liefde en genade, en wij smeken U dat U ons dat ook steeds weer wilt laten ervaren als een levende werkelijkheid door Jezus Christus, onze Heer.
Amen.

Lezing OT  2 Kronieken 36: 14 – 23 NB
In de Hebreeuwse bijbel is dit het laatste stuk van het laatste bijbelboek. En daarin lezen we over Koning Sedekia die eenentwintig jaar oud was, toen hij in 597 voor Christus door Nebucadnezar op de troon van Jeruzalem werd gezet. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. En Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, zijn God, en luisterde niet naar Jeremia toen die hem in opdracht van de HEER waarschuwde.  Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem bij God trouw had laten zweren. Hij weigerde zich te bekeren en te luisteren naar God en gebod. We lezen:
14 Ook de leiders van de priesters en het volk verzaakten voortdurend hun plichten, gaven zich over aan de verfoeilijke praktijken van andere volken en bezoedelden de tempel die de HEER in Jeruzalem geheiligd had. 15 De HEER, de God van hun voorouders, waarschuwde hen bij monde van Zijn boden, die Hij telkens opnieuw naar hen toe zond omdat Hij Zijn volk en Zijn woning voor de ondergang wilde behoeden. 16 Maar zij lachten Gods boden uit, minachtten Zijn woorden en dreven de spot met Zijn profeten, totdat de toorn van de HEER tegen Zijn volk zo hoog oplaaide dat niets hen meer kon helpen. 17 Toen stuurde hij de koning van de Chaldeeën op hen af, die hun uitgelezen mannen ombracht in hun heilige tempel. Niemand werd gespaard; jonge mannen en vrouwen, oude mensen en ook hoogbejaarden werden aan de koning uitgeleverd. 18  En alle voorwerpen uit de tempel van God, de grote zowel als de kleine, liet hij naar Babel overbrengen, evenals de schatten uit de tempel en de kostbaarheden van de koning en zijn raadsheren.
19 Ze staken de tempel van God in brand en haalden de stadsmuur van Jeruzalem neer. Ook alle paleizen werden in brand gestoken en gingen met kostbaarheden en al in vlammen op. 20 De mensen die aan het zwaard ontkomen waren, werden als ballingen naar Babylonië meegevoerd, waar ze de koning en zijn nakomelingen als slaven dienden totdat het rijk in handen viel van Perzië.
21 Zo ging in vervulling wat de HEER bij monde van Jeremia had voorzegd.
Zeventig jaar bleef het land braak liggen en had het rust, totdat alle niet in acht genomen sabbatsjaren vergoed waren.
(Maar:)
22 In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen.
Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken: 23  ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor Hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda.
Laten al diegenen onder u die tot Zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van de HEER, hun God, en daarheen gaan.’

En zo eindigt de TeNaCH, de Joodse Bijbel, met een nieuw begin! 
Wij zingen mét Gods volk: psalm 23, een psalm van terecht vertrouwen, ook in de grootste nood…

Zelfs door een dal van diepe duisternissen
waar ik het licht der levenden moet missen,
vrees ik geen kwaad, want Gij zijt aan mijn zijde
met stok en staf, tot troost en tot geleide.
Onder het oog van hen die mij verraden
richt Gij mij toe het nachtmaal der genade.

Gij zalft mijn hoofd met d'olie van uw vrede,
Gij vult mijn kelk met gelukzaligheden.
Ja, zaligheid en liefd' en welbehagen
zullen mij volgen al mijn levensdagen.
Ik zal het welkom horen van mijn koning
en jaar aan jaar verblijven in zijn woning.

Epistellezing uit 2 Corinthe 5: 14 - 21
Paulus schrijft: we moeten ééns voor Jezus’  rechterstoel verschijnen, en dan worden we geoordeeld op grond van wat we deden hier en nu, nog levend in en met dit lichaam. We moeten niet vastzitten aan de dingen van dit lichaam, maar we moeten leren loslaten. Ervan afsterven, noemt Paulus het… Gestorven zijn, niet meer leven voor de zonde…    We lezen:
14. Want de liefde voor (en van!) Christus verbindt ons met elkaar, ons, die ons hiervan bewust zijn, dat  er EEN gestorven is ten behoeve van allen. Dat betekent dan, dat ze allemaal gestorven zijn. (Voor de zonde).
15. En Hij stierf ten behoeve van allemaal, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem, die ten behoeve van hen stierf - en opgewekt werd.
16. Vandaar, dat wij van nu af aan niemand meer kennen als mens - zelfs al hebben we Christus als mens gekend: maar nu kennen we (Hem) niet meer (zo). Let op! Nieuwe dingen zijn tot stand gekomen.
17. Vandaar, dat als iemand in Christus is, dat een nieuw schepsel is. De dingen van vroeger zijn vergleden.
18. Maar allemaal zijn ze (de mensen die in Christus zijn) uit God, die ons met Zichzelf verzoende door Christus, en ons de dienst der verzoening schenkt.
19. Zoals God - toen Hij in Christus de wereld met Zich verzoende, hen hun fouten niet toerekende, en onder ons de verkondiging der verzoening liet functioneren.
20. Dus, ik wilde maar zeggen: wij (de apostelen) vertegenwoordigen Christus als God, die door ons heen een beroep (op jullie) komt doen; namens Christus smeken we: Wees toch verzoend met God!
21. Hij heeft Hem, die geen zonde gekend heeft ten behoeve van ons (allemaal) tot zonde gemaakt opdat wij in Hem in Gods gerechtigheid veranderd zouden mogen worden.
Tot hiertoe de lezing.
Doordat Christus als mens onze zonden op zich genomen heeft, en daarvoor geboet heeft op het kruis zijn wij door God vrij gesproken…  En zijn wij nieuwe mensen, een nieuwe schepping, als we dat willen…
Dat is nog eens liefde!
Dan mogen we met recht zingen: gezang 432 helemaal: wat God doet dat is welgedaan!

Wat God doet, dat is welgedaan.   Hij is mijn licht en leven.
Ik wil mijzelf van nu voortaan  blijmoedig aan Hem geven,
omdat ik weet in vreugd en leed:  Zijn vaderlijke ontferming
blijft eeuwig mijn bescherming.

Wat God doet, dat is welgedaan,  daar laat ik het bij blijven.
Al moet ik door de engten gaan  waar mij de dood zal drijven -
als God mij leidt  kan ik de tijd  van duisternis verdragen:
ik zal Zijn licht zien dagen.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 15: 11 –32 NBV
Voorafgaand hieraan vertelt Lucas hoe Jezus contact heeft met tollenaars en zondaars. Daar nemen de Farizeëen aanstoot aan. Dan vertelt Jezus eerst het verhaal van het verloren schaap, en dan dat van het verloren geldstuk… We lezen verder:
  11 Vervolgens zei Hij: ‘Iemand had twee zonen. 12  De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde Zijn vermogen onder hen. 13  Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.
14 Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15  Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16  Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem.
17 Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18 Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19  ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”
20 Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op Zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21  Vader, ”zei Zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22  Maar de vader zei tegen Zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. 23  Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24  want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

25  De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. 26  Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27  De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28  Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29  Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.”

31  Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32 Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’
Zalig die het woord van God horen en er gehoor aan geven!

IN ANTWOORD OP GODS WOORD WILLEN WIJ SAMEN ONS GELOOF BELIJDEN:

Wij geloven in God - Schepper van hemel en aarde.
Heer over alle machten

Die om ons van alle macht heeft afgezien
en in Jezus de prijs heeft betaald voor onze overtredingen.

Die in eenvoud tot ons kwam,
en werd verraden en vermoord - gekruisigd...

maar Hij overwon de dood!

na drie dagen opgestaan ten leven
verscheen Hij aan vriend en vijand,

weer in Zijn hemels rijk terug zond Hij Zijn Geest
die ieder mens bezielen wil tot leven in de Heer.


Tot  een gemeenschap van heiligen,
door een doop, door vergeving van zonden,

tot leven in  der eeuwigheid.  
Amen

Preek

GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER,
DOOR DE HEILIGE GEEST.


Lieve Gemeente van God, lieve mensen, zusters en broeders… :-)

Zondag Laetare wordt ook wel de roze zondag genoemd. Omdat in elke vastenperiode, in elke rouwtijd ook, er een moment moet zijn van ont-spanning tussen alle inspanning door. In deze paarse tijd is er een moment waarop we ook en weer mogen denken, moeten denken, aan de goede dingen, en vooral aan de genade waaruit we leven en waarop we mogen hopen; die we moeten leren ontdekken
We zijn dan als die jongen die opeens rondkijkt, hij zit letterlijk in de shit, zoals ze dat tegenwoordig zeggen, hij zit midden in de varkensmest, en hij ziet opeens in wat voor situatie hij in wezen zit.
Zijn benen hebben de weelde niet kunnen dragen, zijn gekochte vrienden was hij kwijt met zijn crediet, en hij is niet alleen iemand geworden in de marge van de samenleving, een randfiguur in goed Nederlands, maar zijn maag knort ook nog eens harder dan de varkens om hem heen.
Ik vind het altijd wel vertederend dat hij een nette jongen blijft, want hij heeft wel zin in het varkensvoer, maar hij heeft er geen recht op, het wordt hem niet gegeven, en dus blijft hij er af. Moet je nú eens om komen! Nu zegt zelf een bisschop dat hij het zou snappen als de echte armen proletarisch zouden winkelen. En hij wordt daar om geprezen. Maar dat terzijde.
Onze verloren zoon is geen verlopen zoon.
Inderdaad, hij ziet er niet uit, hij stinkt naar de varkensmest, hij kijkt het brood uit je mond, maar hij blijft een nette jongen.
Hij komt uit een goed nest.
Soms haalt een goede opvoeding nog best iets uit, ook al lijkt het tegendeel vaak het geval.
Die jongen, laten we hem naar Hans noemen, daar heb ik redenen voor, leg ik straks wel uit, Hans dus, kijkt opeens naar zichzelf als van een afstand.
Als met de ogen van een vreemde.
Dat kan erg verhelderend werken.
Als je dat overkomt, zeg je soms verbaasd: waar ben ik in hemelsnaam al die tijd mee bezig geweest? En als je een beetje lef in je lijf hebt sta je op, en ga je er iets aan doen.

Hans blijft niet op zijn mesthoop zitten.
Hij is ook niet te trots om te zeggen: ik ben dom geweest. Mijn vaders onbelangrijkste knechten, die géén vaste aanstelling hebben, die zijn nog een stuk beter af dan ik. Ik ga vragen of ik met hen samen mag werken.

Hij stelt zich op één lijn met de jongens die iedere dag moeten vragen om werk. Hij heeft zich de ellende zelf op de hals gehaald, en hij voelt zich niet beter dan wie ook.
Ja! Hij zal naar huis gaan en zeggen: “Vader, ik was het niet waard Uw kind te zijn en ik ben het niet waard Uw kind genoemd te worden, maar laat me alstublieft voor U mogen werken voor mijn brood, helemaal onderaan de ladder.”
Mooi
Eigenlijk zou hij moeten zeggen: Mijnheer, ik ben het niet waard…
Dat zou wel passen, dan zou hij helemaal gelijk zijn aan die dagloners
Maar Hans weet heel goed dat hij zijn vader dáár juist verdriet mee zou doen, en dat heeft hij al genoeg gedaan…
Zou hij weten, zou hij vermoeden dat zijn vader al die tijd al op de uitkijk heeft gestaan?
Niet, omdat die wel wist dat het niet goed kon gaan, en dat de jongen wel met hangende pootjes naar huis zou komen, maar omdat hij van hem hield, omdat hij zijn zoon miste, omdat hij naar hem verlangde.
Daarom is hij er, als de jongen aankomt.
Hans hoeft niet op de poort te kloppen, tussen hoop en vrees al dan niet binnen gelaten te worden. Zijn Vader komt naar hem toe voordat hij kan zeggen: Ik heb gezondigd tegen God en tegen U.
Hans is zich bewust van het feit dat hij niet alleen zijn vader in de kou gezet heeft, maar dat hij door te staan op zijn rechten moreel verwerpelijk heeft gehandeld, en dus tegen de hemelse wetten, tegen God heeft gezondigd. Hij moet niet alleen verzoend worden met zijn aardse vader, maar ook met God.

Nu treft het, dat wij in het verhaal dat Jezus hier vertelt, in de vader ook God onze vader herkennen. Maar de boodschap blijft er net zo duidelijk om: als je een ander kwaad doet, verdriet doet, dan schaad je niet alleen de ander, je zondigt ook tegen God.
Ik denk dat we dat te vaak vergeten.
Ook de ander is een geliefd kind van God, wat een bloedhekel wij misschien ook aan die persoon mogen hebben…
En dus moeten we het niet alleen goed-maken met de ander, maar ook met God.

En als God ons niet tegemoet zou komen, zouden we niet weten hoe we dat zouden moeten doen.
Maar God kómt ons tegemoet. En we zien heel de bijbel door hoe God telkens weer in actie komt, en heel lang kan blijven hengelen naar onze aandacht, naar onze liefde, die zich dan uit in onze gehoorzaamheid aan Zijn hemelse wetten. Wetten, die we kunnen samenvatten met: houd van God met al wat in je is, en houd van je naaste als van jezelf. En dan moeten we natuurlijk niet vals spelen en zeggen: ik kan niet van mezelf houden. Ik ken er genoeg, (eigenlijk te véél) die dat zeggen… Maar als God iets in ons ziet waar Hij, waar Zij van kan houden, dan moeten wij niet eigenwijs zijn en zeggen: dat kán niet. Als God van jou, van u kan houden en dat doet Hij, dan moet U maar eens goed graven en kijken, net zolang tot u, tot jij je eigen aardige kanten hebt ontdekt. En dán kunnen we verder praten.

Want God is niet maar een Schepper van hemel en aarde, die het wel voor gezien houdt, Hij is wezenlijk bij ons betrokken.

We zagen in de eerste lezing die helemaal aan het eind van de Joodse bijbel staat, hoe het volk en Zijn tempel God aan het hart gaan, en hoe Hij maar bezig blijft met waarschuwen, met vragen om aandacht, om liefde.
Maar als het volk én zijn leiders hardnekkig ‘nee’ blijven zeggen, dan respecteert de Heer dat ook. Dan accepteert Hij het dat ze geen contact willen. Dat ze Zijn volk niet willen zijn, maar dan is er voor hen in het Land van de Belofte ook geen plaats, en dan is er geen ontmoeting meer mogelijk in de tempel, die de tent van de samenkomst vervangen heeft. De tempel kan worden afgeschaft. Het volk dat deze keuze heeft gemaakt wordt afgevoerd.
Ze hebben er om gevraagd.
Juist door God niet serieus te nemen…
En van wie veel weet wordt veel gevraagd is een oud gezegde.
Wie God kent of kan kennen, en geen interesse heeft, zal zich moeten verantwoorden.
Maar tegelijkertijd is er steeds weer die dringende oproep ons te laten verzoenen met God. Het weer goed te maken.
Terug te keren en God en Zijn geboden weer serieus te nemen…
En we zagen in het verhaal uit Kronieken hoe niet alleen de mensen en de tempel God ter harte gaat, maar ook het land, dat heeft geleden onder de uitbuiting en geldingsdrang van de mensen.
In de voorschriften staat dat het land om de zeven jaar braak moet liggen, en dat het vijftigste jaar helemaal alle verhoudingen hersteld moeten worden: het land dat is gekocht en verkocht, moet weer terug naar de oorspronkelijke eigenaars, in elk geval naar de stam waartoe het behoorde.
Ook wie zichzelf of de kinderen als slaaf had verkocht vanwege de schulden, moest weer vrij komen. Het jubeljaar begint met de grote Verzoendag die de eerste voorwaarde is. En die begint met het blazen op de ramshoorn, de jobeel, zo komt het jubeljaar aan de naam.
De Heer gaf dan de gelegenheid om schoon schip te maken. De zonden en de schulden die een nieuw begin in de weg stonden, wilde Hij vergeven in Zijn genade.
Zo is Hij  de Schepper van een nieuwe toekomst. Maar niet alleen voor de mensen, ook voor het land! Heel de schepping heeft deel aan de genade en de verzoening, die plaats vindt door het leven van een offerdier.
En we lezen dat het land 70 jaar braak zal liggen, tot alle uitbuiting door de mensen die alleen op eigen gewin uit waren, is ingehaald. En geboet. Het land komt tot rust, omdat de mens, die het mishandelt, is weggehaald. Dat geeft te denken!

Voor ons is dit een bijzondere tijd, we leven naar de Goede Week toe, en we zijn ons bewust van de kleur van deze tijd, de kleur van bezinning en inkeer die voorafgaat aan elke mogelijke verzoening. Voor ons is Jezus het offerdier, dat onze zonden op zich heeft genomen. Vrijwillig.
Om ons vrij te maken tot de ontmoeting met God. Om verzoening mogelijk te maken.
Zo worden wij een nieuwe schepping, mensen met nieuwe opdrachten en nieuwe mogelijkheden.
En tot die opdrachten en mogelijkheden behoort de dienst der verzoening

De eerste stap is ons met God te laten verzoenen door Jezus Christus onze Heer.
Dat is de voorwaarde. Anders is er voor ons geen plek in het Godsvolk, en geen plek in het Rijk van God.
Wij bidden regelmatig: Uw Rijk kome, maar dat betekent niet: nou Heer, doe er eens wat aan! Dat zou je wel kunnen denken in de versie van de NBV die we straks zullen bidden. Ik hoor graag hoe dat voor u voelt…
Maar het betekent als we dat bidden: Uw Rijk kome, dat we onze eigen verantwoordelijkheid daarin niet willen ontlopen. Het betekent ook dat we telkens weer moeten toevoegen: het is niet helemaal gelukt zoals de bedoeling was. Ik ben tekort geschoten tegenover U, en tegenover de mensen om mij heen, tegenover het land en de dieren die aan onze zorg zijn toevertrouwd evenzeer.  Dat ís nogal wat!
Maar God is genadig. En als wij die genade willen aanvaarden, dan is de verzoening een feit. Dan kunnen we ook iedere dag als nieuwe mensen met nieuwe mogelijkheden tegemoet zien.
En daarin past de dienst der verzoening.
We hebben het wel over Christenen als mensen die Jezus volgen.
Volgen wij Hem ook echt op weg naar het kruis waar Hij verzoening koopt ten koste van Zijn leven? Hebben ook wij ons leven over voor de naaste? Echt?
Enne… hebben wij onze naaste ook zó lief, dat wij bereid zijn om met onze naaste te delen wat wij hier ontvangen?
Kijk, dan zijn wij een volk van priesters en gelovigen zoals God zo graag ziet.

’t Is niet altijd makkelijk.

Het gaat niet op een koopje.
En je kunt niet van twee walletjes tegelijk eten: een beetje verantwoord leven, en een beetje voor jezelf leven.

God vraagt onze hele inzet. Maar dan krijg je er wel wat voor terug!
Hans wist dat zijn vader genadig was.
En daarom durfde hij er op af te gaan.

Hans komt van Johannes: God is genadig.
Vandaar die naam.
De verloren zoon ging niet verloren, omdat hij die genade zocht. Er op hoopte. Er op rekende misschien.
Er in elk geval om durfde en wilde vragen.

En zo mogen ook wij rondkijken in ons eigen leven, en denken: waar zijn we mee bezig?
Ik heb gezondigd tegen God en mensen, en daar gaan we wat aan doen!
God, help me!
Is het u ook opgevallen dat de oudere broer niet heeft willen vragen?

Hij heeft gewacht tot de Vader hem eens iets toe zou schuiven, en hij heeft helemaal niet begrepen dat hij had kunnen zeggen: vader, dit weekend heb ik een feestje gepland met mijn vrienden, het is zeker wel goed dat we wat lekkers nemen?
Dan had zijn vader zeker gezegd: prima kerel, kijk maar eens in de schuur, daar staat al een lam voor je klaar.

Verzoening begint met durven vragen.
Met kwetsbaar durven zijn. Met ‘nee’ kunnen zeggen tegen je eigen wensen.
Het belang van God, van de naaste en van de schepping voor je eigen belang stellen.
Ook dàt is de dienst der verzoening waartoe wij geroepen zijn.
Het grote kerkgebed van Luther dat we straks zullen bidden, heeft het over het ambt dat de verzoening predikt.
Dat is het ambt dat hoort bij het priesterschap van alle gelovigen. Niet alleen bij het ambt dat ons, die hier voor u mogen staan is toevertrouwd..
Het gaat ons allen aan.
God gaat ons allen aan.
God die van ieder van ons houdt als van Zijn eigen dochter, Zijn eigen zoon.  Hij staat met open armen op ons te wachten.
En Hij verwacht dat wij zó ook zijn in de contacten met heel de schepping.
Dan is er straks ook een nieuw begin mogelijk waar we dat niet hadden verwacht…
Zoals de kerk hier vorig jaar een puinhoop was, en nu weer straalt in volle glorie, en zoals de kerk in Pekela nu in het stof staat in de verwachting dat we er over zekere tijd weer met vreugde Gods lof mogen zingen, zo is het ook met onze levens. Ook daar is veel meer mogelijk dan verwacht. 
Gewoon doorgaan als je denkt: dit wordt niets. God staat ons bij. Op Hem kunnen we vertrouwen.
Amen.

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij kunnen daarin delen:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
geld en geduld,
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte…
Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 102
Nu eerst de Collecte

Gebed over de gaven

Heer, U hebt Uzelf aan ons gegeven,
zo willen wij ons aan U geven:
   met hart en ziel en leven.

Aanvaard ons en onze gaven tot eer van Uw Naam,
dat Uw Heiligheid erover moge stralen,
en Uw Liefde er in weerspiegeld moge worden.

Om Jezus Christus onze Heer.
Amen

Gezang 102

Nu aan het eind der dagen  heeft God de tijd vervuld,
en al zijn welbehagen  is door de Zoon onthuld.
Wat de profeten zeiden,  voor ons maakt Hij het waar.
't Geheim der oude tijden  is heden openbaar.

In Hem is al het zijnde  geroepen uit het niet.
Hij is begin en einde  van al wat er geschiedt.
Hijzelf, het stralend teken  van 's Vaders majesteit,
wil heden tot ons spreken  van Gods barmhartigheid.


Hij heeft uit al het leven  de smetten weggedaan.
De zonden zijn vergeven,  daarom spreekt Hij ons aan.
En Hij heeft, opgestegen  aan 's Vaders rechterzij,
de hoogste naam verkregen.  Daarom spreekt Hij ons vrij.



Laten we danken en bidden:
Lieve God, Wij willen U aanbidden en danken om alle goede dingen die U ons geeft naar lichaam en geest., en vooral voor de blijde boodschap die we mochten horen. Geef dat het krachtig in ons werkt, en ons een diep begrip geeft van Jezus Christus, die door Zijn dood onze gerechtigheid, door Zijn opstanding ons leven en door Zijn Evangelie onze wijsheid geworden is.
Bron van barmhartigheid, wij bidden U dat U Uw kerk met allen die haar dienen wilt bezielen door Uw Geest, opdat Uw heilig Woord er naar waarheid wordt gebracht. Dat daardoor geloof en werkzame liefde versterkt mag worden in ons allen. Zegen allen die geroepen zijn om op hun eigen plek in kerk en samenleving te dienen, en met name hen die worden opgeleid tot het ambt dat de verzoening preekt.
Ook bidden wij U voor zending, en dienst aan de naaste. Voor Israël, Uw volk, en zijn omgeving, om Uw beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan Sara, Rebekka, Rachel en Lea... Dat zij tot zegen zijn....
Wij bidden U voor koningin en vaderland, voor allen die macht en verantwoordelijkheid hebben, dat zij die mogen uitoefenen in Uw kracht en wijsheid, opdat gerechtigheid en vrede overal ter wereld moge groeien.
Zegen de opvoeders van de jeugd met liefde, vertrouwen, en gevoel voor humor.
Geef mensen eerlijk werk, en maak ons dankbaar voor het voedsel dat we dagelijks van U krijgen.
Denk in Uw goedheid aan alle mensen in nood, wij bidden U in het bijzonder voor mijnheer Stam, om kracht en gezondheid, en voor Janneke Lowes - Bos, die we nog altijd missen, en voor alle afwezigen, om welke reden ook zij er niet zijn... dat ook zij allen een gezegende zondag mogen hebben...
Geef de zieken de gratie zich aan U toe te vertrouwen en troost hen die in rouw gedompeld zijn.
Weer in Uw genade alles van ons af dat leven en geloof bedreigt.
Blijf dan bij ons, in alle voor- en tegenspoed, opdat wij in vreugde voor U leven, in Uw genade sterven en Uw Rijk binnengaan door Jezus Christus, Uw Zoon, met U en de Heilige Geest, waarachtig God, hoog geloofd in eeuwigheid.
Met Hem willen wij U danken en bidden met de woorden:
Onze Vader in de hemel,
laat Uw Naam geheiligd worden,
laat Uw Koninkrijk toch komen
en Uw Wil worden gedaan
op aarde zó als in de hemel.
Geef ons steeds weer het brood
dat wij dagelijks behoeven.
Vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij vergeven
wie ons iets schuldig was. 
En breng ons in beproeving niet,
maar red ons uit de greep van alle kwaad.

Ons slotlied is gezang 397: 1
Na de zegen zingen we in plaats van het ‘Amen’ gezang 397:2. Nu het eerste vers.


Zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart om die te spreken.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Gezang 397:2
De schaduw van uw troon omsloot
uw heiligen weleer,
bij U beveiligd is ons lot
en zeker ons verweer.
.......................................................
en dan is er koffiedrinken! :-)
.......................................................