Voor eerdere diensten klik hier:

Zondag 18 na Trinitatis 4 october 2015 te Leerdam
Organiste: Corry Hasebos

Afkondigingen en aansteken van de kaarsen.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.    
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer    
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, vergeef ons al wat wij misdeden,
en laat ons weer in vrede leven.
Amen.

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Introïtus: de Antifoon voor deze zondag luidt:
Beloon wie standvastig op U wachten. Laat Uw profeten geloofwaardig blijken. Verhoor, Heer, het gebed van Uw dienaren. (Jesus Sirach 36:18)

En de psalm luidt: Verheugd was ik toen ik hoorde: ‘Wij gaan naar het huis van de Heer’!
Verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten, Jeruzalem. Vraag om vrede voor Jeruzalem. Dat rust hebben wie van je houden, dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.
(Psalm 122: 1,2,6,7)

Antifoon: Beloon wie standvastig op U wachten. Laat Uw profeten geloofwaardig blijken. Verhoor, Heer, het gebed van Uw dienaren. (Jesus Sirach 36:18)


Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld, - die is groot – we horen van overstromingen en modderstromen, van oorlogsgeweld en eindeloze rijen vluchtelingen, we mogen die bij God neerleggen…
Maar laten wij dan ook Zijn Naam prijzen, omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!



Zondagsgebed:
Heer God, nu Uw volk het Loofhuttenfeest viert bidden wij U: wil hen en ons leiden in Uw Geest, geef vrede aan Jeruzalem, door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament: Ezechiël 34: 20 – 31
Ezechiël, priester en profeet… Hij wordt in 597 voor Christus met de koning en het hof naar Babel gedeporteerd. 11 jaar later, valt Jeruzalem, het wordt verwoest en de bevolking wordt op transport gesteld. Voor die tijd heeft Ezechiël gewaarschuwd, nu ziet hij uit naar een toekomst vol troost, zoals God die voorzegt. Maar kort na de val van Jeruzalem moet Ezechiël toch de leiders van het volk waarschuwen, sterker: hij moet ze aanklagen. Zij komen niet op voor het volk, zoals een goede herder voor zijn kudde. Déze herders denken alleen aan zichzelf. Dan zal God wel Zelf voor Zijn schapen zorgen, en ze van overal terughalen, en ze weer naar Israël brengen.

Maar ook binnen de kudde gaat het mis. De mannetjes (lees: de sterkere dieren) proberen de vrouwtjes (de zwakkere dieren) buiten de wei te drijven. En dat accepteert de Heer niet. We lezen:

20. Daarom, zo spreekt mijn Heer, de Aanwezige, hun God: “Let op Mij! Ikzelf zal rechtspreken tussen de leden van de kudde die vet zijn en de leden van de kudde die mager zijn.
21. Omdat jullie je je met flank en schouder tegen hen in zetten, ja, met behulp van jullie beide hoorns over heel het stuk (land) dat jullie ter beschikking staat héén walsen, drijven jullie de vrouwtjes óp tot ze buiten staan.
22. Maar Ik zal Mijn kudde te hulp komen, en ze zullen (niemand) meer ten prooi vallen, ja, Ik zal rechtspreken tussen het ene lid van de kudde en het andere.
23. Ik zal over hen één herder aanstellen, en de wijfjes zal hij: Mijn dienaar David, weiden, hij weidt hen en hij is hen tot herder.
24. En Ik, de Aanwezige, Ik ben hen (dan) tot God, en Mijn dienaar David is in hun midden de prins, (de man met gezag).      
Ik, de Aanwezige, heb gesproken!”
(Dan een volgende profetie die naar de toekomst kijkt:)

25. “En Ik zal met hen een vredesverbond sluiten, en Ik zal alle slechte wezens van de aarde verwijderen, maar zij zullen veilig en wel in de vlakten wonen, en zij zullen slapen in de bossen
26. Ja, Ik zal hen een plaats aanwijzen, en wel rondom Mijn gezegende heuvel, en Ik zal op zijn tijd stortregens omlaag laten klateren, regens (vol) zegen zullen het zijn!
27. De boom in het veld geeft zijn vruchten, en de aarde zal haar rijkdom voortbrengen, en zij zullen veilig en wel op hun grond leven. En ze zullen weten dat Ik, de Aanwezige, het ben, die de armen van hun juk stuk breekt. Ja, Ik zal hen bevrijden uit de hand van hun slavendrijvers.
28. De overige volkeren zullen hen niet meer buit maken, de wilde dieren zullen hen niet meer verslinden, maar ze zullen in veiligheid leven, en niemand die ze schrik aanjaagt!
29. Ik zal, als visitekaartje, voor hen zorgen dat er (ruim) planten zijn, dan zijn er geen verwoestende hongersnoden meer op aarde, en de overige volkeren spreken van niemand meer schande.
30. Ja, ze zullen weten, dat Ik, de Aanwezige, hun God, mét hen ben, en dat zij, het huis Israël, Mijn volk zijn.” Zo heeft mijn Heer, de Aanwezige, letterlijk gezegd.
31. “Ja, jullie, vrouwen, zijn Mijn kudde, een kudde mensen die Ik weid zijn jullie, mannen!
Ik ben jullie God.”  
Zo heeft mijn Heer, de Aanwezige, het letterlijk gezegd.
Aldus Ezechiël. Tot hiertoe deze lezing.

Wij mogen op God vertrouwen, ook als het moeilijk is! Laten we dan zingen: lied: NL16b
(2x)

Epistel
lezing: 
1 Corinthe 1: 1 - 9
De eerste brief aan de Corinthiërs is gericht aan een gemeente die Paulus zelf had gesticht (1 Cor 2,1-5; vgl. Hnd 18,1-17). Dit was geschied in de jaren 50-52. Corinthe was toen een belangrijke havenstad, een knooppunt van verbindingen tussen Oost en West. De gemeente bestond hoofdzakelijk uit bekeerde heidenen, behorend tot de maatschappelijke onderlaag (1,26-31).

De directe aanleiding tot het schrijven van 1 Corinthiërs was een brief van de gemeente zelf, waarin zij het oordeel van Paulus vroeg over een aantal punten (7,1). Hij antwoordt hierop vanaf 7,1. De vragen betroffen in elk geval kwesties over seksualiteit en huwelijk (7); waarschijnlijk hadden ze ook betrekking op het gebruik van het offervlees (8-10) en de charisma's of bijzondere genadegaven (12-14), misschien ook op de leer van de opstanding (15). Bovendien had Paulus mondelinge inlichtingen (1,11) ontvangen omtrent de situatie van de gemeente, o.a. over onderlinge partijdigheid en onenigheden; hierover heeft hij het in de eerste zes hoofdstukken. Reeds eerder had hij een brief geschreven aan de Corinthiërs, maar deze is verloren gegaan (5,9-13).
1 Corinthiërs is geschreven te Efese, waarschijnlijk in het voorjaar van 54 of 55
, vgl. 5,6-8; 16,5-9. We lezen:

1  Van Paulus, apostel van Christus Jezus, geroepen door de wil van God, en van onze broeder Sostenes.
2  Aan de gemeente van God in Corinthe, geheiligd door Christus Jezus, aan hen die zijn geroepen om Zijn heiligen te zijn, en aan allen die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, waar dan ook, bij hen en bij ons.
3  Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus.
4  Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus Zijn genade heeft geschonken.
5  Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis
6  bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is,
7  en hierdoor ontbreekt het u, terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest.
8  Zij is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus.
9  God, door wie u geroepen bent om één te zijn met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw.

De Psalmist roept op: Halleluja!
Loof de Heer, want Hij is goed, bezing Zijn Naam, zo lieflijk van klank.
Psalm 135:3. HALLELUJA!


Laten we Gods lof dan zingen met lied NL870: 1, 2, 3 en 8. Het is een bekende melodie!

2. Godlof, aan ons is toegezegd
dat Gij herleven doet
wie zijn gesneuveld in ’t gevecht
van ’t kwade tegen ’t goed.

3. Een ander trad in onze plaats,
een mens tot ons behoud,
geprezen zij de liefde Gods
die ons zijn raad ontvouwt.

8. Geprezen, God, Uw wijs beleid,
die omweg van Uw Woord,
ver boven alle hoogte uit,
en alle diepten door.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Mattheüs 22: 34-46

Eerder in het hoofdstuk is er geprobeerd om de Heer Jezus via allerlei trucjes in de val te laten lopen, zodat men een reden had om Hem aan te klagen.
Maar Hij is ze te slim af!

34. Als de Farizeeërs horen dat Hij de Sadduceeërs tot zwijgen heeft gebracht stromen ze bij Hem samen;
35. één uit hen, een wetgeleerde, stelt een
vraag
om
Hem op de proef te stellen:
36. 
'Leermeester, wat is in de Wet het grote gebod?'
37. 
Hij verklaart hem:   
"'
liefhebben zul je de Heer, je God 
met heel je
hart en heel je ziel      
en heel je
verstand’;
38.  dat is het grote en eerste gebod;
39.  het tweede, daaraan gelijk:    
liefhebben zul je je naaste als jezelf’;
40.  aan deze twee
geboden  
hangt heel de Wet én de
profeten!

41.  Nu de Farizeeërs samengestroomd zijn stelt
Jezus een vraag aan hén
42.  en zegt: "Wat denkt ú over de
Christus? –
wiens zoon is hij?"  
Ze zeggen tot Hem: 'van
David!'
43. 
Hij zegt tot hen: "Hoe kan het dan dat David -
door de Geest gedreven - hem ‘heer’ noemt,
als hij zegt (psalm 110)
44.  ‘de
Heer zegt tot mijn heer:   
zetel aan Mijn rechterhand,   
totdat
Ik je vijanden heb gelegd onder je voeten’?
45.  Als
David hem dus ‘heer’ noemt,    
hóe is hij dan zijn zoon?

46.  Niemand is bij machte geweest      
Hem een woord te antwoorden,     
en men durfde vanaf die dag
Hem niet meer zo’n vraag te stellen.


Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


Credo:  In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden:

We lezen alles samen...

Wij belijden ons geloof samen met de eerste getuigen van Jezus Christus:
Met Johannes de Doper: Zie hier het lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt...
Met Andreas: We hebben de Messias gevonden...
Met Nathanaël: Meester, U bent de Zoon van God, de koning van Israël...
Met de Samaritanen: Wij weten dat Hij werkelijk de redder der wereld is...
Met Petrus: U bent de Christus, de Zoon van de levende God....
Met Martha: U bent de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komt...
Met Thomas: Mijn Heer en Mijn God....
Amen.


Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.
Lieve Gemeente,

In de Bijbel worden ons soms vragen gesteld, waar je niet zomaar van terug hebt.
De vragen die aan anderen worden gesteld, worden in wezen ook aan ons gesteld, als wij bij de gemeenschap, de gemeente van God willen horen.
Bij Gods volk, bij Zijn kudde
Weet wel dat in de tijd van het Oude Testament, en ook nog in Jezus’ dagen, een kudde het kostbaarst was wat je hebben kon.

Jezus stelt de Farizeeërs en Schriftgeleerden de vraag: “Hoe zit dat, hoe zien jullie, die altijd maar met de letter, punt en komma van de Heilige Tekst bezig zijn, deze vraag?”
“Hoe kan David
hem (in psalm 110) -
door de Geest gedreven - ‘heer’ noemen,
als hij zegt: ‘de
Heer zegt tot mijn heer:       
zetel aan Mijn rechterhand,    totdat
Ik je vijanden heb gelegd onder je voeten’?
Als
David hem dus ‘heer’ noemt, hóe is hij
, de Christus, dan zijn zoon?”

Het is een vraag waarmee niet alleen de theologen uit Jezus’ dagen mee in hun maag zaten, wij weten ook niet zo meteen een antwoord, maar ik denk dat onze lezing uit Ezechiël ons iets verder kan helpen.

In vers 20 – 23 gaat het over het misbruik dat sommige mensen maken van hun kracht. De samenleving wordt in deze gelijkenis, want dat is het, afgebeeld als een kudde met geiten en schapen, rammen en bokken samen met de vrouwtjes.
Melk en kaas zijn nog een luxeartikel, het meest brengen het vlees en de vacht op, dus zijn op zich de mannetjes en de vrouwtjes economisch evenveel waard. Het is echter duidelijk dat de positie van de vrouw ook in de tijd van Ezechiël niet echt te benijden is, maar eveneens dat dit níét is wat God voor ogen heeft. Hij zegt met nadruk dat Hij een aparte herder zal aanstellen, die er voor de vrouwtjes is, met andere woorden: voor de zwakkeren in de samenleving. Die zal hij weiden, hij zal hún herder zijn. Wat de mannetjes betreft zal God Zelf hun herder zijn.
De herder die hen met stokslagen en zijn staf op de juiste weg brengt. (Denk maar aan psalm 23: Uw stok en Uw staf…)
Maar de andere herder gaat zachtzinniger te werk, hij zorgt voor de vrouwtjes, geeft ze te eten, geeft ze wat ze binnen de kudde tekort kwamen. Hij heelt ze, verzorgt ze…

Het is interessant te zien hoe God hier heel nadrukkelijk de kant van de vrouw kiest, als ze door anderen in de verdrukking komt!
En dan niet alleen om de vrouw als vrouw, maar het gaat natuurlijk over alle kwetsbare mensen en dieren in Gods goede schepping.


Die herder, die er voor haar zal zijn, voor hen, daar herkennen wij Jezus in.
En terecht!
Immers: Hijzelf herkent Zijn eigen roeping hier ook in. Dàt lezen we vaker in de Bijbel.
Voor de zieken en de zwakken is Hij gekomen, de gezonden redden het wel – ook in hun relatie met God.

Nu wordt er hier wel iets bijzonders gezegd over deze herder, deze figuur, die ‘Mijn dienaar David’ wordt genoemd. In vers 24 staat: En Ik, de Aanwezige, Ik ben hen (dan) tot God, en Mijn dienaar David is in hun midden de prins (de man met gezag).
Aangezien God de wérkelijke Koning van het volk is, zal de afstammeling van David, die hier wordt genoemd als
herder, ongetwijfeld méér zijn dan gewoon een van de koningen uit de dynastie van David. Deze prins staat in een directe relatie met God, met de Aanwezige, hij kon wel familie van Hem zijn!
In de koningspsalmen in het Oude Testament zien we de koning van het volk soms als een geadopteerde zoon van God.

Zo heeft Ezechiël die tekst, die hij het volk had over te brengen, waarschijnlijk ook gehoord. En het volk net zo.

Maar wij weten intussen wel dat onze logica niet Gods logica is.
Zijn Geest gaat onze denkwereld telkens weer verrassend en verre te boven.

In Jezus zijn veel van Gods beloften vervuld.
Of er is een begin met die vervulling gemaakt.
Op een manier die niet werd verwacht, en die daarom ook niet werd herkend.
In Jezus’ tijd werd de van God gezondene verwacht als de Messias, de Gezalfde, die trekken zou hebben van een profeet, een hogepriester, een koning… Er werd véél van hem verwacht: alle problemen zou hij oplossen.
Als hij er eenmaal was zou alles goed komen.

En dan is hier die Jezus, die niet heeft gestudeerd aan een rabbijnenschool, maar wél praat alsof hij de wijsheid in pacht heeft, die het over God heeft als over zijn ‘Papa’, en die ze maar niet op woorden kunnen vangen, terwijl hij heel het volk achter zich aan krijgt door de vele wonderen, en doordat hij steeds vertelt dat Gods Koningschap heel dichtbij is.
Al bijna zichtbaar is.
En weer lukt het niet om hem te slim af te zijn.

Maar nu stelt Hij een vraag.
Jullie zijn zo knap, hoe lezen jullie de schriften? Hoe zit dat nu met David, en met degene over wie de psalm zingt als: mijn Heer????

Het is een strikvraag. Ongetwijfeld, want wat ze ook antwoorden, Hij zal het hen ongemakkelijk maken. Hij zal ze laten afgaan, waar het volk bij is.
Stél je voor dat Hij inderdaad de Messias was, dan zou die tekst op Hem kunnen slaan. Brrrr!
En dan zou Hij terecht vragen: waarom luisteren jullie niet maar Mij?

Ze willen het antwoord maar liever niet weten.
En ze willen in elk geval niet dat hij het antwoord ís…
Ezechiël 34:22 laat ons zien, dat het antwoord op Jezus’ vraag moet zijn: de prins, die God heeft aangesteld als Zijn Zoon en stadhouder.
Jezus dus!
En Lukas heeft ons laten zien dat Jezus van méér dan koninklijk bloed is. Dat Hij op onvoorstelbare wijze werkelijk Gods Zoon is.
Een Prins met een hoofdletter.

Voor ons is dat makkelijker te zien en te aanvaarden dan voor Jezus’ tijdgenoten.
Wij weten immers van Zijn opstanding en Hemelvaart, wij weten van het Pinksterfeest, en van de uitstorting van de Heilige Geest, die al die dingen heeft uitgelegd, en nog uitlegt, ook hier en nu, die Jezus’ tijdgenoten niet van Hem begrepen hebben, zelfs niet Zijn leerlingen en vrienden.

Jezus daagde met Zijn vraag aan de Farizeeërs en Schriftgeleerden Zijn toehoorders uit om zich af te vragen of ze wel wilden weten wie Hij wezenlijk was, en wat Hij voor hen betekende.

Maar die vraag stelt Hij U en jou en mij ook: Wie bén Ik voor je?
Jezus vraagt: Ben Ik degene naar wie je toekomt met je pijntjes en je verdriet, kus er op, en je kunt weer verder, of ben ik ook de Prins in je leven?
Ben ik voor jou de Man met gezag in je bestaan? En… luister je dan naar Mijn woorden?
Héb je God lief met heel je hart en heel je verstand en al je kracht, en houd je van je naaste als van jezelf? Durf je eigenlijk wel van jezelf te houden zoals Ik van je houd?

Dat zijn serieuze vragen, waar we niet omheen kunnen…
Is het zo dat ons leven als gemeente in deze wereld, en als mensen in deze gemeente ook
bewijst dat het getuigenis over Christus bij ons verankerd is, en is het zo dat het hierdoor, ons, net als in Corinthe, terwijl wij op de komst van onze Heer Jezus Christus wachten, aan geen enkele gave van de Geest ontbreekt?

Wachten en hopen we echt wel op Zijn komst?
De Heilige Geest is het die ons tot het einde toe de zekerheid geeft dat ons geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus. Omdat God ons vergeven heeft.
En natuurlijk
verwacht Hij dat wij daarnaar zullen leven, dat spreekt vanzelf.
God, door wie u geroepen bent om één te zijn met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer, is trouw. Daar mogen wij ons aan vasthouden.

Ook als ons verstand het niet bij kan benen.

Luister naar je hart.
Luister naar Gods stem diep in je binnenste.
En open je hart voor
Jezus. God is trouw.
God is goed. God houdt van je. Van jou! Amen.

 
Orgelmuziek.

De wereld is wijd en Gods goedheid is groot;
vanuit ons aandeel mogen wij helpen en delen, nu in de collecte, straks in ons leven van alledag weer op allerlei andere manieren.


Na het gebed over de gaven zingen we: NL870: 5, 6, 7, 8 Maar nu eerst de Collecte voor Kerk en Israel, zo kunnen we een beetje bijdrage aan de vrede daar.

Gebed over de gaven:
Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, is uit Uw genade.
Wij kregen het van U te leen. Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons in dit alles de weg, en geef er Uw zegen op. Om Jezus’ wil.
Amen.

Lied NL870: 5, 6, 7, 8


6. Want wie voor ons gestreden heeft
alleen, man tegen man,
als God én mens geleden heeft
wat niemand lijden kan,

7. die leidt ons door de doodsjordaan
en houdt ons bij de hand,
die heeft voor ons de weg gebaand
naar het beloofde land.

8. Geprezen, God, Uw wijs beleid,
die omweg van Uw Woord,
ver boven alle hoogte uit,
en alle diepten door.

Voorbeden:
Laten we op Dierendag God danken voor Zijn goede schepping, en aanstonds samen het gebed van Franciscus bidden:
Goede God, wij danken U voor Uw liefde, liefde voor ieder van ons, die U hebt neergelegd in Uw schepping, mensen en dieren, planten en water, wind en weer… Help ons om dit grote geschenk waard te zijn en in goede staat door te geven aan volgende generaties. Wij bidden U voor Uw volk, dat vandaag het Loofhuttenfeest viert. Dat het voor hen en voor allen tot zegen mag zijn.
Wij bidden U ook voor deze gemeente, en in het bijzonder voor onze zuster Truus van de Koppel bidden wij. Neem haar bij de hand en weid haar, verzorg haar en als het mogelijk is, Heer, genees haar!
Amen.

(Gebed van Franciscus samen:)

Heer, maak mij een instrument van Uw vrede.
 Waar haat het hart verscheurt,
 laat mij liefde brengen.
 Waar wordt beschuldigd,
 laat mij vergeving schenken.
 Waar verdeeldheid mensen van elkaar vervreemdt,
 laat mij eenheid stichten.
 Waar twijfel knaagt,
 laat mij geloof brengen.
 Waar dwaling heerst,
 laat mij waarheid uitdragen.
 Waar wanhoop tot vertwijfeling voert,
 laat hoop doen herleven.
 Waar droefenis neerslachtig maakt,
 laat mij vreugde brengen.
 Waar duisternis het zicht beneemt,
 laat mij licht ontsteken.

Maak dat wij niet zozeer zoeken
 om getroost te worden,
 als wel om te troosten.
 Om begrepen te worden
 als wel om te begrijpen.
 Om bemind te worden
 als wel om te beminnen.

Want wij ontvangen door te geven.
 Wij vinden door onszelf te verliezen.
 Wij krijgen vergeving door vergeving te schenken
 en wij worden tot eeuwig leven geboren
 door te sterven.

Amen.
St. Franciscus van Assisi   (1182-1226)

- Stil gebed -

Net als Uw Zoon en als Franciscus, en alle andere Christenen willen wij U aanbidden als wij samen zeggen:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd

Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood

En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven

En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade




Ons slotlied is NL141: 1, 2, 3 Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ lied NL993: 1, 2 .
Nu lied 141: 1, 2 en 3

Laat, HEER, mijn gebed en mijn handen
geheven zijn, tot U gericht
als reukwerk voor uw aangezicht,
als offers die des avonds branden.

Doe mij, HEER, te rechter tijd zwijgen,
laat mij niet spreken zonder grond,
bewaak de deuren van mijn mond,
laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.


Zegen:
Gods zegen draagt ons door dood en doop heen naar het leven in eeuwigheid.
Gods Geest geeft ons de woorden van eeuwig leven in de mond, en de moed in ons hart om die te spreken.
Gods geliefde Zoon gaat aan onze zij, wanneer we hier vandaan gaan.

Zo zijn we dan gezegende mensen,
in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen


Amen-lied NL993: 1, 2


Wat Hij heeft geschapen met Zijn hand, Zijn Woord.
Hij zal niet verlaten wat Hem toebehoort.


Vandaag is het de laatste dag van het Joodse Loofhuttenfeest.

Soekot (Sukkot) of Loofhuttenfeest is een joods feest dat zeven dagen duurt, en waarbij herdacht wordt, dat de joden veertig jaren lang in hutten in de woestijn omzwierven.
Veel van de joodse gedenkdagen herinneren aan de gebeurtenissen die in het oude testament staan (Het eerste deel van de christelijke Bijbel). Met Soekot wordt herdacht dat het joodse volk 40 jaar door de woestijn moest zwerven. Zij leefden toen in hutten gemaakt van palmbladeren. Het Loofhuttenfeest is het begin van een 7 dagen durende periode, waarin bij veel Joodse gezinnen in hun tuin of in hun woning een hut wordt nagebouwd. Gedurende deze dagen wonen zij hierin, gebruiken er de maaltijden en luisteren naar de verhalen over de tocht van de joden door de woestijn.
De twee dagen die volgen op soekot zijn ook feestdagen, namelijk Sjemini Atseret en Simchat Torah. (Vreugde der Wet)
Sjemini Atseret. Dit feest sluit het Loofhuttenfeest (Soekot) af. Men bidt om regen in de hoop op een vruchtbaar jaar. Letterlijk betekent het: 'de achtste dag van het samenkomen'. Op zich is zeven dagen al genoeg, maar het is voor God moeilijk om afscheid te nemen, daarom blijven de joden nog een dagje. De tijd die men hiermee kreeg wordt van oudsher gebruikt om te bidden voor extra regen zodat straks alles zal gaan groeien en bloeien.
 Simchat Thora of Simchat Tora is een joods feest waarop wordt gevierd dat het Joodse volk de Thora (de Wet) bezit en het op deze dag na een jaar hebben uitgelezen. Het woord simcha betekent vreugde in het Hebreeuws. De letterlijke vertaling van Simchat Thora luidt Vreugde van de Wet. Men viert uitbundig het einde van de Thoralezing, en start op deze dag weer opnieuw het jaarcyclus, met het begin van de Thora, Genesis. De dag voorafgaand aan Simchat Thora heet Sjemini Atseret of Slotfeest. In Israël worden beide dagen op dezelfde dag gevierd. Daarbuiten aldus twee dagen.

Sjemini Atseret begint op de 22e van de maand tisjrie uit de joodse kalender, en volgt op de week van het feest van Soekot (Loofhuttenfeest). Doordat dit een maankalender is, vallen feestdagen zoals Sjemini Atseret niet steeds op dezelfde data op de gregoriaanse kalender. In de lijst hieronder staat een aantal data aangegeven waarop Sjemini Atseret (en in Israël dus ook Simchat Thora) valt.

Het is een officiële feestdag naar de halacha (joodse wet), en er geldt dus een werkverbod.

Op Simchat Thora is de jaarlijkse lezing van de gehele Thora compleet. Op deze dag wordt het laatste deel ervan uit Dewariem (Deuteronomium) gelezen, en kort erop wordt tijdens de morgendienst verdergegaan bij het begin: het eerste hoofdstuk van Beresjiet (Genesis). Daarmee is de jaarlijkse lezing van de Thora een cyclus en heeft de Thora zelf dus als het ware geen einde. In veel synagogen wordt op Simchat Thora gezongen en gedanst en de Thora blij rondgedragen tijdens rondgangen.

(Bron:Wikipedia)