Voor eerdere diensten klik hier:

Zondag 4 na Trinitatis 23 juni 2013 in de Lutherse kerk in Zeist.


Organist: J. Lijftogt.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.  
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer              
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven.
Amen

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons introïtuslied is uit Tussentijds nr. 19

Zingt van de Zoon, licht voor onze ogen,
bron van geluk voor wie Hem wil geloven:
luistert naar Hem het woord van alzo hoge:
houdt Hem in ere!

Zingt van de Geest, adem van het leven.
duurzame kracht die mensen wordt gegeven:
waar wij ook gaan, wij hebben niet te vrezen:
houdt Haar in ere!

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, - die is groot -
maar laten wij dan ook Zijn Naam prijzen, - die is zéér groot! – (laten wij die prijzen)
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!



Zondagsgebed:
Heer, die ons hart roept, opdat wij U ons leven wijden, het leven dat U ons hebt gegeven, tot Uw eer
wij danken U voor Uw toewijding, voor Uw genade

door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament:  

Jesaja 65: 1 – 9

Vanmorgen lezen we twee profetieën, voor twee soorten gelovigen die worden aangesproken en aangeduid. De geleerden nemen aan dat deze woorden zijn gesproken na de Babylonische ballingschap, zo tussen 521 en 510 voor Christus.
De mensen die zijn teruggekomen uit ballingschap vielen in verschillende groepen uiteen.
De ene groep, die het eerst wordt aangesproken, is blij terug te zijn, en richt zich helemaal op de herbouw van het land en het eigen leven. Ze zijn uiterlijk wel godsdienstig, zij vragen ook om orakels en zo, maar trekken zich er in wezen niets van aan.
Ja, sterker, ze doen gewoon mee aan de afgodendienst van het land. Daarmee staan ze in de lijn van hun voorouders, die juist om die reden in ballingschap gestuurd zijn.
De tweede groep bestaat uit de wezenlijk gelovigen, voor wie de herbouw van de tempel gaat vóór de eigen situatie, en voor wie God een levende werkelijkheid is, Wiens Aanwezigheid alleen nog maar niet voor hen zichtbaar is, doordat de tempel nog niet geheel herbouwd is.      
We  lezen de eerste en de tweede profetie.      
God zegt:

Ik word gezocht door mensen die Mij niet willen vinden.    
Ik ben Aanwezig voor wie niet naar Mij vragen.
Ik heb gezegd: Hé, hier bèn Ik, híer ben Ik! tegen een volk, dat Mij niet bij name noemt.
De hele dag sta Ik met wijd uitgespreide armen (klaar) voor een volk dat dwars ligt, dat niet de goede weg bewandelt, maar hun eigen gedachten achterna gaat.
Het volk dat Me dagelijks treitert – in Mijn gezicht!
Dat offers brengt in de tuinen[1] - en wierook brandt op de tegels[2]...
Dat huist tussen de graven en overnacht op verborgen plekken...       
dat varkensvlees eet, ja, afschuwelijke dingen op zijn bord heeft.
Dat zegt: ‘Blijf waar Je bent, nader me niet, want ik ben onbereikbaar voor Je.’    
Dat soort dingen maakt dat Ik bries van woede, een vuur dat heel de dag brandt....
Hier is het: opgeschreven, dat Ik het zien kan: Ik zal Me niet meer inhouden, integendeel, Ik zal het ze betaald zetten, Ik zal het ze betaald zetten en in de schoot werpen.
Jullie zonden en, zegt de Aanwezige, de zonden van jullie voorvaderen er boven op, die wierook brandden op de bergen en die op de heuvels Mij de les lazen, nou, Ik zal je je verdiende loon in de schoot werpen voor wat er vroeger gebeurde!   
(En dan een volgende profetie voor de andere groep:)

Zo spreekt de Aanwezige, zolang de nieuwe wijn verborgen is in de druiventros, zegt men, zal die niet bederven, maar is er zegen op, zo zal Ik doen vanwege Mijn knecht, opdat niet het geheel bederven zal.
Ik zal uit Jacob een nageslacht doen voortkomen, en uit Juda een erfgenaam voor Mijn berg. Ja, Mijn uitverkorenen zullen hem in bezit nemen, en mijn knechten zullen daar waken en wonen.
Tot hiertoe de eerste lezing.

[1] De Adonistuintjes, vruchtbaarheidsgoden, bloeien en verwelken en weer opbloeien – natuurcyclus.

[2] van de afgodstempels

Onze gradualepsalm is psalm 98: 1 en 4


Laat alle zeeën, alle landen  Hem prijzen met een blij geluid.
Rivieren klappen in de handen,  de bergen jubelen het uit.
Hij komt, Hij komt de aarde richten, Hij komt, o volken weest verblijd,
Hij komt Zijn koninkrijk hier stichten,  Zijn heil en Zijn gerechtigheid.

Epistellezing: Galaten 3: 26 – 29 (Het Boek)
In het stuk hiervoor gaat het over de belofte van God aan Abraham, en over de wet, die de mens het verschil duidelijk moest maken tussen wat wel en wat niet zonde was. Maar door Christus leven wij in een heel nieuwe situatie. Wij lezen:
26 Door het geloof in Christus Jezus bent u allemaal kinderen van God geworden.
27 Door de doop in Christus bent u één met Hem geworden; u bent als het ware omhuld door Hem.
28 Er kan nu geen sprake meer zijn van Jood of niet-Jood, van slaaf of vrij man, van man of vrouw; want in Christus Jezus zijn wij één geworden.
29 Als u een deel van Christus bent, bent u ook kinderen van Abraham en dan is wat God hem beloofde, ook voor u.

Terecht zegt de psalmdichter dan ook: Halleluja. Vestig uw hoop op God, eens zal ik Hem weer loven, mijn God die mij ziet en mij redt! (psalm 43:5b)  
HALLELUJA!


Ons lied is gezang 251
 
Uit alle kerken komen  wij om U saam.
Gij schrijft door onze dromen  Uw grote naam,
o God die uit de wolken  daalt in de tijd,
een licht voor alle volken  in eeuwigheid.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij:  Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 8 : 26 – 39
Het verhaal speelt net na de storm op het meer.
Jezus laat zien dat Hij Heer en Meester is over de natuurelementen. Het verhaal staat in een serie van gebeurtenissen, waarmee Lucas laat zien dat Jezus Heer is over alle terreinen van het leven.
In het nu volgende verhaal zien we dat Hij ook voor geesten en geesteszieken te sterk is. Nadat de storm gestild was, gaat het verhaal verder. We lezen Lukas 8: 26 – 39 waar de Heer iemand ontmoet, die in veel doet denken aan de mensen die in de eerste profetie van Jesaja werden aangesproken…
En die uiteindelijk de woorden van de psalmist zeker van harte zal kunnen meezingen! Er wordt hier gesproken over de streek van Gerasa, het land der Gadarenen. Gerasa of Gadara (Um Qais, Jordanië), was mogelijk gelegen op een bergtop, een kleine 10 km ten Z-O van het meer van Galilea, en was de hoofdstad van de Romeinse provincie Peraea. De stad begon zich te ontwikkelen rond 64 voor Chr.  Gadara had een grote Joodse bevolking, en eigen geld. Een belangrijke streek dus! 

26. Ze gingen aan land in de streek van Gerasa, dat is aan de overkant van Galilea. (Ook wel land der Gadarenen)
27. Maar toen Hij uitstapte kwam Hij op het land een man uit de stad tegen, die last had van demonen.
Al tijden lang deed hij geen kleren aan, en hij huisde niet in een woning, maar tussen de graven.

28. Toen hij echter Jezus zag, wierp hij zich krijsend voor Hem op de grond en riep luid: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van de Allerhoogste? Ik smeek U dat U me niet martelt en verhoort.
29. Want natuurlijk droeg Hij de onreine geesten op om uit de man weg te gaan. Immers: heel wat keren had men hem met geweld gegrepen, en dan was hij met kettingen en voetboeien vastgebonden, en bewaakt, maar dan werd hij door de demon naar de eenzame plaatsen gedreven, terwijl hij de boeien kapot brak.
30. Maar Jezus ondervroeg hem: “Wat is je naam?” Hij zei: 'Legioen', want menige demon was bij hem binnen gegaan.
31. En hij deed een beroep op Hem (op Jezus) dat deze hen niet zou gebieden weg te gaan, naar de bodemloze hel.

32. Nu was daar een tamelijk grote kudde varkens aan het grazen op de berg, en toen deden ze een beroep op Hem, dat Hij ze toe zou staan in die (dieren) binnen te gaan. En dat stond Hij ze toe.
33. Toen de demonen uit de man weg gingen, gingen ze de varkens binnen, en de kudde stórmde langs de helling op het meer af, en verdronk.
34. Toen de herders zagen wat er gebeurde, vluchtten ze en ze brachten verslag uit in de stad en op het land.
35. Men ging er op uit om te zien wat er gebeurd was, en kwam bij Jezus, en vond de man, waar de demonen uitgegaan waren, gekleed en bij zinnen, zitten aan de voeten van Jezus, en de angst sloeg hen om het hart.
36. Zij die het gezien hadden brachten hen verslag uit hoe de bezetene gered was.
37. En heel de menigte uit de streek van Gerasa vroeg Hem bij hen weg te gaan, want ze voelde zich beklemd door grote angst; Hij nu ging aan boord van het schip en ging terug.

38. De man uit wie de demonen verdwenen waren sméékte Jezus bij Hem te mogen blijven, maar Hij stuurde hem weg met de woorden:
39. “Ga terug naar je huis, en vertel uitgebreid wat God voor je gedaan heeft.”      
En hij gíng weg, en verkondigde heel de stad door wat Jezus voor hem gedaan had.

Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Credo:  In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden:
Wij geloven in God - Schepper van hemel en aarde.
Heer over alle machten
Die om ons van alle macht heeft afgezien
en in Jezus de prijs heeft betaald voor onze overtredingen.
Die in eenvoud tot ons kwam,
en werd verraden en vermoord - gekruisigd...
maar Hij overwon de dood!
Na drie dagen opgestaan ten leven
verscheen Hij aan vriend en vijand;
weer in Zijn hemels rijk terug zond Hij Zijn Geest
die ieder mens bezielen wil tot leven in de Heer.
Tot  een geméénschap van heiligen,
door een doop, door vergeving van zonden,
tot leven in  der eeuwigheid.  Amen

Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve vrienden, broeders en zusters, in Christus.

In de brief aan de Galaten lazen wij zojuist dat wij geen onderscheid dienen te maken binnen de groep mensen die in Christus is gedoopt, en die door het geloof in Hem met elkaar is verbonden.
Een vrij mens is niet meer of beter dan een slaaf, een man niet meer of beter dan een vrouw, en een Griek niet minder dan een echte ouderwetse Jood, die vanaf Abraham al deel heeft aan het Verbond.

Maar onze ervaring is toch, dat er binnen het Lichaam van Christus, binnen die éénheid, waar de briefschrijver van uit gaat, weldegelijk een behoorlijke veelkleurigheid kan bestaan.
Mensen zijn nogal verschillend.
Van nature, zou ik zeggen.
Anders zouden wij nu niet hier kerken, maar met zijn allen in de kerk op honderd pas hiervandaan zitten. Of omgekeerd, natuurlijk.
Mensen zijn vol variatie, hebben verschillende mogelijkheden en onmogelijkheden meegekregen bij hun geboorte, en ontwikkeld door hun opvoeding of door de omstandigheden waarbinnen zij moeten of mogen leven.
En dat maakt ook dat mensen op verschillende manieren reageren op God, en op Zijn Woorden, op wat wij van God weten, voelen, ervaren, op wat er van de Heilige uitgaat.
Daarin hebben wij onze eigen beslissingen te nemen, onze eigen verantwoordelijkheden onder ogen te zien. Soms zelfs tegen onze omstandigheden in. En mensen doen dat ook.
Wij kennen allemaal de heldenverhalen, de geschiedenissen van mensen die stand houden in verdrukking, die keuzes maken ten behoeve van anderen, en ten koste van hun eigen gemak, hun eigen comfort. En soms vragen wij ons af, of wij wel van die geloofshelden zouden zijn...

Maar vanaf het begin is er altijd al verschil geweest. Toch?
Of… is het aanvulling?

Zijn wij soms als man en vrouw geschapen om iemand te hebben waarmee wij kunnen overleggen?
Om naar te luisteren? Om wijzer van te worden?
Dat zou zomaar kúnnen.
Zeker is dat in het scheppingsverhaal de mens in de ander een maatje kreeg, iemand om in de ogen te kijken, op voet van gelijkheid

In het Hebreeuws staat er letterlijk: iemand als tegenover je.

En als je goed luistert naar de tekst, en naar de context, gaat het om iemand, een mens als jijzelf, die een beetje de rol van God kan vervullen.
Iemand om mee in gesprek te gaan.
Iemand, die maakt dat wij niet eenzaam zijn.

Wij zijn daarom niet alleen aan God verantwoording schuldig, maar ook aan elkaar.
Alleen dan nu op voet van gelijkheid.
Als je het zó leest, zie je ook dat het niet gaat om mannen en vrouwen met hun eigen sekse-specifieke kwaliteiten, maar dat het er om gaat dat de mens leeft in een gemeenschap, waarbij ons doen en laten ook de ander aangaat.
Als wij nu een gemeenschap vormen in Christus, is een stuk schepping, zoals die bedoeld was, hersteld.
Laten wij dat vasthouden.

Intussen is de realiteit van alledag, dat mensen vaak meer op zichzelf dan op God gericht zijn, en daarom ook meer op zichzelf dan op de ander-zónder-hoofdletter.
Dat was in de tijd van Jesaja zo, toen God Zijn beloften waar had gemaakt, en de mensen terug had gebracht uit ballingschap, - mijn liefje, wat wil je nog meer?
Het was ook zo in de tijd van Jezus Zelf.

Wie de verhalen kent uit de bijbel, en die kent u, die weet dat er veel enthousiasme was voor Hem en Zijn boodschap, maar dat er ook heel veel tegenwerking was. Die is Hem zelfs fataal geworden.
Dit kruis hangt hier niet voor niets. Maar het is voor ons ook tot heil! 

Maar voordat het zover is, komt Jezus per schip naar de overkant. Naar het land van de Gadarenen, of de Gerasenen. Twee namen voor het zelfde gebied. De ene naam is Grieks en de andere komt uit de Aramese taal die in Jezus' dagen werd gesproken in Zijn Vaderland. Hebreeuws was voor de Synagoge.
Ongeveer zoals nu in de Moskee een Arabisch wordt gelezen, dat  door de meesten, althans in ons land, niet wordt gebruikt of zelfs vaak niet wordt verstaan. Maar dit terzijde.
Overigens zijn er ook geleerden die menen dat het gaat om twee heel verschillende steden, die ver van elkaar af liggen, maar die liggen niet aan het meer, dus die vallen af. Ook dit: terzijde.

Waar het om gaat is dit, en ik zei het al: Jezus' bezoek aan de overkant staat bij Lucas in een reeks van gebeurtenissen, die laten zien dat de Heer macht heeft over alle aspecten van het leven: over  ziekten, over de elementen als storm en wind, en nu: nu drijft Hij demonen uit in een buitengebied. Demonen heeft Hij al vaker uitgedreven, in het eigen land. Maar dit terrein ligt niet binnen het oorspronkelijke gebied dat aan de twaalf stammen is toegewezen. Ook al wonen er wel Joden.
En de bezetene, of liever: de bezetters van de bezetene, die zich samen Legioen noemen, beginnen dan ook meteen te roepen dat ze niets met Jezus te maken hebben. Hij is niet op eigen grondgebied.
U weet wel  dat in die tijd de mensen geloofden dat de goden bij de grond hoorden. Wodan en Donar hadden hun plek in West-Europa, Zeus in Grieken-land en Jupiter in Rome, al liepen die laatsten dan ook door elkaar toen de Romeinen Griekenland hadden veroverd… Heel overzichtelijk. Maar de God van de Joden had de pretentie dat Hij de hele wereld had geschapen, en ook Heer over heel de wereld was.

Wanneer Jezus nu een man in het buitenland van diens demonen bevrijdt, legt Hij namens Zijn Vader een claim op de wereld voorbij de grenzen van het oude Israël.

Het is overigens interessant, hoe de beschrijving van de bezetene uit het Evangelie, rijmt op die van de eerste groep bewoners van het Heilige land, uit Jesaja 65!
Hij huist tussen de graven, en ze eten er warempel varkensvlees! En wie weet wat voor walgelijke dingen ze nog meer opdissen! Walgelijk in Gods ogen.
Terwijl zij beter kunnen weten, want niet alleen is het Joodse land aan de overkant van het meer, dat is maar 13 km breed, er wonen ook Joden in hun midden. 
Maar ja, de Romeinse bezetters houden wel van een karbonaadje op zijn tijd, en ze zijn gretige afnemers van de varkensboeren…
En wij zien aan het eind van het verhaal, dat de plaatselijke middenstand Jezus vraagt of Hij alsjeblieft óp wil krassen, want Hij is slecht voor hun economie. Dat er een stadgenoot is genezen, dat is mooi voor hem, en een hele zorg minder, - als dit tenminste zo blijft, - maar toch… ze zouden het zeer op prijs stellen, als Jezus rechtsomkeert maakt.

Als de prijs te hoog is, zijn wij mensen niet altijd bereid om de deur open te doen voor God en Diens Gezalfde.

Toch is dit niet het laatste woord.

Ik moet nog iets vertellen over die toestand met die varkens. Onreine dieren, waar de demonen, machten die niet bij God horen, zich bij thuis voelen.
Dat legioen duivelse bezetters van deze naamloze man denkt Jezus te slim af te zijn…
Ze zijn bang dat Hij, want zo zouden ze het zélf doen, hen zal martelen totdat ze de waarheid over zichzelf en over Hem moeten vertellen.
En dan zal Hij ze zeker verbannen naar de grondeloze hel, waar ze eigenlijk thuis horen. Dus ze proberen het met Hem op een accoordje te gooien.
Als Hij hen nu gebiedt, en dat zal Hij zeker doen, om deze gastheer te verlaten, mogen ze dan hun intrek nemen in die kudde zwijnen?
Ze zien het al voor zich: een goed leventje op de zonnige berghellingen
Maar als Jezus deze smeekbede toestaat, gebeurt het onverwachte: de kudde slaat op hol en stort zich in de diepte van het meer. Dat is bijna 60 meter diep.
Wist U dat varkens normaal best kunnen zwemmen?
En toch! Toch staat er dat die hele kudde verdrinkt!
En zo zijn die demonen terecht gekomen in de afgrond van het doodsgebied.
Daar staat dit water voor.
En Jezus heeft de strijd gewonnen.

Met God kun je niet marchanderen. Dat weten wij.

Er is nog iemand die Jezus smeekt om een gunst.
Dat is de man die is genezen.

U hoorde dat de stadsgenoten hem aantroffen, zit-tend aan de voeten van Jezus, gekleed, en bij zinnen. Aan de voeten van Jezus wil zeggen: Hij werd door Jezus onderwezen in de leer, in de wil van God.

Dat is wezenlijk. Daar gaat het om. Dat is zijn genezing: dat hij geïnteresseerd is in God.
En zijn roeping is dan ook niet: Jezus volgen, zoals de andere leerlingen dat nog mogen doen, maar Hij wordt gezonden, als eerste zendeling, om het Evangelie te verkondigen in zijn eigen omgeving, die vijandig staat tegenover Jezus.
Geen sinecure!

Ook wijzelf zouden dolgraag Jezus op de voet volgen, laten wij eerlijk zijn. Wij zouden Hem heel graag horen spreken, of zien hoe Hij mensen geneest, wel-licht door Hem worden aangeraakt, misschien wel een glimlach van Hem opvangen, de kwast van Zijn kleed aanraken… even heel dicht bij Hem zijn…
Wat een droom

Maar zo gaat het niet. Onze roeping is waakzaam zijn, en in het geestelijk huis wonen dat ons in elkaar en in de kerk geschonken is. 

De berg van God, waar Jesaja over spreekt, is de plek waar God wordt gediend en geëerd. Vroeger stond daar de tempel.
Die plek is ook hier, is overal waar mensen samenkomen met éénzelfde doel: Gods lof zingen, omdat wij leven in en uit Gods liefde.

Ik weet niet of een van U wel eens op de Opwekkingsconferentie is geweest, met Pinksteren.
Dit jaar waren er ruim 20.000 mensen uit verschillende kerken en groepen bij elkaar om te zingen, te danken, te loven en te leren.
Dat is heel indrukwekkend.
Wijzelf zijn nog maar een paar weken terug van Lourdes waar voor de 55ste keer sinds WO II een internationale militaire bedevaart was, waar militairen, in hun eigen uniform, samen eensgezind de dankbaarheid vieren voor Gods genade. Dankbaarheid voor de vrede en voor nieuwe vriendschappen.
Het is daar een Roomse aangelegenheid, dus wordt de viering eucharistie genoemd, naar het belangrijkste onderdeel van de viering. Eucharistie is Grieks voor dankzegging, en als wij met ons hart bij de Heer zijn, dan zijn wij in Hem één.
Wie en wat wij ook zijn.
Wat onze persoonlijke moeite of strijd ook is, ziekte, verdriet, wrok, verlies, dat raakt op de achtergrond, en het wordt beetje bij beetje genezen, wanneer wij in Christus God danken voor Zijn genade.
Voor Zijn liefde, tot op het kruis. Voor Zijn macht, die groter is dan alles wat ons verdriet en pijn doet.
En dan kunnen wij alleen nog maar verwonderd zijn, en dankbaar.
Ook in onze viering hier staat de dank aan God centraal. In die dank vinden wij elkaar als zusters en broeders, als vrije mensen, die mogen kiezen voor het goede, voor God en voor elkaar. Zo vullen wij elkaar aan, en vormen wij een wereldwijde eenheid, die gehuld is in Jezus' liefde. 

Lof zij U Christus in eeuwigheid.
Amen!

Muziek

Alles wat wij hebben, hebben wij van God gekregen,
om door te geven, om met velen te delen
en er zo dubbel van te genieten,
in de hoop dat Hij ons en onze gaven aanvaardt tot eer van Zijn naam,
en dat Zijn liefde er in weerspiegeld  moge worden. Als we zo geven, Zijn we rijk!     

Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 234

Collecte

Gebed over de gaven

Heer, wat wij bij elkaar gebracht hebben, is meer dan geld,
wil er ook onze goede wil in zien,
   en onze dank voor Uw liefde.
Zegen  het,
zodat het vrucht draagt in overvloed
-hier en elders-
               om Jezus'  wil. 
Amen

Gezang 234


Al is Hij opgenomen, houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen, zoals Hij van ons ging.
Wij leven van vertrouwen, dat wij Zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen in alle eeuwigheid.

Voorbeden
Laten wij danken en bidden:
Lieve God,
wij danken U voor Uw goedheid en genade, voor Uw geduld, en voor het feit dat Jezus de schuld van ons heeft overgenomen, zodat wij niet worden gestraft voor de zonden van onze voorouders, en zelfs niet voor onze eigen fouten, als wij maar een nieuw begin met U willen maken. Dank U wel!
Wij bidden U voor allen die van U niet hebben gehoord, en die gebukt gaan onder de influisteringen van het kwaad, dat in zo veel verschillende vormen tot ons komt. Ontferm U over hen allen, Heer.

Goede God,
wij danken U dat wij van U mochten horen, ook al zijn wij maar in de verte kinderen van Abraham.
U hebt ons in Jezus Christus gedoopt tot Uw eigen kind, stuk voor stuk. U kent onze naam, onze geschiedenis, onze voornemens.
Help ons om schoon schip te maken met de dingen die niet passen bij U, en help ons om in eenheid met U te leven, van nu af aan.
Kom met Uw Geest en Haar gaven in ons leven, en leid ons en bescherm ons, elke dag, elke minuut, zodat wij dicht bij U zijn. Heel dicht.
Zo dicht bij U als onze hartslag in ons lichaam bij ons is, zo als Uw Woord in ons bestaan.
Bescherm en leid zo heel de Christenheid, al onze broeders en zusters, vooral hen die worden vervolgd om hun geloof, om hun overtuiging, om hun wezen.
En leid de regeringen, machthebbers, groot en klein, waar dan ook, door Uw Geest, naar een wereld waarin ieder mens even waardevol geacht wordt. Dan zal Uw Rijk zichtbaar zijn voor iedereen

Liefdevolle God,
wij danken U om Uw schepping die mooi is en goed. En wij bidden U voor al die plekken waar Uw schepping is bedorven, vervallen, verziekt. Door onszelf of door natuurgeweld.
Wij danken U voor onze kleine gemeenschap, en wij leggen onze zorgen voor U neer, voor Louk Schipperheijn, dat zijn nieuwe heup hem mag dragen. En wij danken U dat de operatie is gelukt, ook die van nevrouw Delmee, die al bezig is met revalidatie i.v.m. nieuwe knie. Wil er Uw zegen over geven.
Wij bidden U ook voor mevrouw Cecil Masselman, die in het hospice met U haar laatste dagen doorbrengt. Wil haar zegenen en haar hulp zijn.

Op dit moment, in de stilte van dit huis, willen wij U bidden voor allen die ons ter harte gaan…

En samen met Jezus willen wij U zegenen en zeggen:
Onze Vader, die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!


Ons Slotlied vinden wij in: Tussentijds  211:1
God, schenk ons de kracht dicht bij U te blijven…

Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ van hetzelfde lied de verzen 2 en 3.



Zegen:
De heilige God van Israël,
de Vader van alle mensen,
wil ons behoeden met Zijn liefde,
wil ons dragen met Zijn Geest,
wil ons voorgaan in Zijn Zoon.
Alle dagen van ons leven.
Amen.



3. Vrede, vrede laat  Gij in onze handen, -
dat wij die als zaad  dragen door de landen,
zaaiend dag aan dag,  zaaiend in den brede,
totdat in Uw vrede  ons hart rusten mag.

....

En toen was er koffie...

web counter
web counter