Klik voor een aantal eerdere diensten hier

Zondag 21 na Trinitatis 2-10-2008 Lutherse kerk te Zeist. Organist: J. Lijftogt. 

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, wij hebben als schapen gedwaald,
en wij zijn ieder onze eigen weg gegaan..

Wij konden of wilden de weg die de waarheid is,
en het leven, niet volgen.....

Toch smeken wij U: leid ons weer op het rechte pad
vergeef ons en blijf ons bij, om Jezus Christus, onze Heer.
Amen

De Almachtige God schenke ons Zijn genade
Amen

God hield zoveel van deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag.

Als Introïtuspsalm zingen wij vandaag: psalm 46: 1 en 3

God is een toevlucht t’ allen tijde…

Komt en aanschouwt des HEREN daden,
aanbidt zijn toorn en zijn genade:
zijn toorn die 't oorlogstuig verslindt,
zijn gunst waarin gij vrede vindt.
Hij spreekt: “Laat af, Ik ben de Here,
de Heilige die elk moet eren.”
Hij is met ons, Hij wendt ons lot.
Een vaste burcht is onze God.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!


Zondagsgebed

Heer onze God, U, die ons uitnodigt Uw koninkrijk te bevolken, U smeken wij: open ons de oren en de harten voor Uw oproep;
opdat wij leven in U en met U, door Jezus Christus, onze Heer.
Amen.

Lezing OT: Jesaja 25: 1 – 9 Naardense bijbel.
In het vorige hoofdstuk heeft Jesaja geprofeteerd over het gericht over heel de aarde, en hoe aan het eind Godzelf koning zal zijn in Sion, en heersen zal in Jeruzalem, zodat Zijn glorie zichtbaar is voor alle autoriteiten. Dan jubelt hij het uit, en zingt:
1 ENE, mijn God zijt gij, U zal ik verheffen, Uw Naam loven, want Gij hebt wonderlijks gedaan,–
raadsbesluiten van verre in waarheid en trouw,
2 want Gij hebt een stad tot een steenhoop gemaakt,
een versterkte vesting tot een bouwval,–
het paleis van vreemdelingen is weg uit de stad,
in eeuwigheid wordt het niet herbouwd! (verg. Grozny)
3 Daarom zullen ze U verheerlijken, een sterke gemeenschap,– een vesting van tirannieke volkeren, zij zullen U vrezen.
4 Want gij zijt voor de geringe een sterkte geweest,
en sterkte voor de arme in zijn benauwing,–
een toevlucht tegen een stortbui,
schaduw tegen de zomerhitte,
5 want het blazen van tirannen is als een stortbui in de winter, als zomerhitte over uitgedroogd land; het daveren van vreemdelingen onderdrukt Gij,–
als zomerhitte door de schaduw van een wolk zal Hij de muziek van tirannen onderdrukken
 
6 Maken zal de ENE, de Omschaarde, (d.w.z: Hij die omgeven is door een schare (hemelse en aardse) krijgers) voor alle gemeenschappen, op deze berg, een feestdronk met olierijke spijzen, een feestdronk van lang–bewaarde wijnen, – vetrijke spijzen vol merg,
glasheldere lang–bewaarde wijnen.
7 Laten slijten zal Hij, op deze berg,
het aanschijn van de sluier waarmee zijn omsluierd alle gemeenschappen,– en de bedekking waarmee zijn overdekt alle volkeren.
8 Verslinden zal Hij de dood, voor immer, en afwissen zal mijn Heer, de ENE, de tranen van elks aanschijn;
de smaad van Zijn gemeente zal Hij wegdoen van over heel de aarde, zó heeft de ENE gesproken!

9 Zeggen zal men te dien dage:
zie, Deze is onze God, wij hebben gehoopt op Hem en Hij heeft ons bevrijd,–
dit is de ENE, wij hebben gehoopt op Hem,
laten wij juichen en verheugd zijn om de bevrijding die Hij heeft gebracht!

Wij psalmzingen mét Gods volk, niet in dwaas zelfvertrouwen, maar in vertrouwen op Zijn goedheid: psalm 139: 1, 2, 3, en 8

Gij zijt zo diep vertrouwd met mij: wie weet mijn wegen zoals Gij ?
Gij kent mijn leven woord voor woord, Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.
Ja overal, op al mijn wegen en altijd weer komt Gij mij tegen.

Waar zou ik vluchten voor uw Geest? Gij sluit mij in, ik ben bevreesd.
Gij legt uw hand op mij, Gij zijt zo dichtbij met uw majesteit,
zo ver en zo met mij verbonden: hoe kan ik uw geheim doorgronden?

Ik loof U die mijn schepper zijt, die met uw liefde mij geleidt,
Gij hebt mijn oerbegin aanschouwd, in 't diepst der aarde opgebouwd.
Niets blijft er voor uw oog verborgen. Ja, Gij omringt mij met uw zorgen.

Epistel: Galaten 6: 1 – 10 NBV
Het gaat in het voorafgaande om vrijheid, niet de vrijheid om maar te doen en te laten wat je wilt, wat Paulus de lichamelijke kant noemt, maar om de vrijheid om elkaar ten dienste te staan, van binnen uit.
1 Broeders en zusters, wanneer u merkt dat een van u een misstap heeft begaan moet u, die door de Geest geleid wordt, hem of haar zachtmoedig weer op het rechte pad brengen. Pas op dat u ook zelf niet tot misstappen wordt verleid.
2 Draag elkaars lasten, zo leeft u de wet van Christus na.
3 Wie denkt dat hij/zij iets is terwijl zij/hij niets is, bedriegt zichzelf.
4 Laat iedereen de eigen daden toetsen, dan heeft hij/zij misschien iets om trots op te zijn, zonder zich er bij anderen op te laten voorstaan.
5 Want ieder mens moet zijn eigen last dragen.

6 Wie onderwezen wordt, moet al het goede dat hij leert met zijn leermeester delen.
7 Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait, zal deze ook oogsten.
8 Wie op de akker van haar/zijn zondige natuur zaait oogst de dood, maar wie op de akker van de Geest zaait oogst het eeuwige leven.
9 Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is.
10 Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.

De schrijver van psalm 146: 1 en 2 doet het goede, als hij uitroept: Loof de Heer mijn ziel!
De Heer wil ik loven, zolang ik leef, mijn God bezingen, zolang ik besta! Halleluja!

Ook wij willen zingen over de goede daden van God, en wel: gezang 305 beide verzen.

O Heer, uw onweerstaanbaar woord drijft rusteloos de eeuwen voort
wat mensen ook verzinnen. En waar de weg onvindbaar scheen
mochten wij door geloof alleen de tocht opnieuw beginnen.
Gij hebt de vaderen bevrijd en uit het diensthuis uitgeleid
naar 't land van melk en honing. Hervorm, herschep ook ons geslacht,
opdat het door de wereldnacht de weg vindt naar uw woning.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Mattheüs 22: 1 –14 NB
We lezen een gelijkenis die de Heer moet hebben verteld in de week die viel tussen Zijn glorieuze binnenkomst in Jeruzalem, en Zijn smadelijke uittocht naar Golgotha. Een week die Hij heeft gebruikt om voor het laatst te getuigen, op te roepen, uit te leggen, hoe God let op het hart, niet op de woorden, maar op de daden van mensen, hoe we ons moeten richten op Gods eer, door Jezus te herkennen als van God gezonden… maar met name de intelligentsia maakt het Hem moeilijk…
1 Ten antwoord zegt Jezus het hun  weer in gelijkenissen, Hij zegt:
2 te vergelijken is het koninkrijk der hemelen met een mens, een koning, die de bruiloftsdagen aanricht voor zijn zoon;
3 hij zendt zijn dienaars uit om de genodigden uit te nodigen voor de bruiloft,– en ze hebben niet willen komen!
4 Weer zendt hij de dienaars uit, andere, zeggend: zegt tot de genodigden: ‘zie, mijn middagmaal heb ik bereid, mijn stieren en het mestvee zijn geslacht,– alles is gereed!– komt tot de bruiloft!’
5 Maar zij vinden het niet belangrijk en gaan weg, de een naar de eigen akker, de ander naar zijn handel;
6 de overigen grijpen zijn dienaars, mishandelen hen en doden hen.
7 De koning ontsteekt in toorn; hij stuurt zijn troepen, laat die moordenaars ombrengen en hun stad steekt hij in brand.
8 Dan zegt hij tot zijn dienaars: het bruiloftsmaal is gereed maar de genodigden zijn het niet waard;
9 trekt dan uit over de kruispunten van de wegen, en zovelen ge maar vindt: nodigt ze voor de bruiloft!
10 Als die dienaars de stad uitkomen, de wegen op, brengen ze bijeen állen die ze vinden, bozen zowel als goeden; zo wordt de trouwzaal vol met aanliggers!
11 Als de koning binnenkomt om wie aanliggen te aanschouwen, ziet hij daar een mens die niet gekleed is in een bruiloftskleed,
12 en hij zegt tot hem: makker, hoe kom je binnen,– zónder bruiloftskleed?        
Hij moet er het zwijgen toe doen. (Heeft geen woorden)
13 Dan zegt de koning tot de bedienden: bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit, de buitenste duisternis in!– daar zal het geween zijn en het knarsen van de tanden!
14 Want met velen zijn de genodigden,
met weinigen de uitgelezenen!
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

In antwoord op Gods Woord willen wij samen (nog steeds staande) ons geloof belijden:
 
Dat er een God is, die van mensen houdt zoals ze zijn,
dat wil ik geloven.
Een God die ons gewild heeft en bedacht,
dat wil ik geloven.
Dat Hij hemel en aarde in de hand heeft,
dood en leven,
dat wil ik geloven.
Dat Hij van mij, kleine mens, houdt,
dat wil ik geloven.
Dat God in Jezus mens werd,
dat wil ik geloven.
Een mens die ons leven deelde,
en voor ons stierf op een kruis,
dat wil ik geloven.
Dat Hij opstond uit de dood, als eerste van velen,
dat wil ik geloven.
Dat Hij ruimte voor ons maakt bij God,
dat wil ik geloven.
Dat Gods Geest puur liefde en leven is,
dat wil ik geloven.
Dat Ze ons allen nabij is,
dat wil ik geloven.
Dat Ze ons kracht geeft en moed om te leven,
liefde en waardigheid,
dat wil ik geloven.
Dat we zó kerk zijn, gemeenschap van heil,
dat wil ik geloven.
Om doop en vergeving, genade en toekomst
wil ik geloven
in God die van mij houdt.

Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve mensen, die zijn genodigd om Gods goede tijding te horen, om het feest méé te vieren…

Feest… Maar niet altijd is het  leven een feest…
In ons relatief rijke Nederland betreuren velen het nu, dat ze hebberig waren, en hebben geïnvesteerd in banken, die het hun toevertrouwde geld niet waard waren.
Het zal je pensioengeld maar wezen!
Dan heb je een probleem.
Ik hoop dat geen van U in die positie verkeert…

Maar als we verder over de grens kijken, zijn de zorgen van heel andere aard…
Dan komen we ook dichter bij de lezingen van deze morgen.

Als we bijvoorbeeld kijken naar Tsjetsjenië, dat door Rusland naar de rand van de afgrond is gesleurd, dat in puin geschoten is, verwoest, alleen maar omdat ze vrij wilden zijn, dan moet het voor de mensen daar een buitengewoon bittere gedachte zijn, dat de hoofdstad weer wordt opgebouwd met Russisch geld, en met Russische invloed, zo, dat er zelfs een straat genoemd wordt naar Putin de verderfelijke, die zoveel van hun jonge mannen het leven heeft gekost.
Het stond in de krant, deze week…

In de tijd van Jesaja, was de bedreiging voor Israël te vergelijken met de situatie van Tsjetsjenië voor de oorlog met Rusland uitbrak. Of Georgië.
Ook Israël was in feite een vazalstaat. Niet vrij.
En juist in die situatie zingt Jesaja het lied, waarin God over heel de aarde recht spreekt, met name ook over de grote landen die het kleine Godsvolk bedreigen.
Hij bezingt hoe die hoofdsteden in puin vallen, hoe het paleis van de vreemdelingen niet meer te vinden zal zijn in de stad, hoe dat niet wordt herbouwd. Géén Putin-straat in Jeruzalem, zoals nu in Grozny. 
Gods raadsbesluiten hebben verstrekkende betekenis, ook voor hen, die niet wonen aan de voet van Zijn tempel, ook voor hen die zich niet met Hem verbonden weten.
En… ook voor ons. Zoals we hier zijn.
Raadsbesluiten van waarheid en trouw, zingt Jesaja.

Maar intussen worden er hele steden met de grond gelijk gemaakt. En daar hebben wij het maar moeilijk mee.
Er over nadenkend, was mijn eerste gedachte: dat was nog een primitieve maatschappij.
Ook in de tijd van Jezus, die een gelijkenis vertelt, waarin de koning een hele stad brandschat.
Om een belediging van één inwoner van een stad kan een hele stad vernietigd worden.
Dat komt omdat mensen een eenheid vormen, via stam- en bloedbanden, veel meer dan tegenwoordig in onze maatschappij.

Maar is dat zo? Dat pprmitieve? We hoeven niet ver terug te gaan, om ons te herinneren hoe half Putten werd uitgemoord als vergelding. En we hebben op de televisie in kleuren en bijna geuren kunnen zien, hoe Irak kapot gaat aan de kruistocht tegen de as van het kwaad… Mensen daar, die eerst het slachtoffer waren van Saddam Hussein, of het elk ogenblik konden worden, slaan nu op de vlucht, als ze de kans krijgen, omdat ze tussen de ‘bevrijders’ en de andere strijdende partijen vermorzeld dreigen te worden.
Als in India, in Orissa, iemand het bericht de wereld in brengt, dat een moord is gepleegd door een Christen, ook al is dat aantoonbaar niet waar, dan worden er opeens duizenden vermoord of uit hun huizen verjaagd.
En sinds 11-9-2001 benoemen wij hen, die onder ons woonden als Marokkanen, Turken, en zelfs Surinamers enzovoort, opeens allemaal als Moslims, en we vrezen ze. En vrees roept haat op...

Plotseling komen die primitieve verhalen heel dicht bij ons eigen adres. Té dicht, voor onze gemoedsrust. Het is goed, ons dat te realiseren.

Maar Goddank blijft het daar niet bij, want het bestaan is niet uitsluitend afhankelijk van onze primitieve gedachten.
God is er óók nog.

Hij is altijd al een sterkte geweest voor de arme, de eenvoudige, de mensen in nood, een toevlucht in de ellende die mensen elkaar kunnen aandoen.
God mag door Zijn lik-op-stuk-beleid bij de sterke en tirannieke volkeren dan wel respect afdwingen, er is ook die heel andere kant: de zorgzame kant voor hen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, en waar wij niet voldoende voor zorgen…

Gods bedoeling is immers dat het leven goed is, een kostbaar geschenk, dat genoten en gedeeld moet worden, iets dat een groot feest kan zijn.

En daarom richt Hij een maaltijd aan. Een feestdronk, met alle luxe die je je kunt voorstellen.
Op deze, bedreigde, berg Sion, waar Zijn tempel staat, waar Hij wil wezen, waar Hij in contact wil komen met de mensen: hier wordt de sluier, die mensen van elkaar scheidt, verwijderd, de sluier waardoor we elkaar niet zien zoals we zijn: schepselen Gods, allemaal, geen geboren vijanden, geen anonieme boosdoeners, maar mensen met een naam en een gezicht, hier wordt de sluier, die dat verhult, sleets.
Waar God woont, kán angst en haat niet regeren.
Dat gaat niet samen.

Zelfs de grootste bedreiging voor alle mensen: de dood, zal voor altijd overwonnen worden, en alle tranen zullen worden afgedroogd. 

Hier brandt de paaskaars, elke zondag, wij hebben daar weet van…
Wij kunnen naar waarheid zingen: dit is onze God, wij hebben op Hem onze hoop gevestigd, en Hij heeft ons bevrijd
De zondagse viering is feest, en terecht

Wat zou het mooi zijn, als het daar bij bleef.

Maar het verhaal gaat door. Het leven gaat verder.
Want Hij, die ons deze redding gebracht heeft, vertelde het verhaal van de bruiloft.

De bruiloft speelt een belangrijke rol in het Joodse leven.
In Genesis 2:24 neemt Adam Eva tot zijn vrouw, als vervolg op Gods schepping. Daarmee ontstaat een nieuw begin.
En Israël wordt gezien en genoemd als Gods bruid, de Tora is de huwelijksovereenkomst, het verbond op de Sinaï de huwelijkssluiting.
De rabbijnen verwachtten dan ook de vernieuwing van het huwelijk tussen God en Zijn volk bij de komst van de Messias.

Maar met de komst van Jezus is er sprake van een geheel nieuw verbond, een verbond met heel de wereld.
Daarover spreekt Hij in de gelijkenis die we straks hoorden.
Israël is vanouds de genodigde. De eerst-geroepene. Ze behoren als het ware tot Gods hofhouding. Maar ze hebben wel andere dingen aan het hoofd dan ingaan tot Gods vreugde.
Er moet ook nog gewerkt worden, centjes verdiend, ze hebben echt geen tijd, zin en gelegenheid om naar de kerk te komen, naar de samenkomst van de geroepenen. Even wat uitleg:

Qahal is het Hebreeuwse woord voor de vergadering der gelovigen. Het zijn de mensen die geroepen zijn om op Gods woord bijeen te komen. (Af en toe is er zo'n toogdag - in het Oude Testament.)
Qahal, het bijbehorende werkwoord, betekent: oproepen, bijeenroepen, verzamelen, vergaderen. De ekklesia is het Griekse woord, en ook dat heeft te maken met kalein, roepen. Dat woord wordt in de Mediterrane landen gebruikt voor kerk.
Jezus’ toehoorders wisten dat, en ze hoorden het ook in Zijn gelijkenis terug. Vandaar dat ik er even een taallesje tussendoor moest vlechten.

De geroepenen zijn het feest niet waard gebleken. En dan worden de dienaren de straat op gestuurd, om wie ze maar vinden naar binnen te halen. Goede en slechte mensen. Gelovigen én ongelovigen. Er moet feest gevierd worden om de Zoon. Ook als het leven moeilijk is.

Als een koning je uitnodigt voor zo’n feest, dan zorgt hij ook voor feestkleding. Vaak kwamen gasten van ver, er werd dus gewassen, en dan kregen ze feestkleding uitgereikt.
Als zo’n koning het in zijn hoofd krijgt dat iedereen groene kleding met een gouden rand dragen moet bij zijn feest, dan ligt die dus klaar.
Maar er is iemand, en die heeft daar geen zin in.
Waarom? We weten het niet.
Maar we weten wel dat het een klap in het gezicht van de gastheer is.
Zijn gast gedraagt zich hoogst onbehoorlijk.

En de kelners binden hem vast, en gooien hem er uit. Het donker in, waar alles tegengesteld is aan het feest. Want hij was ingegaan tegen de geest van het feest, en tegen de wensen van de gastheer.

We mogen in deze gelijkenis een aankondiging zien van wat er ná, en door Jezus’ dood en opstanding gebeuren gaat.
Als Israël niet van God wil weten, dan zal de stad in 70 worden verbrand door de legers van de Romeinse keizer, die geen steen op de andere laat. Maar het verhaal gaat door. Het feest van God zal gevierd worden, en het was altijd al de bedoeling dat heel de wereld er bij betrokken zou worden. Israël was de eerste, maar God heeft er altijd van gedroomd, dat alle mensen Hem lief zouden hebben.
En zo worden allerlei mensen bijeengehaald, op de kruispunten en in de achterbuurten. Daar waar gewone mensen bij elkaar zijn, wonen, werken, leven. De uitnodiging is voor nu meteen!

Alleen: als mensen wel naar het feest komen, maar lak hebben aan de regels die daar heersen, dan stellen ze zich wel buiten de gemeenschap.
We zien dat aan degene die vond dat hij de feestkleding niet hoefde aan te trekken, maar geen argument had om dat uit te leggen.

Ook wij mogen ons dat wel ter harte nemen.

Er worden immers bepaalde manieren van ons verwacht, manieren die het leven feestelijk maken voor onze feestgenoten en voor onze gastheer.

We kunnen niet maar aanrommelen.
U bent allemaal feestelijk gekleed voor de zondagse kerkgang. Dat getuigt van stijl en van respect. Dat is gepast.
Maar heel ons leven moet getuigen van die stijl en van dat respect. Respect voor de Heer van alle leven, en respect voor al Zijn schepselen. 

Door Jezus’ dood en opstanding hebben we een grote vrijheid gekregen, legt Paulus ons uit.
Maar dat is wel een vrijheid om het goede te doen. En goed is wat dat betreft: wat past bij God. Leven vanuit liefde. Leven met zorg voor elkaar. Omdat we de ander belangrijker vinden dan onszelf....

Het goede doen, allereerst voor je geloofsgenoten, dat wil niet alleen zeggen: voor elkaar zorgen in materiële zaken, dat spreekt vanzelf, zou ik zeggen, maar ook in geestelijke zaken.

Een van de dingen die we het meest moeilijk vinden, is elkaar op het rechte pad brengen, als we zien dat er iets mis gaat.
Liefst kijken we de andere kant op.
Want we vinden dat iedereen de ruimte moet hebben, tegenwoordig. Dat iedereen zelf verantwoordelijk is, en zelf moet weten wat zij en hij zegt en denkt en doet.
De mythe van het vrije woord!

Iedereen die nadenkt begrijpt dat je niet maar kunt zeggen wat er in je opkomt, en dat niemand het recht heeft de ander te beledigen.

Waar het wel om gaat is het woord dat vrij maakt. Het woord waardoor anderen en wijzelf weer verder kunnen. Het zachtmoedige woord, dat niet zoekt naar het ‘ik’, maar naar het ‘jij’ en het ‘gij’.
Dat is het woord waarheen de Geest ons leidt, het woord dat Zij ons in de mond geeft, wanneer we willen luisteren.
Het woord van liefde en respect voor God en de naaste.
Ht woord dat ook wij hier nodig hebben.
Dát woord ontbrak de niet-feestelijke bruiloftsganger. Laten we met Gods hulp zorgen dat het ons niet ontbreekt. Dan blijft het leven een feest, en dan is iedere zondagse bijeenkomst een viering. Voor iedereen. 
Om Jezus’ wil… In Gods Naam.
Amen.

orgelspel

Alles wat wij hebben, hebben wij van God gekregen,
om door  te geven, om met velen te delen
en er zo van te genieten.
Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen: in de collecte.        
Na het gebed over de gaven zingen wij gezang 437 helemaal.

Nu eerst de Collecten voor kerkelijke middelen en onderhoudsfonds."

Gebed over de gaven
Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, het is uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U ook kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons hierin de weg, en zegen onze gaven. Om Jezus’ wil…
Amen.

Laten we zingen: gezang 437


Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig Licht,
van aangezicht tot aangezicht.

Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U, dat wij U zó ter harte gaan, dat U er moeite voor wil doen, zodat wij elkaar beter leren kennen. Als wij aanzitten aan de maaltijd des Heren, maar ook als we met vrienden en vreemden aan tafel zitten, waar dan ook.
Wij danken U, dat U wilt dat het leven een feest is. Wil ons dan helpen, als wij ons helemaal niet feestelijk voelen, ons zelfs niet feestelijk wíllen voelen.
Haal ons dan uit die verstarring, open ons de ogen, verwarm ons hart, en doe ons weer lachen en blij zijn.
Geef ons h et woord dat vrij maakt, alstublieft...
Wij bidden U voor allen die door zorgen gekweld, door ziekte of angst, door onvrijheid of ander geweld, vast zitten – en niet zien hoe ze er uit moeten komen…
Waar wij kunnen helpen, Heer, wil ons daar leiden door Uw Geest van Liefde en barmhartigheid.
Waar wij met handen en voeten niets kunnen doen, wees daar ons gebed, zodat we de ander niet vergeten, niet alleen laten…

Heer, het leven is kiezen.
Help ons de keuze te maken voor U.
U, die allang gekozen hebt voor ons allen.
Help ons het goede te kiezen, opdat wij leven in Uw genade, en voor elkaar en anderen het leven mogelijk maken.
Voor de slachtoffers van orkaan Norbert, de aardbeving in Tsjetsjenië en ander natuurgeweld smeken wij U om ontferming.

Wij bidden voor onze zieken, voor onze broeder Ernst Krijt, die zo ziek is, voor pastor Lotterman, die zo'n last heeft van migraine, voor Peter Broekman, die hier vorige week ziek werd, en voor Ton Boorsma, die wacht op uitslagen. Geef voor hen allen, als het kan, een keer ten goede, maar wees er voor hen, hoe het ook loopt...

en in stilte bidden wij voor de mensen en de zaken die ons ter harte gaan…

Zoals de psalmist zei: De Heer wil ik loven, zolang ik leef, mijn God bezingen, zolang ik besta, zó willen wij U aanbidden en smeken met de woorden die Jezus Zelf ons leerde:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!


Ons slotlied is gezang 405:1
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ gezang 488: 4,5
Maar nu eerst – als altijd staande - gezang 405:1


Zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed om ze te spreken in ons hart.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Gezang 488B: 4,5

Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortgebracht,
Vader, Gijzelf zijt in ons midden,
o Heer, wij zijn van uw geslacht.


En dan is er koffie en het feest van het samenzijn...