Zondag 1 na Trinitatis 10-6-2007
in de Lutherse Schuilkerk in Abrahams schoot te Gorcum

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Confiteor
Grote God, wij aanbidden Uw Naam,
wij zegenen Uw aanwezigheid hier,
en wij vragen Uw zegen,
over allen die, waar ook ter wereld,
bijeenkomen om Uw goedheid te loven.

Goede God, wij vertrouwen op Uw Woord,
daarom zijn wij hierheen gekomen.
Wij bidden U voor allen die daar toe niet in staat zijn

Lieve God, Uw genade is groter dan ons tekortschieten.
Daarop vertrouwen wij, als wij vragen om vergeving,
als wij U vragen om al wat ons aan zorgen en vragen,
aan verdriet en onrust aankleeft, van ons weg te nemen,
opdat wij U in alle vrijheid als Uw kinderen kunnen aanbidden.

Amen.

Ons introtuslied, deze eerste zondag na Trinitatis, de eerste zondag in de groene zomertijd is gezang 310


Heer Jezus Christus, toon uw macht,
Heer aller heren, kom met kracht.
Bescherm uw arme christenheid,
dat zij U love te allen tijd.

O Geest, die onze Trooster zijt,
geef dat uw volk n Heer belijdt,
wees bij ons in de laatste nood,
leid ons ten leven uit de dood.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!



Zondagsgebed.
Lieve God, wij danken U, dat U hebt willen tonen hoe U n bent in veelkleurigheid,
hoe U drievuldig bent in eenvoudigheid.
Hoe Uw genadige liefde voor ons het leven tot een feest wil maken.
Laat ons dan met Uw ogen zien hoe dit feest ons draagt, ook in de donkere dagen van ons leven.
Hoe Uw genade ons telkens weer verrassen wil,
juist als we er niet open voor staan.
Wij danken U voor de Geest die ons dit wil doen beleven door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing: 1 Koningen 17: 17 24 NB
Koningin Isebel, die uit Sidon komt, uit Libanon, probeert de dienst aan Israls God uit te roeien, en Elia de profeet is haar natuurlijke doelwit. Hij heeft immers Gods profetie overgebracht dat er droogte zou zijn zolang het volk zich niet bekeert. God heeft hem verborgen bij de beek Keriet, maar als ook die opdroogt wordt hij gestuurd naar Sidon, waar een weduwe hem onderdak biedt in een opkamer, en voedsel;
dat kan ze doordat God een wonder doet: het meel in de pot raakt niet op, evenmin als de olie in de kruik. 
Maar dan op een dag.
We lezen hoe Pieter Oussoren vertaalt en verhaalt:
17   Het geschiedt
na wat hier verwoord is
dat de zoon van de vrouw,
de meesteresse van het huis,
ten slotte ziek is;
zijn ziekte wordt heel hevig
totdat er in hem geen levensadem meer over is.
18  Zij zegt tot Elia:
hoe heb ik het met jou, man Gods?
ben je naar mij toe gekomen om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen en mijn zoon te laten sterven?
19  Hij zegt tot haar: geef mij je zoon eens aan!
Hij neemt hem van haar schoot
brengt hem naar boven,
naar de bovenkamer waar hijzelf zijn zetel heeft,
en legt hem neer op zijn bed.
20  Hij roept tot de ENE en zegt:
ENE, Godovermij,
hebt ge zelfs over de weduwe
bij wie ik zwervertegast ben kwaad willen brengen door haar zoon te doden?
Hij strekt zich drie malen over het kind uit,
roept tot de ENE en zegt:
ENE, Godovermij,
moge toch de ziel van dit kind in zijn binnenste terugkeren!
22  De ENE hoort naar de stem van Elia,
de ziel van het kind keert in zijn binnenste terug
en hij herleeft.
23  Elia neemt het kind op,
daalt met hem af, van de bovenkamer het huis in, en geeft hem aan zijn moeder.
Dan zegt Elia: zie aan, je zoon leeft!
24  De vrouw zegt tot Elia:
n weet ik echt dat jij een man Gods bent, jij,
en dat het woord van de ENE in jouw mond betrouwbaar is!

Ons loflied op de Ene is psalm 89: 1 en 6

Wij loven, HEER, de macht van uw verheven hand,
uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand.
Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide
als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden,
en als herauten gaan U voor op al uw schreden
uw goedheid en uw trouw, o Vorst van onze vrede.

Epistellezing: Hebreen 4:14 5:10
14  Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden.
15  Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde.
16  Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.
1   Wie uit het volk tot hogepriester wordt gekozen, wordt aangesteld om tussen God en de mensen te bemiddelen, om gaven en offers te brengen voor de zonden.
2  Doordat hij zelf aan zwakheden ten prooi kan vallen, is hij bij machte begrip op te brengen voor hen die uit onwetendheid dwalen,
3  en daarom moet hij niet alleen offers opdragen voor de zonden van het volk maar ook voor zijn eigen zonden.
4  Niemand kan zich die waardigheid toeeigenen, men wordt daartoe door God geroepen, zoals ook met Aron gebeurde.
5  Christus heeft zich de eer hogepriester te worden evenmin Zelf verleend, dat deed Degene die tegen Hem zei: Jij bent Mijn Zoon, Ik heb je vandaag verwekt.
6  Ergens anders zegt Hij iets vergelijkbaars: Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.
7  Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot Hem die hem kon redden van de dood, en Hij werd verhoord vanwege Zijn diep ontzag voor God.
8  Hoewel Hij Zijn Zoon was, heeft Hij moeten lijden, en zo heeft Hij gehoorzaamheid geleerd.
9  En toen Hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd Hij voor allen die Hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding,
10   omdat God Hem heeft uitgeroepen tot hogepriester
zoals Melchisedek dat was.

De psalmist zingt terecht: Laten alle koningen op aarde U loven, Heer. Zij hebben de beloften uit Uw mond gehoord. (ps 138:4) HALLELUJA!

Gezang 325 is ons lied

Maar als een glimp van de zon
een groene twijg in de winter,
dorstig en hard deze grond
zo is het koninkrijk Gods.

Stem die de stilte niet breekt
woord als een knecht in de wereld
naam zonder klank zonder macht
vreemdeling zonder geslacht.

Kinderen armen van geest
mensen gelouterd tot vrede
horen de naam in hun hart
dragen het woord in hun vlees.

Blinden herkennen de hand
dovemansoren verstaan hem
zalig de man die gelooft
zalig de boom aan de bron.

Niet in het graf van voorbij
niet in een tempel van dromen
hier in ons midden is Hij
hier in de schaduw der hoop.

Hier in dit stervend bestaan
wordt Hij voor ons geloofwaardig
worden wij mensen van God,
liefde op leven en dood.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Lucas 7: 11 17.
Hieraan vooraf gaat de genezing van de knecht van de hoofdman over honderd, in Kapernam.
11   Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Nan heet, (lieflijkheid) en Zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee.
12  Toen Hij de poort van de stad naderde, werd er net een dode naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe. Een groot aantal mensen vergezelde haar.
13  Toen de Heer haar zag, werd Hij door medelijden bewogen en zei tegen haar: Weeklaag niet meer.
Hij kwam dichterbij, raakte de lijkbaar aan de dragers bleven stilstaan en zei: Jongeman, Ik zg je: sta op!
De dode richtte zich op en begon te spreken,
en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder.
16  Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zich om Zijn volk bekommerd!
17  Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omtrek.
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

Credo:
In antwoord op Gods Woord willen wij ons geloof belijden met het zingen van: het lied uit de nieuwe bundel tussentijds nummer 95.
wisselzang v - g

De Vader die de wereld schiep,
de stem die ons tot leven riep:
dat is mijn God, ik roep Hem aan
en breng Hem dank voor mijn bestaan.


Wie is dat ene mensenkind
dat anderen zo heeft bemind,
dat Hij zich aan een kruis liet slaan,
ons nog doet vragen naar Zijn naam?


De Zoon die ons geboren is,
het licht in onze duisternis,
voor kleine mensen, diep in nood,
een hoopvol woord tot in de dood.

Wie zingt in ons dat ene lied:
Het leven doet de dood te niet?
Verlangen dan maar niet verslijt,
een ademtocht van eeuwigheid?

De Geest die ons de ruimte geeft,
de levenskracht die ons beweegt:
de liefde krijgt de overhand,
de aarde wordt tot vruchtbaar land.

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER, DOOR DE HEILIGE GEEST.

Lieve vrienden, lieve mensen van God,

Als we het verhaal van Elia horen, dan zijn veel mensen geneigd de schouders op te halen. Wonderen bestaan voor hen niet, die zijn een overblijfsel uit een primitieve tijd, uit een andere cultuur. Tegelijk zien we dat in onze maatschappij een groot verlangen bestaat naar wonderen.
Een televisieprogramma heeft er een jaar lang ruim aandacht aan gegeven. Het dagblad Trouw heeft een regelmatige rubriek waarin mensen hun soms inderdaad heel wonderlijke ervaringen kwijt kunnen, ervaringen met God of het goddelijke, want vaak schroomt men God als zodanig te benoemen. Dat vraagt immers meteen keuzes, en stellingnames, en consequenties, en daar hebben we niet zon zin in Vooral niet als ze religieus getint zijn. Mensen mochten eens denken dat je fundamentalist bent, en de maatschappij wilt hervormen.

Dat op zich is niet zon gekke gedachte, want wie zich verbonden weet met God, wie haar of zijn leven toewijdt aan God, of aan een god, die zal zijn of haar leven daar ook aan moeten npassen. Die maakt geen keuzes die alleen op de persoon zelf gericht zijn, maar ook de Ander waar je deze relatie mee hebt, wordt daarin betrokken. Elke relatie brengt mee dat je blik op de werkelijkheid wordt bijgesteld, omdat die ander ook een inbreng heeft die meetelt.
En dus zeker zon belangrijke relatie als die met God.
Wonderen verwijzen in onze beleving altijd naar God.
Dus is de manier waarop wij naar wonderen kijken, hoe wij met wonderen omgaan, een aanwijzing voor ons Godsbeeld, en voor de mate waarin we het bestaan van God erkennen en toelaten in ons leven.
Waarschijnlijk reageren mensen daarom zo heftig op wonderverhalen. Ze willen ze ook vaak meteen om zeep helpen, is u dat wel eens opgevallen?
Ze komen haast altijd met verklaringen die ze moeten ontkrachten.
Toch is dit verhaal dat maar een klein deel vertelt uit het leven van Elia, en waaraan Lucas zeker moest denken toen hij het verhaal van de jongen in Nain opschreef, - hij gebruikt dezelfde zinswendingen, en geeft daarmee aan dat Jezus minstens zo groot is als Elia, en in dezelfde traditie staat, - toch is dit verhaal mr dan alleen een verhaal over een wonder.
En wat voor een wonder! Het is een wonder waarmee de God van Isral, de Schepper van heel deze wereld, aangeeft dat Hij de macht over leven en dood heeft.
Over dingen en mensen.

Als ik nog even terug mag gaan naar het begin, dan was daar koningin Isebel, die vanuit het gecultiveerde Libanon naar het achterlijke Isral is uitgehuwelijkt.

Natuurlijk heeft ze haar eigen cultuur en haar eigen goden hoger dan wat ze daar aantreft. En die eigen godsdienst probeert ze dan ook langs alle kanten te promoten.
Maar ze heeft in de God van Isral en in Diens hoogste vertegenwoordiger in Isral: de profeet Elia, een formidabele tegenstander.
Eigenlijk had de koning die rol moeten vervullen, maar het koningschap is niet meer wat het geweest is: geen zelfverplichting van een mens om eerst God en dan het volk te dienen. Dat is, denk ik, wat onze koningin Beatrix op de been houdt, maar koning Achab boog zich voor de Bal, de regengod die zijn echtgenote Isebel diende, en die ook door de Kananieten werd vereerd voordat de kinderen van Jacob het beloofde land binnen trokken
Extra irritant dan, dat er geen regen komt, zolang de rechtmatige God van Isral de vinger op de kraan houdt!

Het koningspaar, met de koningin voorop, vervolgt Elia zo fanatiek als maar mogelijk is.
En, o ironie! deze vindt een onderdak bij een straatarme weduwe uit datzelfde Sidon waar Isebel vandaan kwam.
We zien hier een onverhuld stuk maatschappijkritiek.

Je moet het als dienaar van God  niet hebben van de officile macht, maar van hen die zelf in de problemen zitten. De onderste laag van de maatschappij.
Moeder en zoon blijven in leven, doordat ze een andere verschoppeling opnemen in hun gastvrije huis, ook al zijn ze zelf op de rand van de hongerdood.
Wie niet heeft, die geeft.

Wie reist ziet vaak met schaamte hoe royaal de armen zijn en hoe weinig wij in het algemeen geneigd zijn onze huizen open te stellen voor vreemden. :-(
Maar God geeft waar de mens bereid is te delen.

Mooi!
Eind goed, al goed.

Niet dus.

De jongen, die ondanks de hongersnood in leven is gebleven door Gods ingrijpen, wordt zo ziek dat alle leven uit hem wijkt.
Zijn moeder zit daar, als een voortijdig pietbeeld met haar kind op de knien, en ze verwenst Elia, die haar dit heeft aangedaan.
Eerst redden, en dan wegnemen. Het is niet eerlijk!
Ze valt Elia aan met een zinswending die we nog een paar keer vaker terug vinden in de bijbel.
Letterlijk staat er: wat (is er) tussen u en mij?
We vinden die uitdrukking eveneens bij de bruiloft te Kana, waar Jezus zich in het nauw gebracht voelt door de aandrang die Maria op Hem uitoefent om een wonder te doen, om kunstjes te vertonen, waarvan Hij echt niet het gevoel heeft dat Hij daarvoor nou op aarde gekomen is
En we vinden de uitdrukking bij de demonen die de Heer aanspreken, in hun angst dat Hij ze zal uitwerpen en vernietigen. Het klinkt dan ook behoorlijk agressief!
Ik heb deze uitdrukking tot nu toe steeds gelezen als de kreet van iemand die zich onschuldig in het nauw gedreven ziet.
Maar er is kennelijk ruimte voor twijfel.
Ben je soms gekomen om mij mijn ongerechtigheid onder de neus te wrijven? Is dit een wraakactie van je God?.
Kennelijk is haar geweten niet helemaal brandschoon.
En dat van de demonen die Jezus uitdrijft natuurlijk helemaal niet, als ze al een geweten hebben.
En als Jezus nu echt had gedacht dat Zijn moeder honderd procent ongelijk had, dan zou Hij zich denkelijk niet bedacht hebben, of Hij zou de Vader niet hebben gevraagd: wat moet Ik hiermee?
En de vreugdevolle bruiloft zou in het water van de teleurstelling gevallen zijn.
Hoe hb ik het met jou, man Gods? vertaalt Pieter Oussorn.
Wij mogen God ter verantwoording roepen, en Zijn dienaren ook.  Dat zien we heel de bijbel door.
Gelukkig maar, want in pijn en nood schudden wij nog wel eens de vuist naar de hemel. Wanneer mensen die ons dierbaar zijn veel te jong overlijden bijvoorbeeld.
Dan zeggen we lang niet altijd: de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd.

Job zegt dat in het eerste hoofdstuk van het boek dat zijn naam draagt. Maar aan het eind bevraagt hij God wel degelijk. En als God antwoordt door te verwijzen naar Zijn macht, dan zegt Job geschrokken: Oeps, ik heb voor mijn beurt gesproken, ik wist niet waar ik het over had.
Z ver is Elia nog niet.
Hij probeert eerst de macht die hij van God gekregen heeft als profeet op de jongen toe te passen.
Daar behoren rituelen bij.
Die hebben eerder gewerkt. Dus waarom nu niet?
Ze werken niet.

Elia spreekt God er op aan!
Dit kunt U niet maken: deze weduwe, die me onderdak en voedsel verschaft, kwaad doen door haar het enige dat ze heeft: haar kind, dat later voor haar zorgen moet, van haar af te nemen.
Het kind zal, als ze niet meer in staat is te werken, haar levensverzekering zijn. In dit verhaal en in het Evangelie gaat het niet om het kind, maar om de moeder die beroofd wordt. Niet alleen van het kind waarvan ze houdt, maar ook van haar enige zekerheid op de lange duur.
Het zijn beiden vrouwen met maar een minimum aan bestaanszekerheid.
Vrouwen zonder maatschappelijke rechten.
Ook al wordt de baar in het geval van het Evangelieverhaal gevolgd door een lange stoet rouwdragers en sympathisanten.
En in beide gevallen geeft God het kind, via Elia, via Jezus, aan de moeder terug.
En Hij laat zien: een alleenstaande vrouw moet niet van haar toch al zo wankele bestaanszekerheid beroofd worden.

God neemt in de bijbel vaak in relatie tot de mensen de gestalte aan van een vader. Dat wil zeggen: van de ouder die voor de opvoeding verantwoordelijk is. Die ons zal leren hoe we moeten leven.
En opvoeden, dat weten we allemaal, drijft op het voorbeeld dat we geven. We kunnen honderd uren goede woorden vernietigen door een onachtzaam oordeel dat we uitspreken waar de kinderen bij zijn, of door een manier van doen, die dwars staat op wat onze woorden vertegenwoordigen. God vertelt niet alleen dat we ons moeten bekommeren om de weduwe en de wees, de economisch en sociaal zwakste groepen in de bijbelse samenleving, maar Hij leeft het ook voor.

En dat legt de bal weer bij ons neer.
Wat doen wij met deze verhalen?
Wat knnen wij er mee?
Durven we geloven dat God ons in Zijn wonderen een aanwijzing geeft hoe wij met de schepping om moeten gaan?
We hebben misschien al zo vaak om een wonder gevraagd, en het kwam maar niet.
Of we zagen het niet, omdat het een andere vorm had dan we hadden gevraagd, geist, gehoopt
Dat gebeurt regelmatig.

Of wij begrepen maar niet waarom God in Zijn wijsheid iets toeliet waarvan wij het gevoel hadden dat Hij het had moeten verhinderen. Hij kn het toch?
Dan moet Hij het ook doen, vinden wij, want wij weten het beste wat goed is voor onszelf en voor anderen.
Niet dus. Net als Job spreken we soms voor onze beurt.

Geloven in God vraagt van ons het lef om te vertrouwen dat ook onze pijn in Gods hart gegrift is.
En dat onze klachten God cht wel bereiken, en dat Hij er iets mee dt!

Lazen we niet in de epistel dat wij in Jezus vertegenwoordigd zijn in de Hemel zelf, voor Gods troon?
Zoals de Hogepriester vroeger als enige in het Heilige der Heilige in de tempel kwam, om daar te offeren voor de zonden van het volk en van zichzelf, zo staat Jezus, Hij die ons leven deelde, zonder zich af te keren van God, want dat is de diepste zonde, oog in oog met God, en komt voor ons op.
De opwekking uit de dood van deze jongens, maar meer nog: de Opstanding die wij met Pasen en elke zondag vieren, moet ons toch doen erkennen dat het Woord van de Ene, van de Aanwezige, het Woord van God, betrouwbaar is.

En dat we ons dat moeten aantrekken.
Dat het ons ter harte moet en mag gaan.
De zorg voor de zwakken is een onderdeel van het programma dat de Heer ons voorhoudt.
Houd van God met al wat in je is, en houd van je naaste als van jezelf. Zo formuleert Jezus het.

Houden van vraagt om vertrouwen.
Vertrouwen dat de ander het goed met je voor heeft.
Maar ook het vertrouwen dat je mag vragen hoe het zit, zonder dat daarmee de verhoudingen voor altijd en volledig verstoord zijn.

Als onze kinderen op een redelijke toon vragen naar het hoe en waarom van onze beslissingen, kunnen we daarover goed met ze praten, mits we er zelf over na gedacht hebben, en onze beslissingen goed gefundeerd zijn. Anders komen we daar ter plekke achter, en dan moeten we nog eens goed nadenken.
(Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde: als wij onze kinderen met echte belangstelling bevragen, en zonder dat in onze toon het al gevelde oordeel doorklinkt, blijken ze te kunnen communiceren zonder met deuren te slaan!)
Maar het kan ook gebeuren dat we moeten zeggen: dt is nog een beetje te ingewikkeld voor jou om te begrijpen, vertrouw nu maar dat we het goed met je voor hebben.
En dan kunnen er wonderen van goede wil en samenwerking gebeuren.

De basisvraag van ons leven is elke dag weer: vertrouw ik God, en vertrouw ik mijn leven aan Hem toe, ook als ik niet begrijp waarom de dingen zo moeten?

En als we daar ja op willen zeggen, dan zal het met wat oefenen ook gaan. Dan kunnen we dat op den duur ook.
En dan kunnen we Gods grote Naam loven om de goede dingen die Hij wl doet, en die we om ons heen zien.

Er was in de bijbel ook een moeder die haar Kind zag sterven, en er gebeurde gn wonder.
Maar het Kind dat Zijn leven voor ons allen gaf, op dat kruis, schonk Zijn moeder een ndere zoon.
Zijn beste vriend Johannes.
En de naam betekent: God is genadig.
Laten we ook daar aan denken, als het leven moeilijk is en we toch verder moeten, toch verder mogen. 
In de Naam van de Vader en de Zoon, door de Heilige Geest. Amen.

Muziek

Collecte door de kinderen

Gebed over de gaven

Lieve God, wilt U alstublieft zegenen wat we hier bij elkaar hebben gebracht,
  zodat het is tot eer van Uw Naam,
en zodat het Uw gemeente wereldwijd ten goede komt.
Laat het een offer mogen zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt,
door Jezus Christus, onze Heer.  Amen

Ons lied komt uit het kleine blauwe boekje Zolang er mensen zijn, lied 97

Voorbeden:
Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U voor Uw liefde, ook als we die niet zien en niet herkennen. Wij danken U voor de getuigen die ons telkens weer verzekeren: God bestaat, God heeft ons lief, heeft j lief, zoals je bent.
Wij bidden U dat Uw Heilige Geest die stem en die woorden in ons hart wil versterken en herhalen, totdat we er van harte mee in kunnen stemmen en er uit kunnen leven. :-)

Lieve God, wij danken U dat Jezus is gekomen, en dat Hij in eeuwigheid onze aarde bij U vertegenwoordigt, ons leven bij U present stelt. Dat wij zo, ook als wij zelf tekort schieten in aanbidding en gebed, altijd in Uw aandacht blijven. Dat ons leven geborgen is in Uw aanwezigheid. En dat Uw liefde blijvend is. Of wij leven of sterven, wij zijn bij U, U bent bij ons.
En wij bidden U voor allen die dit niet ervaren, dit niet horen, dit niet van ons zien.
Heer, ontferm U.

Ontferm U Heer, over deze wereld met haar pijn en onmacht, met haar angst en luide geschreeuw, met haar geweld en onzekerheden.

Wij bidden U ook voor onze zieken,
voor deze gemeente en voor de kerk waartoe we horen, voor allen die daarin voorgaan in de dienst aan U en elkaar, en voor allen die daarin volgen op de weg die Jezus ging.
Hij die ons leerde zeggen en zingen:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals wij aan anderen hun schuld vergeven;
en leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwade!

 

Slotlied: wij zingen lied 211 het eerste vers uit  Tussentijds

Na de zegen, zingen we, in plaats van het Amen de rest van het lied uit Tussentijds 211: 2, 3 en 4

Zegen
:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart om ze te spreken.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Amenlied: Tussentijds 211: 2, 3 en 4

Vrede, vrede laat Gij in onze handen, -

dat wij die als zaad dragen door de landen,

zaaiend dag aan dag, zaaiend in den brede

totdat in Uw vrede ons hart rusten mag.

 

God, schenk ons de kracht dicht bij U te blijven,

dan zal ons geen macht uit elkander drijven.

Zijn wij in U een samen op Uw wegen

dan wordt ons tot zegen lachen n geween.

(Tekst en melodie: Dieter Trautwein, vertaling: Ad den Besten)

En toen was er koffie! :-)