Zondag 12 na Trinitatis 10-8-2008 te Heusden Lutherse kerk.
Organist Joop de Zwart. 8 kerkgangers.

 

Voorbereiding           
(Paaskaars brandt al bij aanvang van de dienst)

Orgelspel

Introïtus: Binnenkomst dienstdoend ouderling, diaken en predikant

Moment van stilte.

Mededelingen en welkom door de ouderling. Hij eindigt met:
Na ‘t aansteken der altaarkaarsen zingen wij het lied op uw blad (Tegen het Donker 23)

Ouderling steekt de beide kaarsen op tafel aan en geeft de voorganger een hand.

Gemeente gaat staan

Introïtuslied: Tegen het Donker 23   (Sytze de Vries)


Geroepen om te leven, gehouden aan Zijn woord,
van uitgesproken vrede, van liefde ongehoord.
Herboren, uitgetogen uit de toevalligheid,
bestemd voor de genade, het donker al voorbij.

Getekend voor ons leven als kind’ren van het licht,
gezaaid op hoop van zegen, de dag als vergezicht.
God, breng ons zelf op Adem, en treed in ons bestaan.
Bezegel onze vreugde hier met Uw eigen Naam!

Wij zijn samengekomen in de naam van de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest
Amen
Genade zij u en Vrede van God onze Vader
                en van Jezus Christus onze Heer.
Amen


Bemoediging:
Onze Hulp is in de naam van de Heer
Die Hemel en aarde gemaakt heeft.

De Heer zal bij u zijn.
De Heer zal u bewaren.

Gemeente gaat zitten

Verootmoediging:
Gebed van toenadering
Voorg.: Almachtige God,voor U liggen alle harten open, alle verlangens zijn U bekend en geen geheim is voor U verborgen.

Gebedsstilte

Zuiver de overleggingen van ons hart door de ingeving van Uw heilige Geest, zodat wij U van harte liefhebben en grootmaken Uw heilige Naam
Gem.: Amen.

Zo lief had God deze wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!
Ontferming en Genadeverkondiging
Kyriëgebed:      
Laten wij de Heer om ontferming aanroepen voor de nood van de wereld,
voor een wereld van brood en spelen, waar eindeloos velen geen brood hebben, te veel kinderen geen weet hebben van spelen, omdat ze werken tot ze er bij neer vallen. Maar laten wij ook Zijn Naam prijzen,
want Zijn barmhartigheid heeft geen einde.


Zondagsgebed
Dienst van het Woord

Ons lied om verlichting door de Heilige Geest bij de opening van het woord: Tegen het Donker 96:5 (Sytze de Vries)
De organist speelt het één keer voor en dan zingen wij het twee maal. Dat geeft u de gelegenheid om aan de melodie te wennen, en de tekst in u op te nemen.


Lezing uit het Oude Testament Jona 2: 1 - 11

U kent het verhaal: de profeet Jona (
Jona betekent duif) wordt gestuurd naar de grote concurrent Nineve, met de mededeling dat ze zich moeten bekeren, want anders gaat het heel erg mis.
Nu wil Jona niet liever dan dat het heel erg mis gaat met Nineve, dus hij probeert onder deze opdracht uit te komen. (Nineve is voor Jeruzalem wat Georgië is voor Zuid-Ocetië!) Jona boekt een cruise op zee, maar het zit niet mee: er komt storm en alles zit op zo’n manier tegen, dat de bemanning het niet vertrouwt. Daar moet iets achter zitten.
Jona biecht op dat hij daar illegaal zit, al heeft hij voor de overtocht betaald. En dan wordt hij overboord gezet. We lezen:

17  (2:1) De HEER liet Jona opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis.

1  (2:2) Toen begon hij in de buik van de vis tot de HEER, zijn God, te bidden:

2  (2:3) ‘In mijn nood roep ik de HEER aan
en Hij antwoordt mij.
Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp
U hoort mijn stem!
3  (2:4) U slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee.
Door kolkend water ben ik omgeven,
zwaar slaan Uw golven over mij heen.
4  (2:5) Ik zei (bij mijzelf): Verstoten ben ik, verbannen uit Uw ogen.
Zal ik ooit opnieuw Uw heilige tempel aanschouwen?

5  (2:6) Het water stijgt tot aan mijn lippen,
muren van water storten op mij neer,
zeewier om mijn hoofd verstikt mij.
6  (2:7) Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen,
naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.
Maar U trekt mij levend uit de dood omhoog,
o HEER, mijn God!

7  (2:8) Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik U aan, HEER, en mijn gebed komt tot U in Uw heilige tempel.

8  (2:9) Zij die armzalige afgoden vereren,
verlaten u, trouwe God
.

9  (2:10) Maar ik zal mijn stem in dank verheffen
en U offers brengen; mijn geloften los ik in.
Het is de HEER die redt!’

10 (2:11) Toen, op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit op het land.


Wat moet Jona dankbaar geweest zijn! Hij zal het zeker eens geweest zijn met dichter van de psalm die we nu gaan zingen: Psalm 29: 1 en 6, machtige mensen, en mensen zoals wij, allemaal hebben we redenen te over om God de eer te geven die Hem toekomt, omdat Hij sterker is dan alle ellende die soms over ons heen gestort lijkt te worden.

Laten we zingen!
 
Boven 't bodemloos geweld   heeft de HEER zijn troon gesteld.
Hij die zetelt op de vloed,   Koning zal Hij zijn voorgoed.
Levenskracht zal Hij ons geven, ja, zijn volk zal Hij doen leven.
Overvloedig deelt Hij mede   voorspoed en geluk en vrede.

Epistellezing: Romeinen 8: 31-39
Paulus heeft geschreven over de verwachtingen die wij als kinderen van God mogen koesteren, ook als de wereld tegen ons is. Hij schrijft verder over de zekerheid die het geloof kent:
31. Wat kunnen we over die dingen zeggen?
Als God voor ons is, wie is er dan nog tegen ons?
32. (God) die Zijn eigen Zoon niet eens spaarde, maar die Hem ten gunste van ons allen overleverde, zou Hij ons, met Hem, niet alle andere genadegaven geven?

33. Wie zal een aanklacht indienen tegen Gods uitverkorenen, als het God is die rechtvaardig verklaart?
34. Wie is er dan nog die veroordeelt?
(Hoogstens) Christus Jezus, in Zijn sterven, maar nog liever in Zijn opwekking, Hij die ook aan Gods rechterkant is, Hij die ook voor ons pleit...

35. Wie kan ons scheiden van de liefde van Christus?
Hongersnood soms, of verdrukking of zware omstandigheden? Of vervolging? Of naaktheid? Of gevaar? Of een zwaard???

36. Zoals er (al) geschreven staat: 'Om Uwentwil worden we heel de tijd ter dood gebracht, worden we beschouwd als slachtvee.....
37. Maar in al die dingen behalen wij een schitterende overwinning door Hem die van ons houdt.

38. Want ik geloof vast en zeker dat dood noch leven, noch engelen, noch de dingen die in het begin zijn gebeurd, noch wat er nu is, noch de toekomst, noch autoriteiten
39. noch hoogte noch diepte, noch ook enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods Liefde in Christus Jezus, onze Heer.

De dichter van psalm 34:2 zingt ons voor:
Halleluja, de Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van Zijn lof! Halleluja!



Gemeente gaat staan

Evangelielezing: Mattheüs 14: 22 - 33
Johannes de Doper, familie van Jezus, is omgebracht. Als Jezus dat hoort, gaat hij weg, naar afgelegen plekken, maar ook daar volgen de mensen Hem, en Hij voedt ze naar lichaam en geest: de eerste wonderbaarlijke vermenigvuldiging van brood en vis.
Het verhaal gaat hier verder:
22  Meteen daarna gelastte Hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, Hij zou ook komen nadat Hij de mensen had weggestuurd.
23  Toen Hij hen weggestuurd had, ging Hij de berg op om er in afzondering te bidden. De nacht viel, en Hij was daar helemaal alleen.
24  De boot was intussen al vele stadiën van de vaste wal verwijderd en werd, als gevolg van de tegenwind, door de golven geteisterd.
25  Tegen het einde van de nacht kwam Hij naar hen toe, lopend over het meer.
26  Toen de leerlingen Hem op het meer zagen lopen, raakten ze in paniek. Ze riepen: ‘Een spook!’ en schreeuwden het uit van angst.
27  Meteen sprak Jezus hen aan: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang!’
28  Petrus antwoordde: ‘Heer, als U het bent, zeg me dan dat ik over het water naar U toe moet komen.’
29  Hij zei: ‘Kom!’ Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
30  Maar toen hij (voelde) zag hoe sterk de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde het uit:
‘Heer, red me!’
31  Meteen strekte Jezus zijn hand uit, Hij greep hem vast en zei: ‘Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?’
32  Toen ze in de boot stapten, ging de wind liggen.
33  In de boot bogen de anderen zich voor Hem neer en zeiden: ‘U bent werkelijk Gods Zoon!’
Zalig die het Woord van God horen en er gehoor aan geven!

Gemeente gaat zitten

Laten wij zingen vanuit de onrust die dit verhaal oproept: gezang 423



Licht Gij ons met uw stralen,  o, licht der wereld, voor,
opdat wij niet verdwalen  of struiklen op ons spoor!

Vervul dan met uw zegen  onze armoe, rijke Heer,
en zend op onze wegen  uw kracht en goedheid neer!

Neem Gij ons in uw hoede,  onoverwonnen held;
beteugel satans woede  en 's werelds boos geweld!

Preek

Genade zij u en vrede van God onze Vader en van Jezus Christus, onze Heer, door de Heilige Geest.

Lieve mensen,

Max Tailleur vertelde eens over Moos en Saar, die op vacantie in het Heilige Land een tochtje wilden maken op het meer van Genesareth. Maar het bedrag dat de kapitein van de boot daarvoor vroeg was zó belachelijk hoog, dat Moos hardop vroeg of hij het wel goed verstaan had. De kapitein zei toen: ja, maar dit is wél het meer waarover Jezus heeft gelopen. Zei Moos: Ja, dat kan ik me voorstellen, met zulke prijzen! ;-)
Zo kom je nog wel eens iets onverwachts tegen op vacantie. Soms vervelende dingen maar vaak onvermoede schatten aan mensen en mooie dingen. Ik hoop dat dit laatste u is overkomen.
Ik mag in elk geval hopen dat uw vacantie minder rampzalig is verlopen dan het uitje van Jona. Dat was ook niet echt een vacantie, maar het was een vlucht. Een vlucht voor God en voor het goede, dat Jona zelf niet wilde. Misschien was het ook wel een vlucht voor Jona zelf. Het was in elk geval een vlucht, want in Jona’s dagen ging niemand uit zijn omgeving voor zijn of haar plezier de zee op.
Een cruise kwam echt in niemands hoofd op.

Iedereen wist dat de zee een gevaarlijke en onberekenbare instantie was. Eerder een vijand dan een vriend.
Je moest wel erg wanhopig of moedig zijn, om je op een schip te begeven. In de diepte van de zee huizen de oermonsters, de Leviathan en andere, die als het ware nog een restje zijn van de tohoe wabohoe, de warboel en chaos, die God bij de schepping heeft bedwongen.
Voor mensen dood-eng, maar God speelt er mee, zoals we kunnen horen in psalm 104. Wie in zee zwemt, en niet een beetje poedelt langs de rand, maar echt ver van het land, die legt haar en zijn leven in Gods hand, of speelt met de dood. Een onverwachte stroming, een plotselinge afkoeling, een wind die draait, voor je het weet heb je kramp, en is het land bijna onbereikbaar geworden. Ik spreek uit ervaring. Zeilers en surfers weten er alles van: hoe onberekenbaar de zee is.
Dat geldt net zo goed voor de Middellandse zee, waar Jona aan boord gaat, en waar Paulus schipbreuk leidt op weg naar Rome, als voor het Meer van Genesareth, (dat is tussen haakjes een andere naam voor het meer van Galilea) waar het nog steeds gigantisch kan spoken, door de wind die opeens opsteekt, en van de bergen afduikt, zo op het behoorlijk grote meer. Dat heeft een oppervlakte van 165 km² en een maximale diepte van 46 meter… Geen kleinigheid dus. Daar kunnen geweldige draaikolken ontstaan.
Vissers en schippers zijn dus mensen met moed, met gezond verstand, en een boel geloof.
Ze  hebben weet van de monsterlijke onwaarschijnlijkheden die onder het bedrieglijke wateroppervlak kunnen loeren, en die het op de kwetsbare mens hebben voorzien.
De bemanning van het schip waarop Jona reist, merkt dat deze storm niet ‘normaal’  is. Er moet meer aan de hand zijn, iemand moet de goden hebben beledigd.
En als Jona opbiecht dat hij wegvlucht voor een opdracht van zijn God, een opdracht waar hij geen trek in had, wordt hem beleefd maar dringend te kennen gegeven, dat het wel zo sociaal is als hij maar over boord stapt. Inderdaad houdt het daarna op met stormen.
Het monster van de diepte heeft zijn buit binnen.

Tegen deze achtergrond is het ook niet vreemd als de leerlingen van onze Heer zich niet prettig voelen, wanneer ze tegen een uur of vier ’s morgens, nog een paar uur voor het licht wordt, en nog een flink stuk van land, in een heftige storm verzeild raken. Aan een zeil heb je dan ook niet veel, dus dat zullen ze gereefd hebben. Ze ploeteren met de riemen die ze aan boord hebben, om het schip tenminste wat op koers te houden, met de kop tegen de wind in, zodat ze niet omkiepen of onverwacht te pletter te slaan tegen je-weet-maar-nooit. En d
án…
dan is daar een gestalte die op de golven naar ze toe komt lopen. Ziet u het voor U?  U zou het ook uitgillen!

Maar beide verhalen hebben veel m
éér gemeen dan het dreigende water, en de vernietigende kracht van de storm.
Het zijn allebei wonderverhalen.
Dat kan toch niet? zullen mensen vragen. Over het water lopen…
Er zijn hele reeksen met moppen over mensen die weten waar de paaltjes staan, en niemand neemt het serieus. En die grote vis: dan ‘kan’ alleen maar een walvis zijn, en kijk eens wat een kleine keeltjes die hebben? Serieuze wetenschappers zullen je dat triomfantelijk voor de voeten werpen. En na drie dagen en drie nachten ben je zonder meer al gestikt! Zo! Daar heb je niet van terug!

Tja, toch ben ik daar niet zo van onder de indruk.
Ik ben niet bang voor een wonder, want ik heb er genoeg gezien in mijn leven. Echte. Ik ben voldoende geschoold in de wetenschappen om te weten dat hetgeen de massa als vaststaand gegeven wordt voorgeschoteld niet meer is dan de laatste theorie. En die theorieën worden om de zoveel jaar weer bijgesteld. En vaak komen oude gedachten met een nieuw sausje na geruime tijd weer terug. Binnen de theoretische natuurkunde is nu sprake van een theorie van non-localiteit waarbinnen waarschijnlijke mogelijkheden bestaan die daarbuiten alleen een feit worden als iemand ze waarneemt, en daar zijn wonderen geen onmogelijk verschijnsel meer. Alleen wat onvoorspelbaar.
En laten we wel wezen: als God alle wateren van deze wereld in Zijn handholte kan houden, dan kan Zijn Zoon natuurlijk zonder meer op het water lopen. Dat het ‘hoe dan?  ons begrip te bóven gaat, doet daar niets aan af.

In het verhaal van Jona staat heel nadrukkelijk dat Jona drie dagen en drie nachten in de ingewanden van de vis verblijft. En dat brengt ons bij de kern van het verhaal, want het getal drie hoort in het bijbels denken bij God.
Jezus zal later naar de tijd tussen Zijn dood en Zijn opstanding verwijzen als ‘het teken van Jona.’ 
Jona is in de tijdruimte van God. Hoe we ons dat dan ook voor mogen stellen. In elk geval moet het voor Jona een eindeloze tijd zijn, waarbij hij zich heen en weer gerukt voelt tussen twee krachten. De dood bedreigt hem, hij is al hard op weg een lijk te worden dat wordt opgedregd, met het zeewier al in de haren. Dieper dan de fundamenten van de bergen is hij de zee in getrokken. Hij heeft geen enkel houvast meer. Golven slaan over hem heen, water stroomt als een kolkende rivier, beelden schieten tekort om te schilderen wat hij ervaart.
Hij is aan het eind. Hij is al afgeschreven. Het vijandige water voltrekt Gods straf aan hem. En dan tóch, dan zal hij het toch nog uitschreeuwen tot God, hij zal om hulp roepen, hij zal bij zichzelf zeggen: ik kan niet dieper afzakken dan me gebeurd is, hij heeft niets meer te verliezen, maar alles te hopen. (Loesje: het was zo donker om me heen, dat ik alleen maar lichtpuntjes zag.)
En God heeft Jona geantwoord, God heeft hem doen opklimmen uit de diepte, uit het verderf.
U trekt mij levend uit de dood omhoog, o HEER, mijn God! Dat is het eerste. Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik U aan, stond er daarna in onze lezing.
Gods hulp is er al voordat we beginnen te bidden, Hij hoort ons gebed, ook al geloven we er niets van dat we Hem nog kunnen bereiken. Ook al hebben we geen levensmoed meer. Ook al kunnen we het niet geloven.

In diepte van ellende roep ik, mijn God, tot U, zegt de psalm.
Het heeft weinig zin om te roepen, als je er niet van uitgaat dat er iemand is die horen kan. En toch doen mensen dat intuïtief.
Ik roep, Hij antwoordt, begint het gebed van Jona.
Omdat God hem optrekt, kan Jona bidden.
En daarom, daarom wordt Jona zichzelf weer. Krijgt hij, die zo in het nauw zat, als iemand die is opgegeten door een vis, weer vleugels, kan hij weer een duif zijn…
 
Hij heeft er alleen niet zoveel van geleerd, maar dát is het volgende hoofdstuk.
Ik ga terug naar het Evangelie, dat hiermee vergelijkbaar is…

Ik zei het al: ook de leerlingen van Jezus zijn in paniek. Er komt iets heel erg èngs op ze af. Door regen en wind verblind zien ze maar half, maar dan wordt hun roep tot God om hulp beantwoord door een vertrouwde stem.
Jezus.
De Heer!

Je roept God, en Jezus komt. Hij is Gods antwoord.

En dan is daar temidden van die leerlingen Petrus.
Meer hart dan verstand, dus hij roept: als U het echt bent, laat me dan net als U over het water lopen!
En Jezus zegt: Kóm.

Zolang Petrus naar Jezus kijkt gaat alles goed.
Maar als hij om zich heen kijkt, als hij zich laat afleiden, ziet hij hoe hard de wind waait, en uit welke hoek, en hoe gevaarlijk dat is. En dan zakt het fundament onder zijn geloof weg, dat hij kan doen wat Jezus hem zegt.
Maar zodra hij roept, zijn aandacht weer vestigt op Jezus, is die Hand daar, die hem weer op de benen zet, dan is de Stem daar, die de storm kalmeert, die de monsters wegjaagt, als Jezus en hij samen in de boot klimmen.

In beide verhalen is het God die al klaar staat om ons te redden, voordat het tot ons doordringt, dat wij die redding, die hulp, wel eens nodig konden hebben.

En tóch mogen we er in de ergste omstandigheden, - en in ieder mensenleven komen er momenten van doodsnood en angst die zo groot is dat je niet verder denkt te kunnen, - toch mogen we er ook dan op rekenen, dat God ons niet alleen laat. Dat die hand daar is, die ons uit de diepte weg sleurt, dat die stem daar is die de storm in ons en om ons kalmeren wil, dat we kunnen wankelen, en dat we misschien natte voeten krijgen, maar dat we maar hoeven te roepen: help! en Hij is er. Vertrouw er op.

Want dit mogen we geloven, dat dood noch leven, noch engelen, noch de dingen die in het begin zijn gebeurd, noch wat er nu is, noch de toekomst, noch autoriteiten noch hoogte noch diepte, noch ook enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods Liefde in Christus Jezus, onze Heer.
Houd dat vast. Het is onze reddingsboei ten leven.
Wie zich richt op de armoedige afgoden van deze tijd, verlaat God. Die zijn de prooi van de monsters in de diepte. In de diepte van het water, in de diepte van het bestaan, in de diepte van onze eigen ziel.
Maar kijken we op, roepen we om God dan zien we hoe de engste vis uit de diepste zee ons weer uitspuwt op Gods bevel. Dan zien we op die kwade macht geschreven hoe God begin en einde van alles is, zoals de
α (alpha) en de ω (omega) op de vis, die u op uw liturgie ziet.

Gods liefde overwint alles.
Laten we onze blik blijven richten op Gods Zoon.
Zijn geloof in ons redt ons, Hij hoort ons. Telkens weer.
Amen.

Orgelspel

Antwoordlied:
gezang 437

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig Licht,
van aangezicht tot aangezicht.


Dienst van Gebeden en Gaven

Alles wat wij hebben , hebben wij van God gekregen,
om  door  te geven, om met velen te delen
     en er zo van te genieten.
Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen: in de collecte. Nu eerst de Collecte voor: de diaconie en die daarna is voor de eigen gemeente. (Uitgang?)

Dankgebed over de gaven
Heer God, wat wij hebben verdiend, wat wij hebben gekregen, is uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht. Wil er Uw zegen over geven...
Wijs ons in dit alles de weg. Om Jezus’ wil… Amen.

Geloofsbelijdenis
Gezang 90: 2, 3 en 6 (staande)



De grond van mijn vertrouwen  is Christus, - in zijn bloed
is voor wie op Hem bouwen  Gods heil in overvloed.
Ik vind in eigen leven  niets lieflijks hier op aard;
wat Hij mij heeft gegeven  alleen is minnenswaard.

Zijn Geest wil in mij wonen,  Zij richt mijn wens en wil,
en wat er ook mag komen,  Zij spreekt en maakt mij stil.
Al wat de Heer vanbinnen  geplant heeft, rijpt tot vrucht
Zij is de Geest, die in mij  en met mij `Vader!' zucht.

Voorbeden
Lieve God, wij danken U dat U er voor ons bent ook al vluchten wij vaak weg voor wat U van ons vraagt.
Open ons de ogen en de oren, opdat we U zien, en op U vertrouwen, midden in de stormen van het leven.
Zo bidden wij:

Heer God, wij danken U voor de rust waarin ons land zich nu nog bevindt. En vanuit die dankbaarheid bidden wij U voor de volken van Georgië en Ocetië, van Rusland en van grote delen van Afrika, die zich zomaar, onverwacht in oorlog bevinden.
Voor de mensen, die huis en haard moeten verlaten, zonder enige zekerheid, voor de mensen die getroffen zijn door geweld, voor kwetsbare mensen, die misschien niet eens weten dat U er bent. Die Uw stem niet hebben leren verstaan, die Uw hand niet zien…
Zo bidden wij:

Goede God, wij danken  voor onze jarigen, voor Joop en de dochter van Riet, en wij bidden  voor onze zieken. We denken aan Dirk-Jan, aan Gerrit en ook aan Jeanet, aan Frederik en onze andere zieken. En wij bidden om Uw wondere tussenkomst nu een huwelijk van een van Uw kinderen door visumproblemen in het gedrang komt. Wil toch een oplossing geven!
Zo bidden wij:

Lieve God, wij danken U voor de vacantie. Voor de tijd die er was, of voor sommigen nu aanbreekt, om op adem te komen, om tijd vrij te maken, eindelijk, voor U.
Geef dat we niet weer op de loop gaan, maar help ons door Uw Geesten en Haar veelkleurige gaven, het goede te doen dat op ons pad komt.
Zo bidden wij:

Stil gebed

Onze Vader in de hemel, laat Uw Naam geheiligd worden,
Laat Uw koninkrijk komen en Uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben.
Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was.
En breng ons niet in beproeving,
maar red ons uit de greep van het kwaad.
Want aan U behoort het koningschap,
de macht en de majesteit,
tot in eeuwigheid,
Amen.

Gemeente staat op
Slotlied Tegen het Donker 83:1   (Sytze de Vries)

Uitzending en Zegen
Dat onze tong woorden van liefde zal spreken,
dat onze handen daden van warmte uitstralen,
dat onze ogen schitteren van licht,
dat onze oren gespitst zijn op signalen van gerechtigheid
dat onze voeten zullen gaan op de weg van de vrede.
Daartoe zegent ons de God van Jona, Petrus en Jezus:

De Heer zegent u en Hij behoedt u,
De Heer doet Zijn Aangezicht over u lichten en is u genadig,
De Heer verheft Zijn Aangezicht over u en geeft u vrede.
 
Tegen het Donker 83:2


Daarna zijn we naar Hanny en Edy getogen, waar we nog lang genoten van koffie, cake, soesjes, soep en toast. Met nog een concertje toe. :-)