Dienst in de Gereformeerde kerk de Heusden, samen met de Lutheranen.
Organist: Henk Biesheuvel. Verder 29 volwassenen en 5 of 6 kinderen. 

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen
Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft
.
Wij belijden voor de Almachtige God,
dat wij gezondigd hebben,
gezondigd, in gedachten, woorden en daden.

Het is onze schuld, onze eigen grote schuld.
Daarom vragen wij God, de Almachtige,
de Barmhartige, zich over ons te ontfermen,
ons al onze zonden te vergeven
en ons te bevrijden van alles wat verkeerd is. Amen
De Almachtige  God schenke ons Zijn genade Amen Zo lief had God deze wereld,
dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag!

Ons
Introïtuslied, deze derde zondag na Trinitatis, is psalm 25: 4, 2 en 10
HERE, maak mij uwe wegen  door uw Woord en Geest bekend;
leer mij, hoe die zijn gelegen en waarheen G'uw treden wendt;
leid mij in uw rechte leer,       laat mij trouw uw wet betrachten,
want Gij zijt mijn heil, o Heer,        'k blijf U al den dag verwachten.

Mogen mij toch steeds behoeden  vroomheid en waarachtigheid. Hoopvol is het mij te moede,  U verwacht ik t'allen tijd.
Here God van Israël,      red uw volk in tegenspoeden!
Toon uw goddelijk bestel,       dat uw hand ons toch behoede!

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
Maar laten wij dan ook Zijn naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt!

Zondagsgebed
Grote God, U die wilt dat wij weten wat er voor ons over U te weten valt, geef dat ons ook dit uur door Uw
Heilige Geest  Uw Woord wordt verhelderd en verklaard, om de grote liefde die U voor ons hebt, en door Jezus Christus, onze Heer. Amen


Lezing Oude Testament  Jesaja 12: 1 - 6.
Dit is een deel van de profetie over de eindtijd, waarin alles goed komt, wanneer de Messias en het vrederijk komen, de wolf bij het schaap ligt en de panter bij het bokje   Israël zal nieuwe heerlijkheid hebben, wordt er beloofd. Het gaat verder met het danklied van de verlosten, waarin ook het loflied van Mozes bij de Schelfzee nog doorklinkt: 

1.    Op die dag mag je zeggen:
Ik loof U, Aanwezige,
Hoewel U woedend was op mij
is Uw boosheid gekeerd,
en U hebt het weer goed gemaakt voor mij… 2.    Kijkt toch! God is mijn redding!
Ik heb me aan Hem mogen vastklampen,
en hoef niet bang te zijn.
Want mijn kracht en lofzang is mijn heilige Heer: de Aanwezige,
Ja, Hij is mij tot redding!

3.    En jullie zullen water putten met diepe vreugde uit de reddende waterbronnen. 4.    Ja, jullie mogen zeggen op die dag:
Looft de Aanwezige, roept het uit in Zijn Naam!
Maak dat de vreemde volkeren geloven in Zijn grote daden;
maak ze indachtig hoe groot Zijn Naam is.

5.   
Lofzingt de Aanwezige, omdat Hij een wederopstanding verwerkelijkt,
dat is iets dat over heel de aarde wordt geweten! 6.              Inwoonster van Sion: laat je juichkreet horen, zing hardóp,
want groot is in je midden de Heilige van Israël! Wij zingen mét Israël: psalm 2: 1 en 2

Die in de hemel is gezeten lacht,
want Hij is God die eeuwig blijft regeren.
Hij spot met hen die spotten met zijn macht.
Hij kent zijn tijd, Hij is de Heer der heren.
Dan zal Hij spreken uit zijn hoge woning
en hen verschrikken in zijn grimmigheid:
"Ik wijdde mijn gezalfde tot een koning
op Sions berg, de berg der heiligheid."

Epistel 1 Johannes 4: 7 – 16 NBV

Een mooie brief, die het verdient in zijn geheel gelezen te worden, en waar we veel van kunnen leren. Ik raad u aan om ‘m vanavond of vanmiddag bij het eten maar eens ter hand te nemen. Hier gaat het er over hoe we in een geest van oprechte liefde met elkaar en met God om moeten gaan. We lezen:

7 Geliefde broeders en zusters,
laten wij elkaar liefhebben,
want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God.

8     Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.

9     En hierin is Gods liefde ons geopenbaard:
God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door Hem zouden leven.

10 Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft lief-gehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.

11 Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.

12 Niemand heeft God ooit gezien.
Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons
en is Zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.

13         Dat wij in Hem blijven en Hij in ons, weten we  doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest.

14         En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld.

15         Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en haar en blijft z/hij in God.

Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde.
Wie in de liefde blijft, blijft in God,
en God blijft in haar of hem
.
Terecht zingt de psalmist dan ook:
De hemel verhaalt van Gods majesteit,
het uitspansel roemt het werk van Zijn handen! HALLELUJA!

Laten we zingen een bekend lied uit de Evangelische liedbundel: nr 232:  Is hier een hart door vrees benard...

Want juist de liefde wordt telkens aangevallen.

Juist wie liefheeft wordt vaak aangevochten door twijfel, maar het is ook de liefde die ons aanmoedigt om te vertrouwen in Gods goedheid…

Laten we zingen!

Gaat gij gebukt, door zorg gedrukt? Leg dan uw lasten neer!
Tob niet langer voort, vertrouw op ’s Heren woord!
Hij hoort uw beê en schenkt u vreê in liefde eind’loos teer.
Zo gij slechts kunt geloven, niets is onmooglijk meer!
Daar zijn geen grenzen…

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Mattheüs 9: 35 – 10:15(16)
 In het deel dat hieraan voorafgaat, geneest de Heer zieken, blinden zelfs, en wekt Hij het dochtertje van Jaïrus op uit de dood.  Overal wordt over hem verteld, maar de Farizeeërs zeggen dat Hij dit alles vast doet op gezag van de duivel. We lezen verder: 35. En Jezus trok rond door alle steden en dorpen waar Hij in hun synagogen onderwees, en de blijde boodschap van het Koninkrijk proclameerde, en elke ziekte en elk tekortschieten van het lichaam genas.
36. Bij het zien van de menigte voelde Hij medelijden met hen in Zich opwellen, want ze verkeerden in een miserabele toestand en waren ontheemd, zoals schapen die geen herder hebben.
37. Dan zegt Hij tegen Zijn leerlingen:
“Er is wel veel te oogsten, maar weinig werkers zijn er.
38. Zendt dan nu toch smeekbeden op naar de Heer van de oogst, opdat Hij werkers af mag zenden op Zijn oogst.”
10:1. En nadat Hij Zijn 12 leerlingen bij elkaar geroepen had, gaf Hij ze gezag over onreine geesten om ze uit te werpen, en om elke ziekte, en elk tekort-komen van het lichaam, te genezen.
2. De namen van de 12 zendelingen, (de 12 apostelen,) zijn deze: Eerst Simon (Hij heeft gehoord), die Petrus (Rots) genoemd wordt, en Andreas (de Macho) zijn broer, en Jacobus (hielen-lichter) van Zebedeüs (de Aanwezige schenkt) en Johannes (de Aanwezige is genadig) zijn broer.
3. Filippus (paardenvriend) en Bartholomeüs (zoon van Tolmai = de broederlijke), Thomas (tweeling) en Mattheüs (geschenk van de Aanwezige) de belasting-ophaler, Jacobus (hielenlichter) van Alfeüs, (God heeft een plaatsvervanger (voor een dood kind) gegeven) en Thaddeüs (kracht Gods)....
4. Simon (Hij heeft gehoord) de Kanaäniet en Judas (Lof Gods) uit Carioth, die Hem ook verraden heeft.
5. Déze 12 zond Jezus weg, waarbij Hij hen als volgt vertelde wat ze moesten doen: “Vertrek niet naar de weg tot de volkeren, en ga geen Samaritaanse stad binnen.
6. Ga liever op reis naar de verdwaalde schapen van het huis Israël.
7. Jullie moeten op reis het volgende duidelijk maken: Het rijk der hemelen komt al dichtbij!
8. Geneest zieken, wekt doden op, maakt melaatsen rein, werpt demonen uit. Jullie kregen (dit) voor niets, geeft (het) dan voor niets!”
9. Heb alsjeblieft geen goud of zilver achter de hand in jullie gordels,
10. geen portefeuille voor onderweg, en niet twee mantels, of extra sandalen en stok, want de arbeider is zijn voedsel waard.
11. Maar stel dat je een stad of dorp binnengaat, bekijk dan goed wie daar (een) waardig (persoon) is –
blijf daar, totdat je weer weg gaat.
12. (Eenmaal) het huis binnengekomen, moet je (de bewoners) groeten en als het huis (het) waard(ig) mocht wezen, laat dan jullie vrede er op neerdalen.
13. Maar als het niet waardig mocht wezen, moet jullie vrede naar jullie terugkomen.
14. En ieder die jullie niet ontvangen wil, en niet naar jullie woorden luisteren wil: als jullie dat huis of die stad uitgaan, moeten jullie het opgewaaide stof nog van jullie voeten schudden.
15. Waarachtig, Ik zeg jullie: het zal voor de inwoners van Sodom en Gomorra makkelijker zijn op de dag des oordeels dan voor díe stad.
16. Zie ik zend jullie als schapen temidden van wolven, weest dan voorzichtig als de slangen en oprecht als de duiven.
Zalig die het woord van God horen - en er gehoor aan geven!

Credo:

Wij belijden ons geloof samen met de eerste getuigen van Jezus Christus:
Met Johannes de Doper: Zie hier het lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt...
Met Andreas: We hebben de Messias gevonden... Met Nathanaël:  Meester, U bent de Zoon van God, de koning van Israël...
Met de Samaritanen: Wij weten dat Hij werkelijk de redder der wereld is... Met Petrus: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.... Met Martha: U bent de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komt...
Met Thomas: Mijn Heer en Mijn God.... Amen.

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER,
DOOR DE HEILIGE GEEST.


Lieve gemeente van God.
In deze groene tijd na de grote feesten van Pasen tot Pinksteren en Trinitatis is het moment gekomen om ons geloof uit te bouwen, om verder te kijken dan het hier en nu, en om vanuit het Halleluja en het Gloria ons te richten op het koninkrijk van God dat zo aanstaande is, dat het al onder ons is, vaak zonder dat we het merken, en op de toekomst die ons wacht.
Ten onrechte wordt de groene tijd ook wel genoemd: de feestloze tijd van het kerkelijk jaar.
Ten onrechte, want wat kan er nu feestelijker zijn dan voortbouwen op de feesten, wat kan er mooier zijn dan het verzorgen en straks oogsten van de vruchten van die feesten die ons geloof hebben versterkt?
Het is een tijd van rijping, van verder gaan, van brede horizonten en grote verwachtingen. Verwachtingen, niet alleen van de Heer, en wat Die voor ons zal gaan doen, zoals we zagen in de eerste lezing, maar ook van verwachtingen ten aanzien van elkaar en van onszelf, zoals ons wordt aangereikt in de epistel en het Evangelie.

Als we goed kijken, zien we centraal in de eerste lezing dat er ook iets van ons wordt verwacht: niet alleen de lofzang die de Heer aanspreekt, maar ook de lofzang die de mensen om ons heen aanspreekt – over God.

We zeggen dat zo makkelijk: iemands lof zingen, en als we ergens vol van zijn, als we iets erg belangrijk vinden, let maar eens op, dan gaat iemands stem vaak nét een toontje omhoog. Het hééft iets van zingen!
Ben je verliefd, heb je een idool, een nieuw speeltje, dan is dat niet zo moeilijk: de lof er van zingen.
Dan ben je er vol van.
En zo zal eens heel de wereld vol zijn van God… omdat wij ze verteld hebben van Zijn grote daden.
Maar als we daar eens over nadenken, dan komen de meesten van ons tot de conclusie dat onze mond helemaal niet altijd overloopt van Gods grote daden. 
Betekent dat misschien dat ons hart er niet zo vol van is als het wel zou mogen zijn?
Zijn die grote daden voor ons gevoel, in onze beleving, dan toch een ver van mijn bed show, ondanks alle mooie liederen die we met zoveel enthousiasme de laatste maanden hebben kunnen zingen?
Ondanks de vreugde, die we toch echt wel gevoeld hebben, af en toe?
Voelen we het dan niet, dat de Heer ons tot kracht is, en tot redding?
Ervaren we het dan nooit, dat we water kunnen putten met diepe vreugde uit de reddende waterbronnen?
Letterlijk: als we de kraan opendraaien, en er stroomt zomaar helder en zuiver drinkwater uit, een wonder: meer dan de helft van de wereldbevolking kan daar niet zomaar op rekenen, en figuurlijk: je hebt ergens enorme behoefte aan, een diep verlangen, en opeens is het er…
Velen zullen zeggen: nou, nee, niet zo.
Maar we hebben toch redenen genoeg om dankbaar te zijn, om te roepen: ja! (joepie!) als we genoeg nadenken.
Misschien is dat ons probleem wel: dat we de dingen te veel als vanzelfsprekend aannemen, en we de diepe verwondering en dankbaarheid kwijt zijn in ons leven.
En daarom geen oog meer hebben voor Gods grote daden. Voor Zijn liefde.

Gister kreeg ik een brief uit Zweden, van Barbro, die op de nationale feestdag verzuchtte dat de Zweden een voorbeeld konden nemen aan de Nederlanders en de Denen in het vieren van deze feestdag.
Haar conclusie was: ze weten het niet meer wat het is: onvrij zijn.
En zo is het met ons ook vaak: we zijn zo opgegroeid met de woorden liefde, bevrijding en genade, dat we dreigen ze voor kennisgeving aan te nemen.
En toch zijn het zeer wezenlijke begrippen, die onze verhouding met God en met elkaar zouden moeten kenmerken.
En allereerst onze verhouding tot onszelf.
Wie van zichzelf niet kan houden, wie zichzelf niet genadig kan zijn, die kan niet vrij zijn om anderen lief te hebben.
Om God lief te hebben…

Groot is in ons midden de Heilige van Israël.
Dat was de laatste zin van deze Jesaja-profetie.,.
Laten we dat dan even tot ons doordringen.
In ons midden is Hij.
Godzelf.
U ziet het niet, maar Hij staat achter u, zit naast u.
Hij is hier en nu.

Hoe reageren we dan?
Zeggen we met een grote grijns: wat fijn dat U er bent, of schuiven we wat ongemakkelijk heen en weer op onze stoel?

Zijn we dan al vergeten, dat God zoveel van ons houdt, van ieder van ons, dat Hij Zijn Zoon heeft gestuurd, opdat iedereen die van Hem houden wil, en in Hem gelooft, het eeuwig leven zal hebben?
Zijn we Pasen en Pinksteren dan al vergeten?
Hij is immers gekomen om ons leven te delen opdat wij het Zijne zullen delen?
 
Van Zijn kant heeft Hij alle barrières neer gehaald, laten wij dan gewoon genieten en geloven… en er over praten
Want het is toch verrukkelijk, dat God zich niet te goed voelt om hier te zijn, om samen te genieten van de sfeer, van uw en Zijn aanwezigheid, van de liederen, de kinderen, de zon, het leven…
Ook die behoren tot Gods grote daden!


Het is allemaal een kwestie van liefde

Ik denk dat de schrijver van de eerste Johannes-brief het prachtig heeft verwoord als hij schrijft: Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad, en wel zo lief, dat Hij Zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.

En de logische conclusie is dat wij elkaar dan ook met een dergelijke intensiteit moeten en vooral mogen liefhebben.
Dat is geen opdracht, maar een logisch gevolg van Gods liefde.
Als we elkaar liefhebben is en blijft God in ons, dan woont en werkt Hij daar, dan is Ze stralend aanwezig. En zichtbaar voor de buitenwereld.
En op het moment dat wij onszelf toestaan (want het is natuurlijk wel een keus, dat zult u moeten toegeven!) aan iemand een hekel te hebben, dan jagen we God weg. Simpel.
Dan kan Ze niet binnen ons, en vanuit en door ons, van die ander houden.

Kiezen voor God is niet iets voor zolang het ons uitkomt, en op de momenten die wij daar voor bestemmen.
Als we kiezen voor God dan is dat met huid en haar en op dood en leven.
Kerk zijn, gemeente zijn is niet voor watjes.
Dat vraagt heel wat van ons.
God is liefde.
Wij hebben Gods liefde, die om en in ons is, leren kennen en we vertrouwen daarop, schrijft Johannes. Terecht.
We mogen vertrouwen dat die liefde ons draagt en doortrilt. Ons doorzingt en woorden en vleugels geeft, wanneer we daar om vragen.
En dat belijden, dat Jezus de Zoon van God is, dat is méér dan het uitspreken van het Credo, dat is aan de slag gaan met je geloof.
Dat is getuigen.
En dat geldt ook voor ons.
Niet alleen voor de leerlingen van Jezus in het jaar zoveel.

De evangelielezing begon met Jezus, die door alle steden en dorpen trok, en in de synagogen, zeg maar in de zondagse bijeenkomsten, onderwees en de blijde boodschap van het Koninkrijk proclameerde, en de mensen genas naar lichaam en ziel.
Hij ziet de oogst rijpen, maar dat gaat niet vanzelf. God moet mensen sturen om de oogst binnen te halen. Mensen, die anderen aanspreken op hun geloof. Op hun daden.
Mensen met lef.
Het moet van God komen.
En God geeft op Zijn en ons gebed mensen.
Gewone mensen, zoals u en ik, zoals Simon en Andreas, Judas en Jacobus… en de rest…
Niet veel bijzonders, maar voor God goed genoeg.
Is het u opgevallen? Ze zullen op het verzoek van de Heer Jezus zeker gebeden hebben om werkers die de oogst waar Jezus het over had, binnen te halen.
En dan zijn ze opeens zelf de verhoring van dat gebed. Het was vast niet wat ze verwachtten…
En Jezus geeft hen gezag, geeft ook ons gezag over onreine geesten, om de mensen naar lichaam en ziel te genezen, zodat ze open kunnen staan voor Gods liefde.
En daarmee voor de andere mensen.

En dan opeens zijn ze in het zelfde vers geen leerlingen meer maar gezondenen, missionarissen, zendelingen. Apostelen, in het Grieks.
Mensen met een opdracht. De opdracht te getuigen van Gods grote daden, met de woorden: het rijk der hemelen komt al dichtbij.
Ja, waar Jezus is, en zeker waar de Opgestane Heer is, daar is het koningschap van God een feit.
Waar mensen hun leven in dienst van de liefde stellen, daar heerst God, want God is liefde.
Maar waar mensen zo dienstbereid zijn, daar is God ook Zelf aanwezig, en dan kunnen er ongelooflijke wonderen gebeuren, als je er maar in durft geloven.
Zieken en doden, dat klinkt spectaculair.
Maar gastvrijheid, die onbekende mensen te logeren vraagt, is al een even groot wonder… ook als gastvrijheid de norm is, houdt niet iedereen zich er aan, en Jezus zegt tegen Zijn leerlingen, Zijn gezondenen, en net zo goed tegen ons: Ik stuur jullie als schapen temidden van wolven,
Het is niet zonder risico. Niet zonder gevaar.

We houden vaak liever onze mond over ons geloof, want je weet maar nooit wat voor onaangenaamheden het kan oproepen.
Jezus wéét dat. En toch
Toch stuurt Hij ons, om voorzichtig en oprecht, verstandig en vanuit ons hart, te getuigen van Gods liefde voor alle mensen.
Voor u en jou, voor haar en voor hem, voor leuke en voor vervelende mensen, die allemaal beminden Gods zijn. Net als wij.

Laten we dan ons hart en ons verstand openen voor die liefde.
Laten we dan putten uit die heilbrengende waterbronnen. Laten we naar elkaar en onszelf kijken met de milde ogen van God.
Want als Hij zit op de stoel naast u, dan zit Hij ook op de stoel naast die van uw buurman, uw buurvrouw, en dat is huiveringwekkend en heerlijk.
Als Hij in ons aan het werk mag gaan, als wij Zijn woorden van heil, genade, vergeving en liefde willen spreken en handen en voeten geven, dan is Zijn koninkrijk hier en nu, en overal waar we gaan en staan.
De oogst is groot.
Laten we de Heer van de oogst vragen ons aan te nemen in Zijn dienst.
Amen.

Muziek

Gods liefde is groot en strekt zich uit tot alle mensen,
   wij kunnen daarin delen:
dag aan dag met vriendelijkheid en aandacht,
geld en geduld,
nu kunnen we er gestalte aan geven, als een goed begin,  in de collecte…
Na het gebed over de gaven zingen we:

Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 425: 1, 3 en 5
Maar nu eerst de collecte!

Gebed over de gaven

Lieve God, wilt U alstublieft zegenen wat we hier bij elkaar hebben gebracht, 
zodat het is tot eer van Uw Naam,
en zodat het Uw gemeente wereldwijd ten goede komt.
Laat het een offer zijn, dat onze dankbaarheid en liefde uitdrukt,
door Jezus Christus, onze Heer.  Amen
Gezang 425: 1, 3 en 5


En vogels, waar men hoort of ziet, -
de leeuw’rik zingt het hoogste lied,
de zwaluw voedt haar jongen.
De bronnen ruisen overal, -
loof Hem, in wie u eens voor al
het leven is ontsprongen.

God heeft zijn schepping goedgedaan, -
hoe zou ik zelf dan buitenstaan?
Hij heeft de dood verdreven.
En ik zing mee, nu alles zingt,
het lied dat overal weerklinkt,
de lofzang om het leven.

Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U voor zoveel schoonheid, zoveel liefde, zoveel goedheid.
Wij danken U, dat U zo in ons gelooft,
en wij smeken U: wek ons geloof weer op,
geef passie aan onze liefde,
woon met Uw Geest en Haar gaven in ons, en wil in en door ons aan het werk gaan. Lieve God, wij danken U voor deze beide gemeenten, voor de goede banden, het groeiend begrip, hoe aarzelend ook nog af en toe.
En wij bidden voor stad en land, voor overheden en machthebbers, dat U hen inspireert tot goede beslissingen, zuivere overwegingen, een bereidheid tot dienen. Juist in deze wereld waar zoveel mis is, waar zoveel leed is. Er zijn immers geen grenzen aan Uw macht voor elk die wonderen van U verwacht! Lieve God, wij danken U dat we mensen om ons heen hebben, waarmee we de ervaringen met U kunnen delen. Onze vreugde, en onze dorre tijden.
Onze angsten en onzekerheden, maar ook onze mooie momenten. Ze worden er stralender van. Wij danken U voor de mensen van wie we mogen houden. Voor hen die hier niet zijn, voor hen die hier niet willen of kunnen zijn, en voor hen die in pijn en verdriet leven. Die in onvermogen leven om Uw liefde tot zich door te laten dringen, en naar anderen toe te uiten. Wil hen helen en genezen, nu en telkens weer.

Voor alle zieken

Voor alle mensen in nood, waar dan ook, willen we U bidden, opdat er mensen gevonden worden die in actie komen.
Voor onszelf bidden we, dat U ons geloof wilt sterken en doen rijpen, dat U ons de moed en het vertrouwen geeft om te leven en te werken in en vanuit Uw liefde.
Kom met Uw gaven, lieve Geest van God,
zodat we kunnen loven en bidden zoals Jezus ons leerde: Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd
Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade…

Ons slotlied, dat we staande zingen, is gezang 425: 6, en direct na de zegen zingen we, in plaats van het amen, van het zelfde lied vers 7, het laatste vers.

Gez. 425 : 6

Zegen:
God, die stralende liefde is,
wil U zegenen en behoeden,
wil U helen en genezen,
wil Uw woning en Uw kracht zijn.
Zo is en blijft U zeer nabij:
de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest
voor altijd.
Amen

425:7: 

Ja, welk een lentelijk festijn zal het in Jezus' lusthof zijn,
hoe moet het daar wel klinken,     
waar duizend serafijnen Hem
lofprijzen met hun gouden stem  en als de sterren blinken! 

En toen was er koffie!

...................

 naar boven