Voor eerdere diensten klik hier:

Zondag 7 na Trinitatis 22-7-2012 in de Lutherse kerk te  Leerdam

Organist:  mw. I. Mostert speelde inspirerend.
Afkondigingen en aansteken van de kaarsen.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden.
En laat ons weer in vrede leven.

Amen.

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Introïtus:
De Antifoon voor deze zondag luidt:
Klap in de handen, o volkeren, juich God toe met jubelzang. (ps. 47:2) 

En de psalm luidt:
Geducht is de HEER, de Allerhoogste,
machtige koning van heel de aarde.
Zing voor God, zing een lied,
zing voor onze Koning, zing Hem een lied:
God heerst als koning over de volken,
God zetelt op Zijn heilige troon.. Ps 47: 3,7,9.

Klap in de handen, o volkeren, juich God toe met jubelzang. (ps. 47:2) 

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, - die is groot -
en laten wij dan ook Zijn Naam prijzen,
want Zijn barmhartigheid heeft geen einde!



Zondagsgebed:
Groot bent U o God, onze Heer, en wij aanbidden U om Uw machtige Schepping, om zon en maan en sterren, om heel deze wereld die U houdt in Uw hand door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament: Jeremia 23: 1 – 6
Het Hebreeuwse woord ra’a dat in deze lezing een sleutelrol speelt, heeft een dubbele betekenis.
We komen het meestal tegen als: weiden, herder zijn van een kudde, maar de grondbetekenis is: voorgaan, het pad voor de ander verkennen, de beste weg uitzoeken, het leven op die manier mogelijk maken voor wie aan je zorg zijn toevertrouwd.
De tweede betekenis is dan ook die van prins, koning, aanvoerder, voorganger van mensen zijn. Dat kan hier ook op de priesters slaan.
Deze tweede betekenis heeft in deze lezing de overhand, ook al spreekt de Heer over het volk in beeldspraak als over Zijn eigen kudde...    
Het stuk bestaat uit drie verschillende profetieën, daar kan enige tijd tussen zitten...

We lezen Jeremia 23: 1 - 6.
De eerste Godsspraak is:
Wee, jullie - leiders, die de kudden op Mijn weide uiteenjagen, ja, verspreiden tot over de grenzen!
Zo zegt de Aanwezige het letterlijk:

Om deze reden, zo spreekt de Aanwezige, de God van Israël, tegen de leiders:
Jullie die Mijn volk leiden, jullie jagen Mijn kudde het land uit en maken het ze moeilijk, en zorgen voor ze doen jullie niet!
Wel, hier ben Ik dan, om  te zorgen dat jullie krijgen wat je verdient, precies zoals past bij jullie kwalijke manier van doen!
Zo zegt de Aanwezige het letterlijk!

En dan de volgende Godsspraak:
Ja, Ik ga zorgvuldig het restant van Mijn kudde naar Mij toe halen, uit alle streken waarheen Ik ze verstoten heb - daarginds - en Ik zal ze terug laten komen, elk naar hun woonplaats, zodat ze vruchtbaar zullen zijn en talrijk worden.
Maar over hen zal
Ik leiders aanstellen, en die zullen ze leiden, dan hoeven ze niet meer in angst en beven te zitten, en het zal ze niet meer moeilijk gemaakt worden.
Zo heeft de Aanwezige letterlijk gezegd.

En weer een volgende profetie:

Let op - nu al komen dagen - letterlijk zegt het de Aanwezige - waarin Ik David een nakomeling, een Spruit, doe opstaan,
een rechtvaardige..
Heersen zal hij als koning, zorgvuldig en verstandig, recht en gerechtigheid zal hij werkelijk doen op aarde.
In Zijn dagen wordt Juda (de lofzang) bevrijd, en Israël kan in alle veiligheid z’n huis opzoeken, en met deze naam zal men hem aanspreken:
De Aanwezige is onze gerechtigheid.

Tot hier toe deze lezing.

Onze Gradualepsalm is: psalm 27: 1 en 2


Eén ding slechts kan ik van den HEER verlangen,
dit ene: dat Zijn gunst mij eenmaal geev'
Hem dagelijks te loven met gezangen,
te wonen in Zijn huis zolang ik leef!
Hoe lieflijk straalt Zijn schoonheid van omhoog.
Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog,
aanschouwende hoe schoon en zuiver is
Zijn licht, verlichtende de duisternis.


Epistellezing:  Efese 2: 11 – 22
De apostel herinnert de gemeente aan het feit, dat ze van huis uit geen deel hadden aan het heil... En zegt:
11. Daarom, vergeet niet hoe jullie ooit naar het vlees de (heiden)volken waren, onbesnedenen genoemd, onder hen die genoemd worden: de met de hand besnedenen - in het vlees.
12. Omdat jullie in die tijd nog steeds apart van Christus waren, en geen deel uitmaakten van Israëls gemeenschap, en vreemd waren aan de bondgenootschappen van de belofte, geen hoop hadden, en God-loos in de wereld (stonden).
13. Maar nu, in Christus Jezus, zijn jullie, die ooit randfiguren waren, er nauw bij betrokken, in het bloed van Christus.
14. Want Zelf is Hij de vrede tussen ons, Hij die beiden een maakt, die de barrière van de scheidsmuur vernietigt, de on-enigheid - in Zijn vlees.
15.  Doordat Hij de  wetmatigheid van de (10) geboden in starre voorschriften te niet deed, opdat Hij de   twee (partijen) in Hem tot een nieuwe mens kon scheppen, en al doende vrede brengen...
16. en opdat Hij beiden in een Lichaam zou verzoenen met God, door het kruis, en zo doende daarin de on-enigheid zou doden....
17.  Ja, bij Zijn komst bracht Hij de blijde boodschap van vrede, voor jullie aan de rand, èn van vrede voor hen die er nauw bij betrokken waren...
18. Want door Hem hebben wij beiden in een en dezelfde Geest toegang tot de Vader.

19. Weest daarom geen vreemden en voordeurdelers meer, maar wees samen met de heiligen deel van de gemeenschap, en leden van Gods gezin.
20. waarbij jullie opgebouwd worden op het fundament van de apostelen en profeten, (een fundament) waarvan Christus Jezus Zelf de hoeksteen is.
21. (De hoeksteen) waarop heel het aaneengevoegde bouwwerk groeit tot een Heilige Tempel in de Heer
22.  waarin ook jullie mee ingebouwd worden tot Gods woning, in de Geest.

De Psalmist roept op: Halleluja: Kom, laten wij jubelen voor de HEER, juichen voor onze rots, onze redding.(ps. 95:1). Halleluja!


Wij zingen uit TussenTijds nr. 6: 1, 2 en 6

Dit Woord komt tot ons op de wind.
Het zoekt een huis, een wijs. Het vindt
gehoor bij mensen, onderdak.
Dit Woord dat God van oudsher sprak.

O Woord, zo lang ons toegedaan,  
zet ons opnieuw tot zingen aan:    
Gezegend, hier en overal     
Die is, die was, die komen zal

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij Marcus 6: 30-44
In Marcus 6 staat het verhaal van Jezus’ ontvangst in Zijn geboortestreek. Men geloofde Hem niet, omdat ze hem toch kènden: een gewone jongen uit de buurt... Alleen een paar zieken genazen, omdat zij Hem wel wilden geloven.
Vervolgens zendt de Heer Zijn leerlingen er 2 aan 2 op uit, om te verkondigen dat Gods tijd aanbreekt, en dat men zich bekeren moet - ook zij genezen en zalven en hebben macht gekregen over demonen.
Dat is een teken , een levende gelijkenis, dat het werk van Jezus doorgaat, ook als Hij Zelf door ongeloof of straks door dood, Opstanding en Hemelvaart niet meer Persoonlijk onder de mensen rond kan gaan.
We lezen in vers 30:


30. En de  apostelen kwamen bij Jezus samen en ze brachten Hem verslag uit van alle dingen die ze gedaan hadden en waarover ze gepreekt hadden.
31. Dan zegt Hij tegen ze: "Gaan jullie maar onder elkaar naar een afgelegen plaats, en neem een beetje rust".    
Want de hele tijd was het een gaan en komen van  veel mensen, en ze hadden zelfs geen moment om te eten.
32. Nu, ze gingen met de boot weg, naar een afgelegen plaats, onder elkaar.
33. Maar… men zag hen weggaan, en velen kregen er weet van, en te voet renden ze uit alle steden daarheen te hoop. Ja, ze gingen naar hen toe...
(Kennelijk is Jezus daar ook heen gekomen, want het verhaal gaat zó verder:)    
34. Toen Hij dan naar buiten kwam, zag Hij een talrijke menigte, en Hij werd getroffen door een gevoel van meeleven met ze, - want ze waren als schapen die geen herder hadden - en Hij begon ze velerlei dingen te leren.

35. Toen het al behoorlijk laat geworden was, kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden:     
'Verlaten is deze plaats, en het is al behoorlijk laat.
36. Laat ze toch gaan, zodat ze onderweg naar de boerderijen en dorpen rondom, zich wat te eten kunnen kopen'.
37. Maar Hij gaf ze ten antwoord: “Geven jullie ze te eten.” En ze zeggen tegen Hem: ‘Zelfs al zouden we voor 200 daglonen brood gaan kopen, konden we ze dan wel te eten geven?’
38. Dan zegt Hij tegen ze: “Hoeveel broden hebben jullie? Ga eens kijken!” En als ze het weten zeggen ze: ‘Vijf, en twee vissen’...
39. En Hij gaf ze opdracht hen allemaal groepsgewijs op het groene gras te laten zitten.
40. Zo zaten ze in regelmatige groepjes van 100 en van 50 man klaar om te eten.
41. Terwijl Hij nu de vijf broden en de  twee vissen oppakte, en omhoog keek, naar de Hemel, sprak Hij de zegen uit, en brak Hij de broden in stukjes en gaf Hij ze aan de leerlingen, dat die ze aan hen zouden voorzetten... en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.
42. En ze aten allemaal tot ze genoeg hadden.
43. Ze haalden nog twaalf manden vol met brokken op, en ook nog vis.
44. De eters, dat waren 5000 man(nen)!

Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Credo
: In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden door te spreken/zingen:

Ja, God is goed, schenkt ons Zijn zegen;
toont ons Zijn aanschijn van licht.
Hij gaat ons voor op alle wegen,
heeft uit de zonde ons opgericht. refr.:

Hij is de God, die ons verblijdde,
die onze nood heeft verstaan;
die ons een hemels Paasmaal bereidde
en zonder vrees door de wereld laat gaan. refr.:

Laat alle volken Uw almacht vrezen,
aller lof zij U gewijd,
laat, Heer, Uw naam bezongen wezen
in aller eeuwen eeuwigheid. refr.:

Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve gemeente,

Je kunt op verschillende manieren ver van huis zijn. In deze vacantie-periode spreekt dat vanzelf, en sommigen van u hebben al vacantie gehad, anderen gaan misschien nog, al zijn er natuurlijk ook nog velen voor wie dat niet is weggelegd.
Ach, met een beetje mooi weer is het zelfs in Balconia nog goed toeven… in de tuin, op het balkon, even de dingen anders doen dan normaal, mensen kunnen ook met weinig heel creatief zijn.

Maar ik dacht nu eigenlijk meer aan hen die onvrijwillig ver van huis zijn.
We horen over stromen vluchtelingen die in Afrika door het land trekken, en nu zijn er weer veel vluchtelingen die van Syrië naar Turkije proberen te gaan… Ook zijn er mensen die door natuurgeweld, bosbranden hier, geweldige stortregens daar, hun huis moesten verlaten.

En het volk van God, waarover wij in de eerste lezing hoorden, was ook ergens terecht gekomen, waar ze absoluut niet hadden willen wezen.
Niet vrijwillig, zelfs niet op de vlucht, maar ze zijn als gevangenen weggevoerd, en ze hebben heel die lange tocht, honderden kilometers, moeten lopen.
En wie dat niet kon, die overleefde het niet.

Ook de mensen in de gemeente van Efese, (en misschien wel die in de gemeente Leerdam?), waren ooit ver van huis.

Wij staan er niet zo bij stil, maar voor Jezus' leerlingen sprak het helemaal niet vanzelf dat buitenlanders ook wel eens bij Gods volk zouden kunnen behoren.
Je kunt je zelfs afvragen of Jezus wel direct begrepen heeft dat het heil dat Hij bracht ook buiten Israël zou gelden.
Dat is een ontdekking die je Hem gaandeweg ziet doen, tijdens de drie jaar die Zijn evangelisatietournee hier op aarde duurde.
Ja, zélfs voor Paulus, de apostel der heidenen, waar wij, gezien door Joodse ogen, nog altijd toe behoren, naar het vlees, zoals Paulus schrijft, naar het lichaam dus, zelfs voor Paulus spreekt het in het begin helemaal niet vanzelf dat de buitenstaanders mee mogen doen. Integendeel!
En hij wrijft het de gemeente in Efese fijntjes ín dat dit een Godswonder is, een grote genade.
Alleen omdat Jezus in Zijn menselijke lichaam ondragelijke pijnen, vernederingen, en de dood heeft willen doorstaan, mogen wij deelhebben aan het Oude én het Nieuwe Verbond, in Jezus' bloed.
Laten wij dus niet denken dat het allemaal heel gewoon is dat wij er bij horen, en laten we ook niet neerkijken op onze oudere broeder Israël, ook al hoeven we het absoluut niet ééns te zijn met wat ze daar allemaal uitspoken.
In Christus zijn wij een, zij en wij behoren bij het Ene Lichaam, dat dus meer is dan alleen de kerk, en dat verder gaat dan Kerk-en-Israël.
Gods Volk op aarde, dat ooit Gods Volk in alle Eeuwigheid zal wezen.
En omdat ook wij hier in Leerdam mogen aanschuiven aan de tafel die de God van Israël en heel de aarde heeft bereid, mogen wij delen in Gods goede gaven. In brood en wijn, maar ook in brood en vis.
Voordat wij in Jezus tot een eenheid werden gesmeed, waren wij ver van God, en waren we dus ver van Huis.
Want zonder God zijn wij de weg kwijt, ook al zijn wij nóg zo knap in velerlei wetenschappen, zonder God zijn ook wij als een kudde zonder herder, als een volk waarvan de leiders niet deugen.

Ik geef toe: in bijna heel Europa denken de burgers dat de leiders niet deugen. In veel landen gaan ze de straat op om te protesteren tegen de gevolgen van de economische crisis, een crisis die te wijten is aan het feit dat wij mensen de neiging hebben altijd meer te willen. En soms is de prijs die je daar dan later voor betaalt, of die anderen daarvoor moeten betalen, hoger, veel hoger dan je lief is.

En inderdaad, voor velen gaat het nu om het dagelijks brood dat ontbreekt. Om de kinderen die zonder een behoorlijk ontbijt naar school gaan, niet omdat de ouders te lui zijn om ze dat voor te zetten, maar omdat het ontbijt er gewoonweg niet ís. Of straks de warme maaltijd.
Ook in Leerdam is er een voedselbank, aan de Talmastraat. Jammer genoeg is die brood-nodig.

Maar als mensen leven wij in wezen niet van brood alleen, niet van dit dagelijks brood voor vandaag en morgen, waar we in het Onze Vader om lijken te bidden, maar we leven van ieder woord dat van God uitgaat, staat er in Mattheüs 4:4.
Geef ons steeds weer het brood dat wij dagelijks behoeven, verwoordt de Nieuwe Bijbelvertaling de bede in het Onze Vader. 
Maar als je goed leest staat er in het Grieks méér dan dat. Het Griekse woord E
πιουσιον dat daar staat, kun je vertalen als het voedsel dat er wezenlijk bij hoort.

Hoe moet je dat zien?
Als jam op de boterham, als vis bij het brood?
Jezus zegt ergens dat je om dat soort dingen niet hoeft te vragen, omdat onze Hemelse Vader al wéét wat wij als mens nodig hebben.
Hij weet ook wat wij nog méér nodig hebben…
Jezus is immers Zelf het hemelse brood, dat door de Vader is gestuurd, zoals het manna, dat dagelijks in de woestijn voor het oprapen lag, zoveel en zolang de mensen het nodig hadden?

Ik ga even terug naar Jeremia...
De mensen in de ballingschap kregen de belofte dat God Zelf voor ze zou zorgen als een Herder.
En dat Hij ook een menselijke herder zou sturen, ene Tsedekia, wiens naam betekent: de Aanwezige is mijn Gerechtigheid. Als ze dat zagen, zou het volk vol vertrouwen kunnen beamen: de Aanwezige is onze Gerechtigheid. En zo is het ook gebeurd.
Later heeft de kerk deze tekst herkend als een belofte waarop ook Jezus, onze Gerechtigheid, de vervulling is.

Voor hen die hongeren en dorsten naar Gerechtigheid is het dagelijks brood echter niet voldoende.

Voor de tijdgenoten die op zoek gingen naar Jezus en naar Zijn leerlingen ging het daar ook niet om.
Zij wilden antwoord op de vragen van het leven.
Zij waren de weg naar God kwijt, en daarmee meteen de weg naar zichzelf en naar de ander.

Het beeld dat wij van God hebben, bepaalt ook heel erg hoe wij naar onszelf en naar onze medeschepselen kijken. Dat kunt U zich wel voorstellen.
Het maakt een heel verschil of je hebt geleerd dat God reuze streng is en dat je heel erg moet uitkijken dat je geen fouten maakt, want dan zwaait er wat, dan kom je in de hel, daar word je geen blij mens van, of dat je hebt geleerd dat God van mensen houdt, en dat Hij mild en genadig is. Dan zul je zelf veel makkelijker het goede zien in de ander.
Jezus laat uit de Schriften telkens weer zien–ook in het verhaal dat we vandaag hoorden in het Evangelie– hoe God wezenlijk is.
Hoe God er wezenlijk bij hoort.
Hoe het leven pas goed kan zijn wanneer wij mensen God aanvaarden als de Heer en Koning van ons leven.
Want daar gaat het de hele lieve Bijbel lang over.

Omdat zij dit weigerden, heeft de Heer het volk in ballingschap laten gaan. Maar toen ze spijt kregen, heeft Hij ze beloofd dat het weer goed zou komen, dat ze terug mochten naar hun land.
Al zou dat niet zonder slag of stoot gaan.
Wie denkt dat het leven aan Gods hand altijd makkelijk is, heeft het mis. Maar het is de moeite waard!

Maar goed, ik kom nog even terug op het Onze Vader, en dat moeilijke Griekse woord…
Vader, geef ons het voedsel dat er wezenlijk bij hoort. Dat is meer dan brood en kaas, melk en honing. Dat gaat om hogere zaken.

Dat moet gaan om brood en wijn, om Gods intieme Aanwezigheid in ons leven. Dat gaat over samen aan tafel zitten en weten dat wij zondaar en begenadigd zijn, dat wij mens zijn en kind van God.

En dan begrijpen we ook dat Jezus niet bedoelde dat de leerlingen bij de bakker brood zouden halen voor al die mensen. Maar dat ze moesten leren begrijpen dat het leven volkomen verandert wanneer God in het midden staat.
Wanneer het draait om Hem

Ja, ze waren het land rond geweest, ze hadden genezen en gepreekt, ze hadden mensen opgeroepen zich tot God te bekeren, maar of ze het zelf helemaal hadden begrepen, dat is de vraag die Jezus ze hier leert stellen.

Van God houden betekent: niet de ander weg sturen, zodat die zichzelf maar moet kunnen redden, maar het betekent van de ander houden zoals van jezelf, en dus: jezelf en wat je hebt délen met God en de ander. Zoals we dat doen bij het Avondmaal.

Wanneer Jezus die avond het brood breekt en Zijn Vader dankt en zegent om de goede gaven, is God daar aanwezig. En dan wordt de schepping gezegend, zodat er genoeg is voor iedereen.
Ik denk zomaar dat de leerlingen, die later naar Emmaüs gingen, er wel bij geweest kunnen zijn.
En dat ze zich herinnerden hoe Jezus de mensen moed had ingesproken, de bijbelteksten had uitgelegd, hoe Hij daarna het brood had gebroken, en de Vader had gezegend en geloofd. Zoals de Onbekende het toen bij hen had gedaan, die avond.
Herkenden ze Hem daar aan, of zagen ze de littekens op Zijn polsen, toen Hij het brood brak en dankte? Wij zullen het voorlopig niet weten, maar we weten wel hoe deze ontmoeting hen uit de put haalde, en hoe ze opeens de energie kregen om terug te gaan naar Jeruzalem, en het verhaal van hun ontmoeting met Jezus te delen met de zusters en broeders daar.

Want opeens weten ze het: waar mensen brood delen met elkaar, en waar ze over God en de Bijbel spreken, daar is Jezus Zelf aanwezig.
Waar wij samen bidden: Onze Vader, geef ons heden het dagelijks brood, daar vragen wij om meer dan een boterham met kaas, om meer dan voedsel voor het lichaam, daar mogen we vragen om voedsel voor lichaam en ziel.
En het zal er zijn. Genoeg voor iedereen.
Er blijft over om aan heel het volk uit te delen.
Gods eigen voedselbank
Dat zijn wij.
Hij stuurt ook u en mij er op uit om te delen wat we hebben. Ook dat kleine beetje geloof, die paar broodjes en visjes zijn genoeg om velen te voeden.
Geloof het maar. En dóé maar! De Geest zal ons de woorden wel geven. Amen.


Orgelmuziek (Heel toepasselijk: gezang 252 "Wat zijn de goede vruchten".)

Nu is het tijd voor de collecte. Voor de gemeente en voor Onderhoudsfonds. Ook dat is nodig.
Laat het een offer zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt, om Gods liefde in onze Heer Jezus.

Na het gebed over de gaven zingen wij:  gezang 241 helemaal.


Collecte

Offerandegebed
Grote God, vol eerbied komen wij tot U met onze gaven. Wil ze aanvaarden, wil ons aanvaarden. Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Gezang 241


Geef, kostbaar licht, ons uw helderheid,
dat wij Christus kennen voor altijd.
Leer Gij ons te bouwen op die Getrouwe,
die ons 't vaderland heeft doen aanschouwen.
Kyrieleis.

Geef, heilge liefde, uw overvloed,
doe ons hart ontvlammen in uw gloed,
dat wij een van zinnen elkaar beminnen,
alle twist en tweedracht overwinnen.
Kyrieleis.

Geef, hoogste Trooster in alle nood,
dat wij nimmer vrezen schande of dood,
dat wij niet versagen ten laatsten dage,
als de vijand zelf ons aan komt klagen.
Kyrieleis.

Voorbeden:
Laten we danken en bidden:

Lieve God, wat is het toch heerlijk dat U zoveel om mensen geeft. Dank U wel voor het Evangelie dat ons weer is verteld, voor de beloften die U in Jezus hebt vervuld, en voor Uw Trouw en Gerechtigheid, die maken dat het leven goed is, wanneer U er bent.
Wij bidden U voor alle mensen die tekort komen, die ontberingen lijden naar lichaam en geest.
Wil heel dicht bij hen zijn, allereerst met Uw Heilige Geest, en dan ook door mensen om hen heen, die kunnen helpen en bijstaan.
Waar wij die mensen mogen zijn: stuur ons aan en leid ons in alles wat we mogen delen en geven.
Laten wij de Heer bidden!
Heer, ontferm U!
Lieve God, wij danken U omdat wij hier in ons veilige landje mogen leven, in alle vrijheid Uw Naam belijden, en het nog steeds goed hebben, vergeleken met de rest van de wereldbevolking.
Toch hebben ook hier mensen grote problemen, en wij bidden U voor allen die geroepen zijn om leiding te geven aan het land en aan gemeenten, om te regeren als dienst aan U. Zoals onze Koningin erkent dat zij slechts regeert om te dienen bij de gratie Gods, geef Uw Geest aan allen die macht uitoefenen, opdat ook zij een geest van dienstbaarheid mogen ontwikkelen, om kwetsbare mensen te steunen en te helpen.
Laten wij de Heer bidden!
Heer, ontferm U!
Lieve God, dank voor Uw Zoon, die voor ons zulke offers heeft gebracht. Blijf ons steeds nabij met de Geest die onze Heer Jezus ons zond, zodat U in het midden van ons bewustzijn blijft, en dat U ons voedt met de gaven van Uw Geest.
Wij danken U voor de mensen in deze gemeente die blij en tevreden mogen zijn, we denken aan mevrouw Van der Koppel, die vandaag haar verjaardag mag vieren…
Maar we bidden U ook voor hen die verdrietig zijn, en die het leven zwaar valt.
In het bijzonder bidden wij U voor mevrouw Van Meurs en haar zoon, die nog steeds zo ziek is…
Wil hen, en alle ander zieken in onze gemeente
en in onze eigen levens, bijstaan en kracht geven, voed hen naar lichaam en geest... 

En samen bidden wij het gebed dat onze Heer ons leerde:
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven
En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade 


Ons slotlied is:  gezang 242: 1, 4 en 6. Na de zegen zingen we het laatste vers. 

Gij liefdevuur van God,  kom ons geheel doordringen.
Voeg hart en zin tezaam  en heilig alle dingen.
Bij 's Heren liefdemaal  zult Gij aanwezig zijn.
Vorm ons naar Christus' beeld,  door woord en brood en wijn.

Vul aan wat ons ontbreekt,  want stukwerk is ons pogen.
En wat ons afleidt van  de vrede uit den hoge,
laat dat, verheven licht,  in vuur en wind vergaan.
Houdt Gij ons staande door  het wonder van Gods naam.

Zegen 
De Heer dezer wereld moge Koning zijn in onze harten.
Gods welbehagen in mensen moge ook aan ons zijn af te lezen.
Het licht van God moge ons leven doorstralen.
Daartoe zegenen ons de vader, de Zoon en de Heilige Geest! Amen.