Voor eerdere diensten klik hier:

Zondag 13 na Trinitatis 29-2-2010 in de Lutherse kerk te Zeist

Organist: de heer J. Lijftogt. Onder zijn gehoor: zo'n 15-18 gelovigen.

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.       
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer     
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Wij belijden voor de Almachtige God,
dat wij gezondigd hebben,
gezondigd, in gedachten, woorden en daden…

Het is onze schuld, onze eigen grote schuld.

Daarom vragen wij God, de Almachtige,
de Barmhartige, Zich over ons te ontfermen,
ons al onze zonden te vergeven
en ons te bevrijden van alles wat verkeerd is.
Amen

De Almachtige  God schenke ons Zijn genade!
Amen!

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons introïtuslied is nummer 113 uit de bundel TussenTijds.


2. Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,
die het gewaagd heeft onze hand te vragen;
die ons uit angst en doem heeft weggetild
en ons tot hier op handen heeft gedragen;
Hij die verlangen wekt, verlangen stilt –
vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.

3. Van U is deze wereld, deze tijd.
Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken.
Uw naam is hartstocht voor gerechtigheid,
uw woord de bron waaruit wij willen drinken.
Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt –
dat wij niet in vertwijfeling verzinken.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de grote nood van deze wereld,
we worden daar dagelijks mee geconfronteerd, 
maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen, omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!


 

Goede God, wij vluchten vaak weg voor de werkelijkheid van Uw Aanwezigheid.
Schenk ons het besef van Uw reddende tegenwoordigheid, tegen alle schijn van afwezigheid in, door de Geest van Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Lezing Oude Testament: Psalm 3

3:1 Lied-met-begeleiding van David, tijdens zijn vlucht voor Absalom, zijn zoon.
2. Aanwezige, wat zijn ze met velen, die het mij moeilijk maken,      
velen die tegen mij in opstand komen…
3. velen die zeggen, in tegenstelling tot mijzelf: er is voor hem geen redden aan bij God.
(Sela = refrein: Aanwezige, wat zijn ze met velen, die het mij moeilijk maken!)
4. Maar U, Aanwezige, (bent) een schild om mij heen, (U) mijn glorie, en die maken dat ik het hoofd hoog kan houden…
5. Met eigen stem riep ik tot de Aanwezige, en Hij antwoordde mij vanaf Zijn heilige berg.
Sela: Maar U, Aanwezige, een schild om mij heen, U mijn glorie, en díe maken dat ik het hoofd hoog kan houden…
6. Ik ben gaan liggen slapen, en ik stond weer op, want de Aanwezige steunt mij.
7. Ik ben niet bang voor de vele duizenden aan volk die zich aan alle kanten tegen mij opgesteld hebben.
8. Kom op, Aanwezige! Breng mij redding, mijn God, want U hebt al mijn vijanden al eerder op hun kop gegeven, de tanden van de booswichten hebt U kapot gebroken…
9. Van de Aanwezige is de redding, Uw zegen over Uw volk.
Sela: Ik ben gaan liggen slapen, en ik stond weer op, want de Aanwezige steunt mij.

Van een dergelijk vertrouwen spreekt ook ons lied uit TussenTijds 202: 1, 3
Het is een gebed voor alle mensen in nood, dichtbij en ver weg…

3. Verlaat niet wat Uw hand begon,
o God, ontbreek ons niet!
Verlicht hun dagen als de zon,
Gij, van de liefde Zelf de bron,
de adem van ons lied!

Onze Epistellezing is uit de brief aan de Hebreeën 12:18-29. Het Boek

In de brief aan de Hebreeërs wordt het nieuwe verbond telkens vergeleken met het oude, en veel beter bevonden. Steeds weer wordt er teruggegrepen naar verhalen uit de oude boeken, en dan wordt de huidige situatie er naast gelegd.
Zo staat er dan ook in de verzen hier voor, dat de Joden in de woestijn op weg waren naar iets heel tastbaars, de berg Sinaï, waar geweldig geluid van donder en bliksem, aardbevingen en wat niet al, hen angst aan joeg. We lezen:
18 U bent niet oog in oog komen te staan met iets ontzettends (met laaiend vuur, diepe duisternis en gierende wind) zoals de Israëlieten in de tijd van Mozes, toen God op de berg Sinaï Zijn wet gaf. 
19 U hebt ook geen luid trompetgeschal gehoord of de donderende stem van God. De Israëlieten werden daar zo bang van dat zij God vroegen niets meer tegen hen te zeggen. 

 20 Zij trilden van angst, omdat God had gezegd:
"Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet sterven."
 21 Mozes was zo ontzet door wat hij zag en hoorde, dat hij zei: "Ik ben zo bang, dat ik sta te trillen op mijn benen."

 22 Nee, u staat voor de berg Sion en voor de stad van de levende God; het hemelse Jeruzalem, waar tienduizenden engelen wonen.
 23 U bent gekomen naar een feestelijke samenkomst van Gods oudste kinderen, die in het bevolkingsregister van de hemel staan. U staat voor God, Die de rechter van alle mensen is, en voor de geesten van de mensen die volmaakt geworden zijn.
 24 U bent naar Jezus gekomen, Die ervoor gezorgd heeft dat er een nieuw verbond tussen God en de mensen kwam. Hij heeft daarvoor Zijn bloed gegeven; en Zijn bloed roept om vergeving in plaats van om wraak, zoals dat van Abel.
 25 Pas op dat u God, Die tot u spreekt, niet de rug toekeert! Want toen de oude Israëlieten weigerden te luisteren naar de waarschuwingen van Mozes, die namens God sprak, liep het niet goed met hen af.   
Maar als wij niet willen luisteren naar wat Jezus Christus zegt, zal het met ons nog veel slechter aflopen.
 26 Toen God vanaf de berg Sinaï sprak, denderde de aarde van Zijn stem. "Nog één keer", zegt Hij nu, "zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel laten schudden."
 27 Daarmee bedoelt Hij dat alles wat niet vaststaat, zal verdwijnen; alles wat gemaakt is. Maar alles wat niet aan het wankelen gebracht kan worden, zal blijven.
 28 Omdat wij een blijvend vaderland krijgen, moeten wij dankbaar zijn en God dienen zoals Hij het graag wil, met eerbied en ontzag.
 29 Want onze God is een verterend vuur.

De Psalmist zingt ons voor: Halleluja! Loof, dienaars van de Heer, loof de Naam van de Heer!
De Naam van de Heer zij geprezen van nu tot in eeuwigheid. (ps 113:1 en 2) HALLELUJA!

Ons loflied is gezang 308 helemaal.

Tot ieder hart, dat Hem behoort, met Hem gemeenschap vindt.
De dienst aan Hem is 't gouden koord dat allen samen bindt.

Zusters, één band is 't die ons bindt vanwaar en wie ge ook zijt;
wie onze Vader dient als kind, is Christus toegewijd.

Laat zuid en noord nu zijn verblijd, Hem prijzen west en oost.
Aan Christus hoort de wereld wijd, in Hem is zij vertroost.

Het Heilig Evangelie staat bij: Lucas 14: 7-14.

Voorafgaand aan dit deel is de waarschuwing van overheden van Jeruzalem, waarheen de Heer is gekomen om de feesten bij te wonen, dat Herodes er op uit is Hem te pakken te krijgen. Hij antwoordt dan dat het correct is, dat dat gebeurt in Jeruzalem, want dat alle profeten daar gedood zijn.  En Hij treurt over de stad, die maar niet wil zien waar haar heil ligt. In de stad wordt Hij op de sabbat uitgenodigd voor een diner, maar het is een valstrik: ze willen kijken of Hij op de dag des Heren soms iemand geneest, want dat mag niet, vinden ze. (Ze hebben ervoor gezorgd dat er een zieke is!) Natuurlijk geneest de Heer deze man…
We lezen:
7. Maar de genodigden vertelde Hij een gelijkenis, waarin Hij ze voorhield hoe ze aasden op de belangrijkste plaatsen aan tafel, en Hij zei tegen ze:
8. Wanneer U door iemand uitgenodigd zou worden voor een bruiloftsfeest, ga dan alsjeblieft niet op de belangrijkste plaats zitten, want stel je voor dat er iemand door hem uitgenodigd is, die in hoger eer staat dan U.
9. En dat hij er aan komt en U en hem roept en dan tegen U zeggen zal: ‘Maak plaats voor deze man’, en dan zou U vol schaamte naar de onbelangrijkste plaats (moeten) gaan om die in te nemen…

10. Maar als U wordt uitgenodigd, ga er dan heen en leg U neer op de onbelangrijkste plaats, zodat, als degene komt die U heeft uitgenodigd, hij tegen U zeggen zal: ‘Vriend, kom veel hoger op’. Dat zal U tot eer strekken in het oog van allen die met U aanliggen.
11. Want ieder die zichzelf een ereplaats geeft, zal vernederd worden, maar wie zichzelf een nederige plaats geeft, krijgt een ereplaats.     

12. Hij zei ook (iets) tegen hem, die Hem had uitgenodigd: “Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
13  Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
14  Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!


In antwoord op Gods Woord willen wij samen ons geloof belijden:

Dat er een God is, die van mensen houdt zoals ze zijn,
dat wil ik geloven.
Een God die ons gewild heeft en bedacht,
dat wil ik geloven.
Dat Hij hemel en aarde in de hand heeft,
dood en leven,
dat wil ik geloven.
Dat Hij van mij, kleine mens, houdt,
dat wil ik geloven.
Dat God in Jezus mens werd,
dat wil ik geloven.
Een mens die ons leven deelde,
en voor ons stierf op een kruis,
dat wil ik geloven.
Dat Hij opstond uit de dood, als eerste van velen,
dat wil ik geloven.
Dat Hij ruimte voor ons maakt bij God,
dat wil ik geloven.
Dat Gods Geest puur liefde en leven is,
dat wil ik geloven.
Dat Ze ons allen nabij is,
dat wil ik geloven.
Dat Ze ons kracht geeft en moed om te leven,
liefde en waardigheid,
dat wil ik geloven.
Dat we zó kerk zijn, gemeenschap van heil,
dat wil ik geloven.
Om doop en vergeving, genade en toekomst
wil ik geloven
in God die van mij houdt.

Preek
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve vrienden,
Wij vinden in onze kerken, wereldwijd, een grote variatie aan Godsbeelden. En die vinden we binnen onze gemeenten ook vaak, die variatie is daar dikwijls groter dan je zou verwachten. Het beeld van God dat we hebben meegekregen in onze jeugd groeit in de loop van de jaren met ons mee, of van ons af… Soms komt er niets voor in de plaats, soms iets heel anders
De manier waarop we tegen God aankijken, hangt ook direct samen met de manier waarop wij tegen het leven aankijken, tegen de ander, tegen onszelf ook. En dat zit heel diep. Vaak onbenoemd, en daardoor ook moeilijk te duiden.
Het helpt wanneer je kunt zeggen: als kind zag ik God als een Man met een witte baard die op een wolk naar ons zat te kijken, en je altijd kon helpen, maar nu heb ik wat meer rondgekeken, of wat meer in de bijbel gelezen of… vul maar in, en nu zie ik God meer als Iemand die… of als een kracht op de achtergrond, of als… noem maar op…
Wanneer je het kunt benoemen, heb je meer greep op je eigen gedachten en op je motieven om dingen te doen en te laten, te vinden en te zeggen.
Als je er niet over nadenkt, als je het niet benoemt, dan blijft het allemaal schemerig, en kunnen vage angsten een grote rol in je leven spelen.
Vooral kinderangsten hebben grote invloed.
Die zijn níet kinderachtig, denk dat niet, maar ze ontstaan uit slecht begrepen veranderingen om hen heen, uit half verstane zinnen, uit verkeerd gelegde verbanden. Juist als kinderen een beetje talig worden, maar het nog niet echt zijn, krijgen ze nachtmerries, omdat onze oerangsten de kop opsteken, en worden verbonden met het dagelijks leven.
Er zitten slangen onder je bed, of een krokodil
Kortom: je voelt je onveilig
Nu zijn wij hier die leeftijd wel min of meer ontgroeid, maar nog steeds kunnen wij verkeerde verbanden leggen, en dingen half begrijpen, met als gevolg dat het leven lastiger is dan de bedoeling was.
De laatste zinsnede van de epistellezing is een voorbeeld van een zin die tot misverstanden kan leiden. Daarom wil ik daar eerst even bij stil staan.
Wij moeten God dienen zoals Hij het graag wil, staat daar, met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur!
Nu, daar kun je heel wat vreselijke Godsbeelden aan vastknopen. Zeker als er ook al is gezegd dat de Heer hemel en aarde zal schudden, zó, dat alles wat níet vaststaat, zal vergaan
Dat voelt niet bepaald veilig
Dan helpt het wel, om eens te kijken in welk verband zo’n zin eerder is gebruikt.
Want: onze God is een verterend vuur, is, zoals zo vaak, een aanhaling. En wel uit Deuteronomium 4: 23-24, waar Mozes het volk vermaant de wet te onderhouden. Daar staat: 23  Zorg er dan voor dat u het verbond dat de HEER, uw God, met u heeft gesloten niet vergeet door tegen Zijn gebod in iets af te beelden en een godenbeeld te maken. 24  Want de HEER, uw God, is een verterend vuur, Hij duldt geen andere goden naast zich.. Die zal Hij dus verbranden!
En in Deuteronomium 9:3, waar het volk op het punt staat de Jordaan over te steken en het beloofde land binnen te trekken. Daar wonen ontzagwekkende en strijdbare stammen. Een deel van het volk is daar doodsbang voor. En dan staat er: Weet dan heden, dat de Heer Uw God Zelf voor U uit gaat als een verterend vuur. Hij zal hen verdelgen en voor uw ogen onderwerpen, zo zult gij in korte tijd hun gebied in bezit nemen en hen vernietigen, zoals de Heer tot U gesproken heeft.
Kijk, dan zie je dat het verterende vuur van de Goddelijke Majesteit niet gericht is tegen de mens die God dient en respecteert, maar wel tegen degenen die íngaan tegen Gods woord en wens.
Die Hem in de weg staan. Nu is dit alles beeldspraak, en wel een beeldspraak die is beperkt door ons mensenverstand en onze ervaringen. God kan ons moeilijk iets duidelijk maken in vormen die ons verstand en gevoel te boven gaan. 
Het zegt dus iets over hoe wij God kunnen beleven, niet over hoe Hij IS.
Je moet God in elk geval niet als vijand hebben, dat is duidelijk, maar de vraag rijsr: wanneer ís God dan je vijand?

Je kunt daar heel verschillend over denken.
God krijgt nog al vaak de schuld van dingen die ons of anderen overkomen, al dan niet door keuzes die wijzelf of die anderen hebben gemaakt.
De één kan zeggen: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd, maar de ander hoeft maar ergens enig onrecht op te merken, of iets dat zij of hij als onrecht ziet, en dan direct van het geloof afvallen, want God had toch zeker kunnen en dus moeten voorkomen dat zulke dingen gebeuren.
Helaas, God neemt ons nogal serieus, en grijpt nooit of maar zeer zelden in wanneer wij fouten maken.
Ook niet als wij fouten maken in ons denken
Of… toch?
Jawel, de eeuwen door zijn er telkens weer mensen gekomen die ons in opdracht van God herinneren aan Gods verlangens.
Profeten, die in hun politieke situatie zeggen: Wees nu eens niet bang, bekijk het uit een andere hoek, en vertrouw op God, die voor je opkomt.
Die als een verterend vuur voor je uitgaat, en de problemen uit de weg ruimt, mits jij maar vertrouwt. Mits jij maar kijkt naar God die als een wolkkolom voor je uitgaat, en als een vuurkolom achter je is om je te beschermen.
Profeten, of dichters en dromers, maar ook strijders en koningen, die tegen alle menselijke redelijkheid ín, blijven vertrouwen op God.
Neem nu de psalm van David, die we vanmorgen lazen.
David bevindt zich in een bijzonder benarde situatie. Hij is pas de tweede koning van het rijk, en er is juridisch geen sprake van erfelijk koningschap. Er is alleen een belofte van God, dat als hijzelf zich houdt aan Gods wensen, en als zijn kinderen dat ook zullen blijven doen, dat dàn de troon binnen zijn nageslacht zal blijven. Maar nu is Absalom, een van Davids zoons, tegen hem in opstand gekomen. Hij kan het allemaal rechtvaardiger, roept hij in zijn verkiezingspraatjes, en hij is sterker dan zijn vader, met hem zijn ze veel beter af. En U weet hoe dat gaat: als je maar hard genoeg roept, krijg je altijd wel medestanders.
Ik hoef hier geen namen te noemen uit de politiek, die kunt u zelf wel bedenken.
En niet alleen dat Absalom de jongeren mee krijgt, ook aan het hof zijn er mensen die wel voor vernieuwing zijn, en waarschijnlijk denken ze dat ze – wanneer ze Absalom gaan steunen – wel een behoorlijke bonus zullen krijgen.
Het loopt zo hoog op, dat David op de vlucht moet slaan om het vege lijf te redden.
Nu kun je je voorstellen, dat hij zijn God, die hem ongevraagd op de koningstroon heeft gezet, van alles gaat verwijten.
Maar dat doet hij niet, we hebben het gelezen.
Ook op de vlucht leeft David in een basis van vertrouwen, die maakt dat hij rustig kan gaan slapen, en de volgende morgen fris wakker wordt, want de Heer steunt hem.

Het zijn er wel véél, hè, Heer, verzucht hij over de mensen die tegen hem opstaan, die hem naar het leven staan...
Tjonge jonge, wat een boel.
Zo praat je tegen een goede vriend, tegen je vader, als je daar een innige band mee hebt.
Zo praat  David tegen zijn God, in wie hij honderd procent vertrouwen heeft, en dat in tegenstelling tot de mensen die zeggen: nou, die David heeft echt niets meer te verwachten van zijn God.

Het vraagt heel wat moed, om tegen de algemene opinie over jezelf in te gaan.
Als ‘iedereen’ tegen of over iemand zegt: dat wordt helemaal niets met hem of haar, dan heeft dat vaak zijn weerslag op die persoon. Dan moet je al veel energie en een sterke wil hebben om te zeggen: ik zal ze eens wat laten zien!     
Veel zelfvertrouwen, of… veel vertrouwen in God.
David hééft dat vertrouwen. Zelfs zoveel, dat hij rustig kan roepen: Kom op Heer, doe er eens iets aan. U hebt mijn vijanden al zo vaak een klap in het gezicht gegeven, breek ze nu de tanden maar.
U kunt het.
En in dat vertrouwen kan hij ook op de vlucht, ook als zijn leven menselijkerwijs volkomen onzeker is, rustig gaan liggen slapen, en de volgende morgen weer opstaan, want de Heer stéúnt hem immers…

We mochten willen dat we allemaal dat vertrouwen hadden.
In de brief aan de Hebreeën zie je ook dat niet iedereen daar even ruim mee bedeeld is.
Kennelijk is ook daar enige schroom…
Maar de gemeente wordt aangemoedigd om vol vertrouwen te naderen tot God, tot het hemelse feest dat ons wacht, en vooral tot Jezus, die door Zijn offerdood ons heeft omgevormd van vijanden van God tot vrienden van God.
God is géén vijand van de mens, want zo Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!
Alleen: de mens die deze liefde kent en verwerpt, die geen belangstelling heeft, en geen behoefte aan genade en verzoening meent te hebben, díe is hard op weg een vijand van God te maken.
Gratis komt van gratia, genade, en die is niet goedkoop: wat God ons aanbiedt in Jezus is een diepe buiging voor Zijn grote liefde: voor ons. 
Dat is het kostbaarste wat iemand zich ook maar kan indenken.
En je zou wel gek zijn, als je dat niet op waarde wilt schatten. Als je jezelf belangrijker vindt dan dit aanbod.
Hoe moeten we die zin dan lezen: Wij krijgen een eeuwig koninkrijk en moeten God dienen zoals Hij het graag wil, staat daar, met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur!
Níet als: je kunt maar beter met je staart tussen de benen doen wat Hij opdraagt, want anders zul je er van lusten, maar het is een vanzelfsprekende dankbaarheid voor alles wat de Heer voor ons doet, en voor alles wat Hij met vuur wegneemt dat tussen Hem en ons wil komen. Natuurlijk wil je het Hem dan naar de zin maken!
Het Koninkrijk van God, waar sprake van is, dat koninkrijk is gekomen waar Jezus wordt herkend en erkend als het Hoofd van de gemeenschap die in God gelooft en Hem wil dienen.
In dat koninkrijk wordt Gods wil gedaan op aarde zoals in de hemel. Of in elk geval proberen we dat.
Als wij bidden: Uw koninkrijk kome waar Uw wil wordt gedaan, dan wijst dat gebed ons als eersten aan om daar iets aan te doen. We erkennen daar immers dat God recht heeft op onze loyaliteit en onze dienst.
Heer, vergeef ons al wat wij mis - deden en laat ons weer in vrede leven, bidden we, dagelijks of wekelijks in dat verband…

En als we ons nu afvragen hóé we God het beste dienen, dan is Jezus daar heel duidelijk in.
Niet alleen in Zijn voorbeeld tot op het kruis, maar ook met Zijn aanwijzingen voor ons dagelijks leven, voor ons omgaan met elkaar
Geen ereplaats voor ons zelf zoeken, maar nederig met de ander omgaan. De ander belangrijker achten dan jezelf, wordt dat in Filippenzen 2:3 genoemd. Wij hadden gister het voorrecht mee te vieren in een communiteit van fraters van Barmhartigheid, en daar leefde en ademde men die houding. Het was heel ontroerend.
En quid pro quo, voor wat hoort wat, dat is voor ons ook niet aan de orde. Wanneer je iets doet voor wie je niets terug kunnen geven, dàn lijk je op Jezus, dan ben je een vriendin, een vriend, een kind van God.
Wie zorgt voor de armen, de weerlozen, de achter-gestelden, de slachtoffers van het natuurgeweld, díe zal merken dat God voor hem, voor haar zorgt. Die kan rustig gaan slapen en vrolijk weer opstaan, zoals broeder Maarten zou zeggen, ook in slechte tijden, omdat God voor ons uitgaat, en ons beschermt. Hoe dan ook.
Amen.

Muziek
Gods goedheid is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij mogen daarin delen door te doen zoals Hij:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
genade en geduld
Nu kunnen we er, als een goed begin, gestalte aan geven in de collecte!

Na het gebed over de gaven zingen wij: tt211
Maar nu eerst de collecte!

Collecte

Gebed over de gaven

Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, is uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons in dit alles de weg. Om Jezus’ wil… Amen.

Lied tt211

2. Niemand kan alleen,  Heer, Uw zegen dragen;
zegen drijft ons heen  naar wie vrede vragen.
Wat Gij schenkt wordt meer  naar gelang wij delen,
horen, helpen, helen,-  vruchtbaar in de Heer.

3. Vrede, vrede laat  Gij in onze handen,
dat wij die als zaad  dragen door de landen,
zaaiend dag aan dag,  zaaiend in den brede,
totdat in Uw vrede  ons hart rusten mag.

4. God, schenk ons de kracht  dicht bij u te blijven,
dan zal ons geen macht  uit elkander drijven.
Zijn wij in U een,  samen op Uw wegen
dan wordt ons tot zegen  lachen en geween.


Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U dat U zoveel van ons allen houdt… wij kunnen er niet bij, wij begrijpen het niet, maar we willen U loven en aanbidden, omdat U het verdient. Wij willen voor U doen wat we kunnen, en we vragen: leer ons dag aan dag door Uw Geest en Haar gaven wat wij voor U kunnen doen.
Geef ons een open oog voor de naaste, en zijn of haar noden, en leer ons in die ander te zoeken naar sporen van U.
Lieve God, wij hebben zoveel van U ontvangen, in vrijheid van geloven, van bewegen en denken en spreken, help ons ook garant te staan voor de vrijheden van anderen, help ons om van de ander minstens zoveel te houden als van onszelf.
Lieve God, vanuit onze veilige en droge kerk, bidden wij U voor allen die lijden aan een té natte moesson, en aan de gevolgen van andere natuurrampen. Maar we bidden ook voor hen die door oorlogen of ethnisch geweld ontheemd zijn, verkracht, mishandeld, vernederd, rechteloos en machteloos gemaakt. Laat ons zien wat wij eventueel voor hen kunnen doen, en geef overal mensen die zich willen inzetten voor hen.
Wij bidden u ook voor allen die hulp bieden, hier en elders, waar dan ook. Wil hen sterken en op de been houden, wil hun geloof en vertrouwen telkens eer aanblazen en in leven houden.  Dat bidden we ook voor onszelf.
Drenk onze levens, onze zielen dag aan dag in Uw Liefde, zodat wij met Uw ogen kunnen en willen kijken naar al wat en al wie om ons heen zijn.
Wij danken en bidden U voor de fraters die gister en vandaag hun jubilea mogen vieren. Doe ook door hen allen Uw koninkrijk komen.
Voor onze zieken bidden we, voor Carolina, die het zo zwaar heeft, voor Reinie, die haar beste vriendin moet missen door een vreselijk ongeluk, voor hen in onze gemeente en onze families die vrezen voor medisch onderzoek en de uitslag er van. Hun leven leggen we in Uw Hand. Wil ook hen steunen...

En samen bidden we het gebed dat Uw Zoon, onze Heer, ons heeft leren bidden:

Onze Vader in de hemel,
laat Uw Naam geheiligd worden,
laat Uw Koninkrijk toch komen
en Uw Wil worden gedaan
op aarde zó als in de hemel.
Geef ons steeds weer het brood
dat wij dagelijks behoeven.
Vergeef ons onze schuld,
zoals ook wij vergeven
wie ons iets schuldig was. 
En breng ons in beproeving niet,
maar red ons uit de greep van alle kwaad.


Ons slotlied is een gebed: tt211: 1 en 2.

Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ het derde vers van ditzelfde lied.  tt211: 3

Ons slotlied is gezang 44: 1 en 2
Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ lied 44:3
Nu de eerste twee verzen.

Die eeuwig rijke God moge ons reeds in dit leven
een vrij en vrolijk hart en milde vrede geven.
Die uit genade ons behoudt te allen tijd,
is hier en overal een helper die bevrijdt.

Zegen:
Allen:
God moge zijn in mijn hoofd en in mijn begrijpen
God moge zijn in mijn ogen en in mijn kijken
God moge zijn in mijn mond en in mijn spreken
God moge zijn in mijn hart en in mijn denken
God moge zijn in mijn einde en mijn vertrekken

Voorganger:
Zo zegene U God
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Amen 

Allen:

Lof, eer en prijs zij God die troont in 't licht daarboven.
Hem, Vader, Zoon en Geest moet heel de schepping loven.
Van Hem, de ene Heer, gaf het verleden blijk,
het heden zingt zijn eer, de toekomst is zijn rijk.

acme-web-design.info
acme-web-design.info