Zondag 24 october, oogstdienst in de Lutherse kerk van Winschoten. Ook de gemeente Pekela is aanwezig. Zo'n 45 volwassenen en ongeveer tien kinderen. 
Organist: Ingrid Noack.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven

Zo lief had God deze wereld, dat  Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt,
en eeuwig leven hebben mag!

Introïtus lied op de 20ste zondag na Trinitatis: gezang 488B – een lofzang op God die ons zoveel geeft, we zingen het in een lekker vlot tempo… U mag er bij gaan staan!

Zolang de mensen woorden spreken, zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken, wij danken U in Jezus' naam.

Gij voedt de vogels in de bomen, Gij kleedt de bloemen op het veld,
o Heer, Gij zijt mijn onderkomen en al mijn dagen zijn geteld.

Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven, Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven, zijn lichaam is het levend brood.

Daarom moet alles U aanbidden, uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden, o Heer, wij zijn van uw geslacht.

Ook de kinderen willen een lied zingen voor de Heer. Ze komen vooraan staan, en de tekst wordt eerst voorgelezen. Ze zingen met enthousiasme, en het refrein wordt overgenomen door een deel van de gemeente. 
Daarna gaan ze naar de kinderkerk. 

 

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!




Lezing Oude Testament Jeremia 14: 7 - 10. 

Er voor: De tijden zijn somber voor Juda. 
Israël is al in ballingschap gevoerd, en voor Juda dreigt die nog.
Er is een grote droogte, en de Heilige spreekt tot Jeremia, hoe erg het is. Arm en rijk, mens en dier, allen komen om.
Dan smeekt het volk:
7. Ook al getuigen onze overtredingen tegen ons, Aanwezige, doe er iets aan! Omwille van Uw Naam. 
Waarachtig, onze ketterijen zijn vele, we hebben gezondigd tegen U...
8. Israëls hoop, onze redder ten tijde van tegenslag, waarom???? Bent U dan als een vreemdeling in het land, of als een zwerver die (even z'n tent opzet) om te overnachten?
9. Waarom??? Bent U als iemand die overweldigd is? Als een held die niet in staat is redding te bieden? U, de Aanwezige in ons midden, Wiens Naam ook nog eens over ons is uitgeroepen, U laat ons toch niet in de steek?
10. Zo spreekt de Aanwezige over dit volk: "Waarachtig, ze houden er van hun voeten nu de ene, dan de andere kant op te zetten, ze houden maar niet op, maar de Aanwezige heeft geen plezier in ze. Nu dan! Hij zal zich hun overtredingen te binnen brengen, en Hij zal hun zonden afstraffen!"
Dat is geen gezellige boodschap, al hèbben ze het er naar gemaakt, door te vergeten dat God het is die alles schiep en gaf, en dat we met Hem rekening hebben te houden. Laten we daarover zingen: psalm 24: 1 en 5


Gij poorten, heft uw hoofd omhoog,   aloude deur, maak wijd uw boog,
ruim baan voor de verheven koning.    Wie is die vorst zo groot in kracht?
Het hoofd van 's hemels legermacht!   Hij komt, Hij maakt bij ons zijn woning.

Epistellezing: 1 Corinthe 15: 35 – 49

In dit hoofdstuk gaat het achtereenvolgens over de opstanding van Christus, en de betekenis daarvan, waarna de apostel concludeert dat we terug moeten komen tot nuchterheid, en dat we niet meer moeten zondigen.
Dan gaat hij verder over de opstanding, maar dan over die van onszelf.
35.  Maar zàl er iemand zeggen: ‘Hoe worden de doden opgewekt (uit de dood)? Met wat voor lichaam zullen ze verder leven?’
36. Nitwit! Wat jìj zaait, dat wordt toch niet tot leven gewekt als het niet sterft?
37. En wat je zaait, jij zaait toch niet het geschapen lichaam, maar een kale korrel, of dat nou een (korrel) koren is of toevallig een van de andere (granen).
38. Maar Gód geeft het een lichaam zoals Hij heeft gewild,
en aan ieder zaad een eigen lichaam.
39. Niet alle vlees is hetzelfde vlees, maar dat van mensen is weer anders dan dat van vee, anders dan dat van gevogelte of van vissen.
40. En (zo zit het) ook (met) de hemellichamen en de aardse lichamen….
echter de glans van de hemellichamen is wel heel anders dan die van de aardse…
41. De glans van de zon is anders, en de glans van de maan is anders,
en de glans van de sterren is anders…
Want elke ster verschilt van de andere in glans.
42. Zo (is) ook de opstanding van de doden.
Men wordt in vergankelijkheid gezaaid,
men wordt in onvergankelijkheid opgewekt.
43. Men wordt gezaaid in onwaardigheid,
men wordt opgewekt in glans.
Men wordt gezaaid in krachteloosheid,
men wordt opgewekt in (grote) kracht.
44. Gezaaid wordt een fysiek lichaam,
opgewekt wordt een geestelijk lichaam.
Als er een fysiek lichaam bestaat, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.
45. Zo staat er ook geschreven:
’De eerste mens’,
Adam, ‘werd een levende ziel’,
de laatste Adam een geest die doet herleven.
46. Maar het geestelijke komt niet eerst,
maar wel het fysieke, (en) vervolgens het geestelijke.
47. De eerste mens (kwam) uit losse aarde,
de tweede mens uit de hemel.
48. Zoals de aardmens, zo zijn ook de aardmensen,
en zoals de Hemeling, zo zijn ook de hemelingen:
49. En zoals wij de beeltenis dragen van de aardmens,
zullen we ook de beeltenis dragen van de Hemeling.

Psalmwoord: Halleluja! Ik zal mij neerbuigen naar Uw heilige tempel en Uw Naam prijzen om Uw goedertierenheid en trouw! HALLELUJA!



Ons zondagslied is Gezang 288: 1 en 8.
Ik heb altijd stiekem gedacht dat de samenstellers van de lijst met zondagsliederen gevoel voor humor hadden, toen ze dit lied midden in de herfst plaatsten, maar de lezingen van vandaag hebben me weer geleerd dat ze veeleer een groot geloof hadden, en de komende Grote Zomer zagen schijnen in het goud van de herfst, die ons nog eens herinnert aan hoe de afgelopen zomer was. 
Laten we zingen: gezang 288: 1 en 8

Dan zal het loflied schallen         rondom de gouden troon,
dan heffen wij daar allen   met grote vreugde aan:
lof zij en eer en sterkte     de Vader en de Zoon,
de Geest om al zijn werken        zij lof van nu voortaan.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij:
Lukas 18:9-14
Jezus spreekt over het bidden, en dat je daarbij niet de moed mag verliezen.
Hij vertelt eerst de gelijkenis van de weduwe, die de rechter zo op zijn huid zat, dat hij haar uiteindelijk haar recht maar verschafte om van haar af te zijn.
Dan vertelt Hij nog een gelijkenis en wel deze:

9. Hij zei ook nog met het oog op sommigen die er van overtuigd waren dat ze rechtvaardigen zijn, en die neerkijken op de anderen, de volgende parabel:
10. Twee mannen klommen omhoog naar de tempel om te gaan bidden, de één een farizeeër, en de ander een ontvanger der directe belastingen.
11. Terwijl de Farizeeër zich posteerde, bad hij bij zichzelf: ‘O God, ik zeg U dank, dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook zoals die belastingontvanger!
12. Ik vast tweemaal per week, ik geef tien procent van alles wat ik binnen krijg!’
13. Maar de ontvanger van de belastingen die helemaal achteraf stond, wilde zelfs de ogen niet opslaan naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst, terwijl hij zei: ‘O God, vergeef mij, zondaar!’
14. Ik zeg U: die ging gerechtvaardigd af naar zijn huis, in tegenstelling tot de ander; want iedereen die zichzelf op een verhoog zet zal van zijn voetstuk gehaald worden, maar wie zichzelf omlaag haalt, die zal op een verhoog gezet worden!

Zalig die het woord van God horen en er gehoor aan geven!

In antwoord op Gods woord willen wij samen ons geloof belijden met de eeuwenoude woorden der wereldkerk:

IK GELOOF IN GOD DE VADER, DE ALMACHTIGE,
 SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE,

EN IN JEZUS CHRISTUS, GODS ENIGGEBOREN ZOON, ONZE HEER,
 DIE ONTVANGEN IS VAN DE HEILIGE GEEST,
  GEBOREN UIT DE MAAGD MARIA,

 DIE GELEDEN HEEFT ONDER PONTIUS PILATUS,
 IS GEKRUISIGD,
 GESTORVEN EN BEGRAVEN, NEDERGEDAALD TER HELLE,

 TEN DERDE DAGE OPGESTAAN UIT DE DOOD,

 OPGEVAREN TEN HEMEL
 WAAR HIJ ZIT AAN DE RECHTERHAND VAN GOD,
 DE ALMACHTIGE VADER
 VANWAAR HIJ KOMEN ZAL OM TE OORDELEN:
 DE LEVENDEN EN DE DODEN.

IK GELOOF IN DE HEILIGE GEEST.

 EEN  HEILIGE, CHRISTELIJKE KERK:
 DE GEMEENTE DER HEILIGEN
 VERGEVING VAN ZONDEN,
 OPSTANDING VAN HET LICHAAM, EN EEN EEUWIG LEVEN.
AMEN

In dat geloof zou ik willen dat er een paar mensen hier komen, er was afgesproken dat een paar kinderen zouden helpen, want we hebben hier een heleboel appelpitten, en er zijn hier bij al die producten van de oogst ook potjes waar we die pitten in gaan zaaien, of poten, want een oogst is niet mogelijk zonder dat er eerst gezaaid is. (Intussen is iemand de kinderen gaan halen, en alle kinderen duwen enthousiast de pitten in de potten, van klein tot groot... daarna verdwijnen ze huppelend weer naar hun eigen ruimte, en maken daar een hoop kabaal...)

Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer,
door de Heilige Geest.

Lieve mensen, zussen en broers in de Heer,
mede-erfgenamen van fantastische beloften…

Een rijke oogst, dat is een zegen van de Heer.
In heel het Oude Testament ziet U dat telkens weer.
De zegen, de genade, die gebeuren in het hier en nu.
Zijn feitelijk, materieel, het hangt niet in de lucht, is niet wereldvreemd, maar is bedoeld voor mens en dier, voor heel Gods schepping.
Het oogstfeest was in Israël een groot feest.
Zowel Pasen als Pinksteren zijn oogstfeesten.
Feesten die spreken van Gods goedheid en genade.
Van zorg en liefde.
Voor alle mensen en voor alle dieren, want het is de bedoeling dat zij er allemaal in delen. Tot de armsten toe. Dat is iets, dat we telkens weer kunnen opmerken, als we de boeken van het eerdere verbond goed lezen.
Als we acht slaan op Gods woorden.
Wij mensen zijn niet in staat ook maar een sprankje leven te maken.
We kunnen wel planten, maar we kunnen ondanks alle zorg geen oogst garanderen. De zon is van belang voor de groei van plant en dier, maar als die niet wordt afgewisseld met genoeg regen, dan is er ook geen leven mogelijk.
En we kunnen veel, maar we kunnen het weer niet of nauwelijks beïnvloeden op de manier die ons uitkomt.
Zeker, we beïnvloeden het negatief door industrie en landbouw, door meer electriciteit te gebruiken dan we strict nodig hebben, door spuitbussen en gifstoffen, door eisen die we stellen aan ons voedsel en ons gemak… maar de pogingen om bijvoorbeeld regen te maken hebben meer narigheid dan vreugde opgeleverd.
Het is in Nederland geprobeerd door professor Veraart, voor de oorlog, en in Amerika op grotere schaal, in de jaren vijftig en zestig: met een zilververbinding werden wolken besproeid, en dan kon je maken dat het ging regenen, boven jouw stuk land, en niet honderden kilometers verderop, wat anders het geval was geweest. Het resultaat was natuurlijk flinke ruzie, want verderop kwamen er geen oogsten meer van het land.
Bovendien bleken de gebruikte middelen ook niet helemaal onschadelijk voor mens en dier, net zoals veel van de stoffen waarmee onze groenten en fruit worden behandeld om ze maar mooi te houden totdat ze in de winkel liggen.
Nee, voor een goede oogst zijn we nog altijd afhankelijk van ontwikkelingen, die wij niet in de hand hebben.
En dan kán God daar de hand in hebben.

We hebben gezien hoe het volk Juda tot dit inzicht komt, en gaat bidden. Nood leert bidden, U weet het.
Maar die vlieger gaat niet altijd op.
Als je God alleen maar opzoekt, omdat je iets van Hem wilt, alleen maar als je Hem nodig hebt, dan moet je niet verwachten, dat Hij met een zucht van opluchting zegt: “Hè ja, daar zat ik nu al die tijd op te wachten”.
Hij wacht op onze liefde, onze genegenheid, onze aandacht omdát we van Hem houden, niet omdat wij iets van Hem nodig hebben…
En in dit geval, in het geval van Juda, is het ook al een langdurige kwestie, en een kwestie van meermalen gewaarschuwd zijn…
U weet zelf: een relatie is iets, waar alle partijen energie in moeten steken, en aandacht.
Dat gaat op voor een huwelijk, een liefdesrelatie, voor vriendschap en zelfs voor zakenrelaties.
In een relatie is respect voor de ander een van de belangrijkste peilers. Als verliefdheid verbleekt, als de glans van de relatie verdoft, als de energie ontbreekt, dan kun je nóg respect hebben voor de ander.
En als dat respect ontbreekt, dan is er met de relatie iets mis.  Zelfs als je dènkt dat je nog van elkaar houdt.
Denkt u daar nog maar eens over na, op een rustig moment.
We zien hier, dat God niet de oude suikeroom, of de gezellige opa is, waar we Hem graag voor houden, maar een Vader, een partner, die op zijn minst respect van ons verwacht, en anders maakt Hij ons wel attent op dat gebrek, wanneer Hij ons treft in de basisvoorzieningen van ons leven.
Voedsel. Schoon water. Gezondheid.
De oogst.
We kunnen van alles planten, en we kunnen van alles laten groeien, maar zoals we mochten horen in de brief aan de gemeente in Corinthe: wat wij zaaien is hoogstens een kale korrel. Het is Gód die er een nieuwe plant van maakt, met alles er op en er aan.
Als bioloog heeft mijn studie mij geleerd, dat de genen die in de celkern zitten, de dragers van de erfelijkheid, verantwoordelijk zijn voor de goede ontwikkeling van plant en dier, maar dat betekent voor mij alleen maar dat we een idee hebben van welke werktuigen God Zich bedient. Ten diepste ben ik er van overtuigd dat God het is die op de één of andere manier de moleculen zó aan elkaar geregen heeft, dat ze hun werk doen. Ooit.
Al is het wellicht langs de weg van evolutie en geleide-lijkheid gegaan, dat is voor mij geen punt.
Wij zaaien en wij oogsten, maar alleen omdat God het ons mogelijk heeft gemaakt.
We kennen natuurlijk allemaal het gezegde van de grote Maarten Luther: "Als morgen de wereld vergaat, plant ik vandaag nog een appelboom."
Daarmee wilde hij zeggen, dat wij in déze wereld leven. Daar ligt onze opdracht: hier en nu.
Natuurlijk wachten ons heerlijke beloften, maar het fysieke leven komt voor het geestelijk leven, zegt de schrijver van de brief aan de gemeente in Corinthe.
Daarmee bedoelt hij natuurlijk niet dat het belangrijker is, maar gewoon: dat het er eerder is. En het geestelijk leven vat hij dan ook op als het leven na onze dood.
Niet het geestelijk leven, zoals wij dat meestal bedoelen, namelijk: dat deel van ons leven dat te maken heeft met onze omgang met God, en met elkaar als mensen van God. Leven met onze hersenen, met cultuur, en vooral: leven, dat wordt geïnspireerd door de Heilige Geest.
Ons lichamelijk deel van het leven is niet belangrijker dan dit spirituele deel van ons leven, maar ze vormen samen één geheel, dat ons fysieke leven uitmaakt, ons leven als mens met een lichaam dat bepaalde kenmerken heeft.
En dat deel is er eerst. Maar het andere deel hoort er bij.
Er is geen fysiek lichaam zonder een geestelijk lichaam, staat er.
Er is geen leven zonder een eeuwig leven bij God.
Maar daarvoor moeten we wel eerst de poort van de dood doorgaan.
Zoals wij  zaaien en oogsten, - en we kunnen niet oogsten  zonder dat er ergens gezaaid is, door onszelf of door andere mensen, of wellicht door Godzelf, - zoals wij zaaien en oogsten, zo zaait en oogst God ook.  Een mooi beeld is dat.
Hij zaait als het ware ons oude en versleten lichaam als ons leven hier ten einde loopt als een pitje in de grond, en wekt ons op met een nieuw, stralend en onvergelijkelijk lichaam. Dezelfde mens, met andere mogelijkheden.
Als wordt gezegd: wij lijken in ons aardse bestaan als schepsel Gods op de eerste Adam, de eerste aardmens, dan lijken wij in ons hemels bestaan op de Hemelbewoner bij uitstek: Jezus, onze Heer, de Zoon van de Levende God.
Heel praktisch mogen we daarbij denken aan de verschijningen van de Heer na de opstanding: hoe Hij ondanks gesloten deuren kon binnenkomen, hoe Hij verdween zonder een spoor achter te laten, hoe Hij het Zelf was, en tóch anders…
Hij was het Zelf, en toch zó anders, dat Hij niet direct werd herkend wanneer Hij ergens op onze weg kwam.

Dat is een troostende gedachte, dat we een leven mogen verwachten waarin we onszelf zijn, maar dan volmaakt, zoals God ons had gedroomd.

Mensen naar Zijn grondplan en bedoeling,
lijkend op het beeld dat Hij van ons had.
Wij zullen Gods beeld  uitdragen, zoals Jezus dat deed.
Maar laten we niet denken dat het al zo ver is.

Er gaat, ook met de beste bedoelingen, elke keer van alles mis.
Wie dat niet wil toegeven van zichzelf, dat hij of zij een kwetsbaar mens is, met veel tekortkomingen, die is als de ijdele Farizeeër  uit de gelijkenis die Jezus vertelt.
Je kunt handenvol  geld geven aan de kerk, je kunt al je vrije tijd bezig zijn voor de Heer, maar als je één keer praat over die vuile Turk, of die stomme Marokkaan, dan geef je al blijk van een verkeerde levenshouding, waarin geen respect is voor je mede-schepselen.
Dan vind je jezelf beter, en dat verhindert dat je zoekt naar het goede in de ander, naar iets dat de ander je te bieden heeft, je te leren heeft…
En dan zie je de schoonheid niet, die God in ieder mens heeft gezaaid.  Schoonheid die wij in blijde verwondering mogen oogsten, als we er moeite voor doen, als we de relatie tussen ons en de ander hebben begoten en bemest, als we er zorg voor hebben gedragen, zoals we zorg mogen dragen voor een paar appelpitten die we in een potje hebben gestopt als een geschenk.
Een geschenk van God, boordevol mogelijkheden, als wij er goed voor zorgen. Alleen dan kan uit een pit een appelboom groeien. Alleen dan kan een mens opbloeien en zich ontwikkelen en ontplooien.

God heeft ons elkaar geschonken als voorproefje van het hemelse leven, dat zeker zal komen, als we elkaar hier het leven gunnen.
Als we appelboompjes van liefde en aandacht planten. Als we niet denken: Ik kan dat beter, maar: Kijk ze eens hun best doen

Dan leven we in liefde en respect voor elkaar, én voor onze God, die ons het goede leven gunt, en ons, ook al zijn we niet zonder fouten,  zo graag gerechtvaardigd naar huis laat gaan.
Vandaag, en alle dagen van ons leven.
Moge ons leven een rijke oogst leveren aan vruchten van liefde en geloof, van hulp en bijstand, van vertrouwen en van telkens opnieuw beginnen.
In de Geest van Jezus.
In de Geest van God.
Amen.

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij kunnen daarin delen:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
geld en geduld,
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte…
Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 252 helemaal, maar nu eerst de Collecte

Gebed over de gaven

Lieve God, U geeft U zelf aan ons.
Wij bieden U ons eigen leven aan.
Neem het, zoals U ons geld aanneemt.
Dat het dienstig mag zijn voor U.
In de Geest van Jezus - die ons voorging.
Amen.

Laten we zingen gezang 252 helemaal. En laten we ons daarbij door de dichter niet op het verkeerde been laten zetten: overal waar hij en zijn  staat, zingen wij als vrouwen zij en haar.

geloof om veel te geven,  te geven honderd-in,
wij zullen leren leven        van de verwondering:
dit leven, deze aarde,       de adem in en uit,
het is van Gods genade    en zijn lankmoedigheid.

En wie zijn ziel niet prijsgeeft     maar vasthoudt tot het eind,
wie zijn bestaan niet kruisigt,      hoezeer hij levend schijnt,
hij gaat voorgoed verloren,        het leven dat hij koos
is tevergeefs geboren       en eindigt vruchteloos.

Maar wie zich door de hemel     laat helpen uit de droom,
die vindt de boom des levens,   de messiaanse boom
en als hij zich laat enten             hier in dit aardse dal,
dan rijpt hij in de lente      tot hij vruchtdragen zal.

Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U voor het vele goede dat we van U hebben gekregen.
Voor de veiligheid van dit land, voor gezondheid, vrede, voor een gemeenschap van mensen die samen Uw wil zoeken te doen…
Wij danken U voor handen die kunnen zaaien en poten, voor het gebed, waarmee we de relatie met veel mensen kunnen bemesten en verzorgen, voor de aandacht en warmte die hier onder elkaar kan zijn…
En wij bidden U, dat wij niet verslappen in onze zorg voor elkaar, en in onze relatie met U.
Als nog maar een derde van Nederland zich Christen durft te noemen, en nog maar de helft een bijbel in huis heeft, dan is dat een grote zorg.
Wij kunnen zelf in onze eigen omgeving maar op beperkte schaal over U spreken, en iets van Uw liefde laten zien, maar U, Heer, kom met Uw Geest en vul de harten van ons allen, hier in dit land, met Uw glans.
Wij bidden U voor mensen in nood, we denken aan de mijnwerkers in China, en hun familieleden, aan allen die in zorg over hen zijn, en treuren om de vele andere slachtoffers, wij bidden U voor de slachtoffers van het natuurgeweld in Japan, en wij bidden U voor de zieken in ons midden: voor Wubbo Schuur, die morgen in Groningen wordt geopereerd aan slokdarmkanker. Wil zijn hand vasthouden, en die van de artsen sturen. Wees ook bij zijn vrouw Cathy, in de spannende uren die komen. Ook bidden we voor Janneke Louwes-Bos. Zit op de rand van haar bed, en houd haar vast, en laat haar ervaren dat U bent: de Aanwezige.
Ook voor onszelf bidden we:
Heer, maak ons een bode van Uw vrede:
waar haat heerst:           
laat mij liefde brengen,
waar krenking is:           
vergeving,
waar tweedracht is:        
verzoening,

Waar twijfel is:               
geloof,
waar wanhoop is:        
     hoop,
waar droefheid is:           
vreugde,
waar duisternis is:           
Uw licht.

Want als wij geven worden wij rijk,
als wij onszelf  vergeten vinden wij de vrede.
Als wij vergeven verkrijgen wij de vergiffenis,
als wij sterven verwerven wij de eeuwige opstanding.
                        Geef vrede, Heer!
Zo durven wij, vertrouwend op Uw genade en beloften U ook aanbidden en smeken met de woorden die Uw lieve Zoon ons heeft geleerd:
Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven
En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade


Ons slotlied is gezang 444:3, en direct na de zegen zingen we niet het ‘Amen’ – maar gezang 444: 1 en 2


Zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart om ze te spreken.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

lied .444: 1 en 2.


Alles wat U prijzen kan,   U, de Eeuwge, Ongeziene,
looft uw liefd' en zingt ervan.     Alle englen, die U dienen,
roepen U nooit lovensmoe:        `Heilig, heilig, heilig' toe!

Dan wordt er gezellig koffie gedronken, en er wordt afgesproken wie er welke plantjes brengt naar ouderen die niet aanwezig konden zijn. Dat komt allemaal goed. Ook de potjes met appelpitten vinden gretig aftrek. En de oogst wordt verdeeld. Een opvang voor daklozen is er niet in Winschoten... 

Het jongste bloemenmeisje riep ieders vertedering op...

 

 naar boven