Voor eerdere diensten klik hier:


Zondag 20 na Trinitatis 13-10-2013 Lutherse Kerk 'In Abrahams schoot' te Gorcum

Organist: Toon de Graaf. Er wordt gezongen uit het Nieuwe Liedboek.

Orgelspel
 
Afkondigingen en aansteken van de kaarsen.

Stilte

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.  
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer              
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden
en laat ons weer in vrede leven.
Amen

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Onze Introïtuspsalm deze 20ste zondag na Trinitatis is psalm 40: 1 en 7
 

Laat wie Uw heil beminnen hier en nu
in U verheugd zijn, U ter eer uitroepen: groot is onze HEER! 
Laat wie U zoeken jubelen in U!
Al leef ik in ellende,  de Here zal het wenden,
de Heer ziet naar mij om.  Gij die mijn helper zijt,
mijn God die mij bevrijdt,  o toef niet langer, kom!


Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, - die is groot -
maar laten wij dan ook Zijn Naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!
<



Zondagsgebed:
Heer God, Hemelse Vader, uit de grond van ons hart bidden wij U: houd verre van ons de listen van de Boze, die in ons en om ons heen woedt.
Maak ons standvastig, zodat wij met heel ons hart blijven bij U, die alleen God zijt,
door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament:  2 Koningen 17: 5-7 en 24: 29-34

Het rijk van David is verdeeld in een Noordrijk met Samaria als hoofdstad, en een Zuidrijk met Jeruzalem, dat weet u wel. In het huidige Irak woonden de Assyriërs, met hoofdstad Assur, en dit grote rijk wedijvert met Egypte in het Zuiden. Juda en Israël liggen daar net tussenin. Koning Hosea is aan het bewind in het Noordrijk. Hij is schatplichtig aan koning Salmanasser van Assur, en daar wil hij een eind aan maken. In het geheim denkt hij aan te pappen met Egypte, maar dat lekt uit…
5. De koning van Assur nu trok op tegen heel het land, ja, hij trok op tegen Samaria, en drie jaar lang omsingelde hij (de stad) (in een) benauwende (greep).
6. In het negende jaar van Hosea heeft de koning van Assur Samaria ingenomen, en hij voerde Israël (dus het tien-stammenrijk) gevankelijk weg naar Assur.
Hij liet ze daar wonen in de (streek) Chalach (Syrisch: aangenaam, Hebr: ellende), en Chaboor (+ sterk), aan de rivier de Gozan, en in steden van de Meden.
7. Dit geschiedde omdat de Israëlieten hadden gezondigd tegen de Aanwezige hun God, (tegen Hem) die hen had uitgeleid uit Egypte-Angstland, uit de hand van Farao, de koning van Egypte, maar toch vereerden ze vreemde goden.
En dan krijgen we een hele opsomming van wat er allemaal verkeerd ging: offerplaatsen op de hoogten, tempels dus voor die afgoden, ondanks het vermaan van vele profeten, en nog veel erger. We gaan verder bij vers 24:
24. Nu haalde de koning van Assur onder dwang (mensen) uit Babel en uit Koeta, en uit Ava = Ruïnestad, en uit Fort-Hamath, en Sevarwaim, en hij liet ze wonen in de steden van Samaria, in plaats van de Israëlieten, ja, zij namen Samaria in bezit, en ze gingen wonen in de bijbehorende steden.
25. Maar wat gebeurt er: aanvankelijk, toen ze daar gingen wonen hadden ze geen enkel respect voor de Aanwezige. De Aanwezige nu stuurde leeuwen onder hen, en die doodden hen maar steeds.
26 Toen lieten ze aan de koning van Assur zeggen: de volkeren die U met dwang hebt weggevoerd, en die U in de steden van Samaria hebt laten wonen, kennen de regels van de god(en) van het land niet, en die heeft leeuwen op ze af gestuurd.
Moet U kijken hoe die ze doen sterven, omdat geen van hen de regels kent van de god(en) van het land!
27. Toen gaf de koning van Assur een bevel, en wel: Laat iemand daarheen gaan, een van de priesters die jullie daarvandaan gevankelijk hebben weggehaald, dan gaan ze daar wonen en hij zal ze de regels van de god(en) van het land onderwijzen.
28. Zo ging een van de priesters die ze gevankelijk hadden weggevoerd uit Samaria, wonen in Beth-El, en hij onderwees ze hoe ze de Aanwezige zouden gaan vereren.
29. Ieder volk had (intussen) zijn eigen goden gemaakt, en die hadden ze een plek gegeven in de tempels op de hoogten, die de Samaritanen (destijds) hadden gemaakt, ieder volk in hun eigen stad waar ze woonden.
30. De mannen van Babel hadden Sukkot Benot gemaakt (loofhutjes voor de meiden), en de mannen van Koet hadden (een beeld van ) Nergal gemaakt, en de mannen van Chamath hadden een Ashima gemaakt.
31. Die uit Ava, Ruïnestad hadden een Nibchaz gemaakt, en een Tartaq, en die uit Sevarwaim verbrandden hun kinderen in het vuur voor Adramelech (Glorie voor de koning) en voor ‘Anamelech, goden van de Sevarwaïm.
32. Nu was het wel zo dat ze de Aanwezige vereerden, maar ze stelden zich overal vandaan priesters aan op de hoogten, en die werkten voor hen in de tempels op de hoogten.
33. De Aanwezige vereerden ze wel,  maar hun goden dienden ze volgens de regels van de volkeren waaruit ze waren weggehaald.
34. Tot op de dag van vandaag handelen ze volgens hun oude regels, maar ze vereren de Aanwezige niet (meer).  En ze handelen ook niet volgens de hun (opgelegde) wetten en regels of het onderricht en het gebod dat de Aanwezige als bevel had gegeven aan Jacob, toen Hij deze zijn naam Israël gaf…
(Tja, dat kan dus nooit goed gaan…)

De Gradualespalm is psalm 122 helemaal

Hoe zijn de stammen opgegaan! Hier gingen ons de voeten voor
der pelgrims, die de HEER verkoor, hier, waar uw heilge muren staan!
Jeruzalem, dat ik bemin,  wij treden uwe poorten in
naar 's HEREN woord, om zijns naams ere! Zo is het Israël gezegd:
hier zijn de zetels van het recht, de troon, waar David zal regeren!
 
Bidt heil toe aan dit Vredesoord: dat die u mint bevredigd zij,
dat vrede in uw wallen zij,  gezegend zij uw muur en poort!
Jeruzalem, dat ik bemin,  wij treden uwe poorten in
om u met vrede te ontmoeten!  Om al mijn broeders binnen u,
om 's HEREN tempel wil ik u,  o stad van God, met vrede groeten.

Epistel
lezing: 2 Timotheüs 2: 8 – 15
Dit is een brief, naar men aanneemt van Paulus, aan diens jonge vriend en medewerker in Christus, die nu op eigen benen in een gemeente staat. Daarin staat o.a.:

8. Vergeet nooit dat Jezus Christus een Mens was, een nakomeling van koning David. En dat Hij God was, blijkt wel uit het feit dat Hij uit de dood is opgestaan.
Omdat ik dit goede nieuws bekend heb gemaakt,
9 ben ik in moeilijkheden gekomen en als een misdadiger in de gevangenis gestopt. Maar al ben ik geboeid, het woord van God is dat niet.

10. Ik wil graag leed verdragen als dat redding en eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus brengt aan de mensen die door God zijn uitgekozen.

11. Ik vind troost in deze waarheid: Als wij voor Christus lijden en sterven, betekent dat ook dat wij voor altijd met Hem zullen leven.

12. En als wij standhouden, zullen we eens met Hem regeren. Maar als wij het opgeven en ons tegen Christus keren, zal Hij Zich tegen ons keren.

13. Zelfs als wij geen geloof meer hebben, blijft Hij ons trouw. Hij kan ons niet verstoten, omdat wij een deel van Hem zijn; Hij zal altijd doen wat Hij beloofd heeft.

14. Herinner de mensen in de gemeente aan deze geweldige waarheden en verbied hun namens de Here over onbelangrijke dingen te ruziën. Dat is verwarrend en zinloos, ja, zelfs slecht.
15. Doe je best; wees een goede werker voor God, die zich niet hoeft te schamen. Geef Gods boodschap onvervalst door.
 
Psalmwoord: Halleluja. Ik wil mij buigen naar Uw heilige tempel, Uw Naam loven om Uw liefde en trouw. ps 138:2 HALLELUJA!



Wij zingen een nieuw lied: NL721. Houd ons bijeen God, rond Uw woord. De tekst is nieuw, maar de melodie is heel bekend. 

Kom, Christus, toon Uw ware kracht
En breng Uw liefde aan de macht!
Behoed Uw kerk in haar verdriet,
Dat zij U zegent in haar lied!

Blaas, Trooster, ons Uw adem in,
Maak ons op aarde eensgezind.
En gaan wij door de laatste poort,
Leid ons dan met Uw levenswoord.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 17:11 – 19 NBV.
Jezus is met de leerlingen op weg naar Jeruzalem en spreekt met ze over vergeven, geloof en gehoor-zaamheid. We zijn in het grensgebied van de provincie Samaria
11 Op weg naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea.
12 Toen Hij daar een dorp wilde binnengaan, kwamen hem tien mensen tegemoet die aan een besmettelijke huidziekte leden; ze bleven op een afstand staan.
13 Ze verhieven hun stem en riepen: ‘Jezus, meester, heb medelijden met ons!’
14 Toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: ‘Ga u aan de priesters laten zien.’         
Terwijl ze gingen werden ze gereinigd.
15 Een van hen, die zag dat hij genezen was, keerde terug en loofde God met luide stem.
16 Hij viel neer aan Jezus’ voeten om hem te danken. Het was een Samaritaan.
17 Toen zei Jezus: "Zijn er niet tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?
18 Wilde niemand anders terugkomen om God eer te bewijzen dan alleen deze vreemdeling?"
19 Hij zei tegen de Samaritaan: "Sta op en ga.
Uw geloof heeft u gered."
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Credo:  In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden:

Ik geloof in God, die mens en wereld heeft geschapen, bedacht, gemaakt, gewild...

Ik geloof in God, die met mens en wereld een relatie aanging, er om geeft, er van houdt.

Ik geloof in God, die een Vader wil zijn, een Moeder, Geliefde, Zuster, Broeder..

Ik geloof in Jezus, mens geworden zoals wij.
Die in onze tijd, in onze wereld ons eigen leven heeft geleefd, en is gekruisigd,
voor de overheid een daad van willekeur,
voor Zijn leerlingen uiteindelijk een sprong in het duister, die onze redding werd -
dwars door dood en opstanding heen.

Ik geloof in die Geest van Liefde, die deel is van Gods wezen, die Jezus bezielde, die ook ons bezielen wil.

Ik geloof in mensen van Gods welbehagen, gewone mensen, die doen wat ze kunnen. Die leren luisteren naar de stem van God in de nacht van hun leven.
Mensen die er voor Hem en voor elkaar willen zijn.

Ik geloof dat de tijd maar tijdelijk is, en dat ons eeuwige liefde wacht, door dood en opstanding heen.

Zo waarlijk helpe ons God almachtig! Amen!

Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve mensen, vrienden, zusters en broeders
Wat kunnen de dingen soms toch anders uitpakken dan je dacht!
Uit de geschiedenis van Israël, waar we zojuist een stukje van hoorden, opgetekend in het boek Koningen, dat waarschijnlijk is geschreven rond 570 voor Christus, ruim na de terugkeer uit de ballingschap dus, kunnen wij wel opmaken dat de teruggekeerde ballingen niets ophadden met de mensen die in en rond Samaria woonden of kwamen te wonen, terwijl zij in ballingschap waren, en die daar later ook bleven wonen, want er was geen terugkeer-regeling voor hen. Daar was niet aan gedacht.
Dat betekende dat ze allemaal moesten inschikken, en een conflict was geboren, dat erg doet denken aan het huidige Palestijnse probleem.
De mensen uit Assyrië zaten al evenmin te wachten op de nieuwkomers die Jeruzalem gingen herbouwen, waarmee de stad een geduchte concurrent zou worden voor Samaria.
We lezen er in het Nieuwe Testament meer over, hoe Jezus vaak op reis van Galilea naar Jeruzalem een omweg maakt, net als andere vrome Joden, om maar niet over het grondgebied van Samaria te hoeven gaan. En als hij dat toch doet is hij niet altijd erg welkom. 
En in het bekende verhaal met de vrouw bij de put, aan wie Jezus om water vraagt, informeert zij bij Hem hoe het nu eigenlijk zit met het vereren van God. Zij doen dat op de hoogten, op de bergen daar, maar de Joden zeggen dat het in Jeruzalem moet… hoe zit dat? Jezus is duidelijk een man van God, dus Hij zal het wel weten.
U ziet, dat de situatie in Jezus' dagen nog steeds op zijn minst rommelig is. En vandaag de dag is er in Samaria nog altijd een priester die bereid is om niet alleen de put van Jacob te laten zien maar ook het aller- alleroudste exemplaar van de Torah, dat er volgens hem bestaat. Tegen betaling natuurlijk. Omdat ik een vrouw was, mocht ik niet echt kijken, alleen van een afstandje. Maar dat was 40 jaar geleden.
Natuurlijk ziet het opperrabbinaat in Jeruzalem daar niets in. Er bestaat nog altijd een wederkerige afkeer.
U kunt u dus voorstellen wat een beschamende vertoning het was, dat niet een Jood, maar alleen een Samaritaan na de genezing terug kwam bij Jezus om Hem te bedanken en om God te loven. 
 
Ongetwijfeld hebben de leerlingen dat heel gênant gevonden. Als ik het naar onze maatschappij zou verplaatsen, zou het waarschijnlijk een Moslim zijn, i.p.v. een Samaritaan, die dankbaar terug kwam.
 
En ze hebben warempel heel wat lovensstof, die tien die genezen zijn. Ze hadden een besmettelijke huidziekte die de NBV vertaalt met huidvraat, om zich maar niet vast te leggen op lepra. Het kan immers naast lepra ook nog best iets anders zijn.
Heel verantwoord, maar het blijft een gek woord, toch?
De zieken waren voor de maatschappij in elk geval melaats, want ze mochten niet met gezonde mensen in contact komen. Ze moesten vér buiten het dorp wonen, en leefden van gaven die mensen voor hen neerlegden, nog steeds op veilige afstand.
Een afstand die Jezus soms overbrugt door een zieke aan te raken.
Hier doet Hij dat niet, maar Hij vraagt om geloof, doordat Hij zegt: Ga je laten zien aan de priesters. Mócht iemand namelijk denken genezen te zijn, dan moesten de priesters in Jeruzalem dat constateren, en het er mee eens zijn. Dat was de regel. Stelden zij de diagnose dat de persoon in kwestie genezen was, dan moesten er offers gebracht worden, en reinigingsrituelen volbracht worden, voordat iemand weer helemaal mee mocht doen in de maatschappij. Ga je laten zien aan de priesters betekent dus dat er geloof werd verwacht. En als dat geloof er dan blijkt te zijn, dàn komt de genezing.
 
Wij zeggen nogal makkelijk: eerst zien, dan geloven. Maar zo werkt het niet. Letterlijk en figuurlijk.
 
Wij moeten ons eerst tot God richten, naar Hem toe gaan, hier gesymboliseerd in de tocht naar de tempel, en dàn blijkt pas dat God er al die tijd al voor ons was.
Paulus heeft dat ook begrepen. Wij zien dat als hij aan Timotheüs schrijft: Zelfs als wij geen geloof meer hebben, blijft Hij ons trouw.
Hij kan ons niet verstoten, omdat wij een deel van Hem zijn; Hij zal altijd doen wat Hij beloofd heeft…
Wat een liefdevolle God hebben wij!
Alleen als wij ons bewust tégen Hem keren, trekt Hij Zijn handen van ons af.
Maar als wij in nood zijn, als wij worden vervolgd en verdrukt, zoals de gemeenten waar Timotheüs werken mocht als verkondiger van het Goede Nieuws, ja, zelfs als wij onder druk van de omstandigheden ons geloof dreigen te verliezen, blijft God van ons houden. Wat een rust geeft dat!
 
Hij blijft ons trouw, omdat, en dat is een groot geheim, iets waar wij te weinig bij stil staan, omdat wij een deel van Hem zijn geworden bij onze doop.
Wij zijn deel van het Lichaam des Heren, belijdt de kerk. En Jezus is het Hoofd.
Ja, maar wat betekent dat eigenlijk?
Soms heb je van die begrippen, waar we te weinig bij stil staan, en waar we maar een vaag idee van hebben. Dit is er zo een.
 
Als wij, gedoopte mensen, gedoopt op de Naam van Jezus, Gods Zoon en onze Heiland, samen het Lichaam van de Heer vormen, dan zijn wij Zijn handen en voeten, dan klinkt in onze woorden Zijn stem, dan denkt en voelt Hij in ons, kleine mensen.
 
Je kunt denken aan de cellen in een lichaam die in direct contact staan met de cellen er omheen, maar geen weet hebben van wat er verderop gebeurt. Zij worden aangestuurd door zenuwen, of door stofjes die van de ene cel naar de andere gaan, soms op grote afstand, en op een wonderbaarlijke wijze gehoorzamen die cellen samen als spieren, als botten, enzovoort, aan de wens die in het hoofd opkomt om een stap te zetten, om dit of dat te doen. Wij weten hier en daar wel een beetje hoe een stukje van dat proces gaat in het lichaam, maar het meeste blijft voor de wetenschap verborgen.
 
Dan is het ook geen wonder, dat het onze pet te boven gaat hoe God in ons werkt en handelt.
Maar één ding weten wij wél:
de Heilige Geest, die beweegt ons.
Die inspireert ons op de een of andere manier.
Zij is als de zenuwbanen en meer nog als de stofjes die in het lichaam de ene cel aanzetten tot delen, en de andere tot samentrekken.
Net wat er nodig is.
Wij hoeven het niet te begrijpen, maar we mogen wel weten dat God zo liefdevol en intiem met ons verweven is, dat wij werkelijk deel  uitmaken van Hem, van Haar, ook al ervaren wij dat niet altijd, ook al zien wij het niet. God laat ons niet vallen, God laat ons niet los, ook niet als het moeilijk is, ook niet als wij het haast niet meer op kunnen brengen om ons op Hem te richten.
 
Het gaat niet om de juiste, de correcte manier van aanbidden, want dankzij Jezus, die op weg ging naar Jeruzalem, wetende dat Hij daar de dood zou vinden, mogen wij God in Zijn Geest en Waarheid aanbidden. Wat een voorrecht, wat een geschenk!
 
Waar zie je het aan, dat een gemeente God waarachtig dient? In elk geval aan het feit dat ze leven in het geloof dat Jezus werkelijk is opgestaan uit de dood. En dat Hij Zijn Geest heeft gegeven, opdat wij allen een zijn in Hem.
Ja, dan is er natuurlijk geen plaats voor kinderachtige ruzies over wie er nu gelijk heeft in bepaalde zaken. Wij zijn ver van de Weg gedwaald, als we ons daarmee bezig houden, want dat betekent altijd dat wij ons zelf, en onze eigen mening, meer waard vinden dan God. Au!
Daar mogen we wel eens aan denken, als wij in de verleiding komen om ergens een groot punt van te maken. Gaat het dan om ons of gaat het werkelijk om het heil van het Lichaam van de Heer?
 
Hoe dat ook zij, en wat onze zwakke punten ook zijn: wij mogen er voor God zijn. Hij houdt van ons, zoals we zijn. En Hij wil ons in Jeruzalem zien.
Niet dat wij nu een retourtje Israël moeten kopen.
Hij wil dat wij op pad gaan in ons leven, alsof al onze pijnen en al ons verdriet al genezen zijn.
En dan genezen ze.
Door Gods Liefde, die wij in Jezus kunnen zien.
Die wij in de Geest kunnen ervaren.
Hier, samen, als mensen van God.
Maar straks ook weer thuis, op school, op onze werkplek, of waar wij ook maar mogen zijn. Als wij ons open stellen voor die Liefde.
 
Wij zijn geliefde kinderen van God. Ieder van ons. Wij zijn onverbrekelijk met Hem verbonden, zolang wij naar Hem zoeken, zolang wij ons op Hem richten.
 
God houdt van je.
Leef daar dan ook naar, en laat het zien. Amen
 
Stilte
 
Orgelmuziek.

Alles wat wij hebben, hebben wij van God gekregen,
om  door  te geven, om met velen te delen en er zo meer van te genieten. 
Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen:   in de collecte
Na het gebed over de gaven zingen wij: NL353

Collecte
 
Offerandegebed
Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, het is allemaal uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons in dit alles de weg, en zegen onze gaven om Jezus’ wil… Amen.

NL353

Geen macht op aarde houdt hem in zijn macht
die werd begraven in de dood des Heren,
die opstond tot het leven in Zijn kracht
om aan Zijn hand een nieuwe weg te leren.
 
Water en Geest verwekten door de doop
een nieuwe mens, die voortaan vrij mag leven.
Bevrijd van zonde en vervuld van hoop
mag zij haar krachten aan het Godsrijk geven.
 
't Lied van de vreugde gaat van mond tot mond:
Gods liefde heeft ons samen uitverkoren
om overal, de hele wereld rond,
de boodschap van zijn rijk te laten horen.

Voorbeden
Laten wij danken en bidden, samen met onze broeder Maarten Luther:
Lieve God, Wij willen U aanbidden en danken om alle goede dingen die U ons geeft naar lichaam en geest., en vooral voor de blijde boodschap die we mochten horen. Geef dat het krachtig in ons werkt, en ons een diep begrip geeft van Jezus Christus, die door Zijn dood onze gerechtigheid, door Zijn opstanding ons leven en door Zijn Evangelie onze wijsheid geworden is.
Bron van barmhartigheid, wij bidden U dat U Uw kerk met allen die haar dienen wilt bezielen door Uw Geest, opdat Uw heilig Woord er naar waarheid wordt gebracht. Dat daardoor geloof en werkzame liefde versterkt mag worden in ons allen.
Zegen allen die geroepen zijn om op hun eigen plek in kerk en samenleving te dienen, en met name hen die worden opgeleid tot het ambt dat de verzoening preekt.
Ook bidden wij U voor zending, en dienst aan de naaste. Voor Israël, Uw volk, en zijn omgeving, om Uw beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, aan Sara, Rebekka, Rachel en Lea... Dat zij tot zegen zijn....
Wij bidden U voor koning en voor vaderland, voor allen die macht en verantwoordelijkheid hebben, dat zij die mogen uitoefenen in Uw kracht en wijsheid, opdat gerechtigheid en vrede overal ter wereld moge groeien.
Zegen de opvoeders van de jeugd met liefde, vertrouwen, en gevoel voor humor.
Geef mensen eerlijk werk, en maak ons dankbaar voor het voedsel dat we dagelijks van U krijgen.
Denk in Uw goedheid aan alle mensen in nood, voor de slachtoffers van het verkeer, van oorlog en van natuurrampen…

Geef de zieken de gratie zich aan U toe te ver-trouwen, wij bidden U voor Jo de Bos en zijn vrouw om gezondheid, en troost hen die in rouw gedompeld zijn.
Weer in Uw genade alles van ons af dat leven en geloof bedreigt.
Laat ons de Heer bidden :
G : Heer ontferm U
 
Blijf
dan bij ons, in alle voor- en tegenspoed, opdat wij in vreugde voor U leven, in Uw genade sterven en Uw Rijk binnengaan door Jezus Christus, Uw Zoon, met U en de Heilige Geest, waarachtig God, hooggeloofd in eeuwigheid.
 
Met Hem willen wij U samen danken en bidden met de woorden:
Onze Vader, die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Rijk kome, Uw wil geschiede,
gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren,
en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van het kwade



Ons slotlied is lied 793:1  
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ het tweede vers.

 

Zegen:
God moge zijn in ons hoofd en in ons begrijpen
God moge zijn in onze ogen en in ons kijken
God moge zijn in onze mond en in ons spreken
God moge zijn in ons hart en in ons denken
God moge zijn in ons komen en ons vertrekken.
Zo zegene ons God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, van nu aan tot in eeuwigheid

  Amen

NL 793:2

(en toen was er koffie...!)