Zondag 10 na Trinitatis in Heusden. Lutherse kerk. twintig augustus  Organist: Joop de Zwart

Wij zijn hier aanwezig in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Amen

Onze Hulp is in de Naam van de Heer    
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Heer, wij hebben als schapen gedwaald,       
en wij zijn ieder onze eigen weg gegaan...
Wij konden of wilden de weg,                      
die de waarheid is en het leven, niet volgen...
Toch smeken wij U:
Leid ons weer op het rechte pad,
vergeef ons en blijf ons bij,
om Jezus Christus, onze Heer. Amen

De Almachtige God schenke ons Zijn genade
Amen

God hield zoveel van deze wereld, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft aan het verderf ontkomt, en eeuwig leven hebben mag.

Ons introtuslied, deze 10de zondag na Trinitatis is gezang 318: 1, 8 en 10

ontsteek Uw licht in onze geest,
zodat ons hart verwonderd leest
wat nog voor 't oog verborgen ligt
in Uw bereik, in Uw gezicht;

Geloofd zij God die eeuwig leeft.
Geloofd Hij die zijn leven geeft!
Geloofd Hij die ons leven doet:
n lichaam uit n vlees en bloed.

Laten we de Heer aanroepen om ontferming met de nood van deze wereld,
maar laten wij dan ook Zijn Naam prijzen,
omdat er aan Zijn barmhartigheid geen einde komt...

 

 

 

 

Zondagsgebed
Heer onze God, nu wij terugkeren in Uw huis, om U te loven en te danken voor al het goede dat U ons telkens weer geeft, bidden wij U om Uw Heilige Geest, opdat Zij ons de harten opent voor Uw Heilig Woord.
Door Jezus Christus onze Heer. Amen.

Lezing OT Jesaja 35: 1 - 10 NBV
Dit vormt samen met hoofdstuk 34 in feite het einde van de geschriften van de oorspronkelijke profeet Jesaja. In 36-39 zijn er nog verhalen over zijn levensloop, maar die zijn waarschijnlijk later toegevoegd. Hier kijkt Jesaja vooruit naar de eindtijd, de tijd van eenmaal, als Gods koninkrijk aan breekt, als Gods wil op aarde geschiedt zoals in de hemel... Dan wordt eindelijk de wereld zoals die is bedoeld.. Een belofte, die ons moed mag inspreken, maar ons ook aanspoort zelf iets te doen, met die moed.
We lezen hoofdstuk 35: 1-10


1 De woestijn zal zich verheugen,     
de dorre vlakte vrolijk zijn,    
de wildernis zal jubelen en bloeien,

2  als een lelie welig bloeien,
jubelen en juichen van vreugde.        
De woestijn tooit zich met de luister van de Libanon           met de schoonheid van de Karmel en de Saron.        
Men aanschouwt de luister van de HEER,    
de schoonheid van onze God.

3  Geef kracht aan trillende handen,
maak knikkende knien sterk.

4  Zeg tegen het moedeloze volk:       
‘Wees sterk en vrees niet,      
want jullie God komt met Zijn wraak.           
Gods vergelding zal komen,  
Hijzelf zal jullie bevrijden.’

5 Dan worden blinden de ogen geopend,
de oren van doven worden ontsloten.


6  Verlamden zullen springen als herten,       
de mond van stommen zal jubelen:
    
waterstromen zullen de woestijn splijten,      
beken de dorre vlakte doorsnijden.

7  Het verzengde land wordt een waterplas,  
dorstige grond wordt waterrijk gebied;         
waar eenmaal jakhalzen huisden,      
maakt dor gras plaats voor riet en biezen.

8  Daar zal een gebaande weg lopen,            
Heilige weg’ genaamd,         
geen onreine zal die betreden.           
Over die weg zullen zij gaan,
maar dwazen zijn er niet te vinden.

9  Geen leeuw of roofdier zal daar komen,   
geen enkel wild dier dwaalt er rond,
ze blijven er allemaal weg,     
alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan.

10  Zij die de HEER heeft bevrijd, keren terug.        
Jubelend komen zij naar Sion,           
gekroond met eeuwige vreugde.        
Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, 
gejammer en verdriet vluchten eruit weg.

Tot hiertoe de lezing.
Laten wij Gods lof zingen met Israel: wij zingen psalm 8 helemaal.



Wel doet de hemel hoog Uw glorie blinken,
maar in de mond van kindren doet Gij klinken
Uw machtig heil, zo maakt G'uw vijand stil
en doet Uw haters buigen voor Uw wil.

Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van Uw handen,
de maan, de duizend sterren die daar branden,
wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt,
het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?

Gij hebt hem bijna goddelijk verheven,
een kroon van eer en heerlijkheid gegeven,
Gij doet hem heersen over zee en land,
ja, al Uw werken gaaft Gij in zijn hand.

Al wat er land of water heeft tot woning,
het moet de mens erkennen als zijn koning:
vogels en wild en al 't geduldig vee
en wat er wemelt in de wijde zee.


HEER, onze Heer, hoe heerlijk en verheven
hebt Gij Uw naam op aarde uitgeschreven.
Heer, onze God, hoe vol van majesteit
hebt Gij Uw naam op aarde uitgebreid.


De lezing uit de Epistel is uit de brief van Jacobus hoofdstuk 1: 16 – 27
De brief van Jakobus is niet zo bekend, en daarom wat informatie vooraf. De brief bestaat uit een tamelijk losse aaneenrijging van spreukenen vermaningen, zoals men die ook aantreft in de Joodse wijsheidsliteratuur. Hij is geschreven in een frisse, beeldendetaal, vaak met gebruikmaking van de directe, levendige stijl van een discussie. Behalve het opschrift is er niets dat het geschrift tot een brief zou bestempelen op de manier van Paulus' brieven aan de christengemeenten. De meest aannemelijke verklaring van het opschrift is dat het schrijven bestemd was voor Joden in de diaspora of verstrooiing die tot het christendom waren overgegaan. De schrijver noemt zich `Jakobus, dienstknecht van God en de Heer Jezus Christus'. Volgens de overlevering, die echter pas sinds de vierde eeuw vaste vormen begint aan te nemen, is hij Jakobus, `de broer van de Heer' (vgl. Mt 13,55), die een leidende positie innam in de Jeruzalemse gemeente (Gal 1,19; 2,9.12; Hnd 12,17; 15,13; 21,18). Vrijwel algemeen is men nu echter van oordeel dat we te maken hebben met een geschrift, dat in de na-apostolische tijd is ontstaan.
        De betekenis van de brief van Jakobus is gelegen in de eenvoud en de ernst waarmee de schrijver een christendom van de daad verkondigt, overeenkomstig met de beginselen van de bergrede. De nadruk valt op naastenliefde, goede werken
, gebed, eerbied voor de arme en een wijsheid die niet van deze wereld is. We lezen:
16  Geliefde broeders en zusters, vergis u niet:
17  elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van Boven, van de Vader van de hemellichten; bij Hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen.
18  Hij wilde ons door de verkondiging van de Waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in Zijn schepping.
19 Geliefde broeders en zusters, onthoud dit goed: ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden.
20  Want de woede van een mens brengt niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is.
21  Wees daarom zachtmoedig en leg alle verdorvenheid en elk denkbaar wangedrag af. En aanvaard zo de boodschap die in u is geplant en die u kan redden.
22  Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.
23  Want wie de boodschap hoort maar er niets mee doet, is net als iemand die het gezicht waarmee zij is geboren in de spiegel bekijkt:
24  zij ziet zichzelf, maar zodra zij wegloopt is zij vergeten hoe zij eruitzag.
25  Wie zich daarentegen spiegelt in de volmaakte wet die vrijheid brengt, en dat blijft doen, niet als iemand die hoort en vergeet, maar als iemand die ernaar handelt–hem of haar valt geluk ten deel, juist om wat zij of hij doet.
26  Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite.
27  Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.

De psalmist zingt ons voor: Juich, heel de aarde, voor God, bezing de eer van Zijn Naam, breng Hem eer en lof.  HALLELUJA!

Ons lied, ter voorbereiding op het Evangelie, is gezang 310 helemaal. U ziet daar open noten, maar dat betekent niet dat het heel erg langzaam gezongen moet worden.


Heer Jezus Christus, toon Uw macht, Heer aller heren, kom met kracht.
Bescherm Uw arme christenheid, dat zij U love te allen tijd.

O Geest, die onze Trooster zijt,   geef dat Uw volk n Heer belijdt,
wees bij ons in de laatste nood, leid ons ten leven uit de dood.

Het Heilig Evangelie staat geschreven bij: Marcus 7: 31 – 37
Er was een vraag naar rein en onrein, waardig of on-waardig voor het Koninkrijk Gods. Jezus is het zat, en maakt een trip naar het buitenland, waar, in de omge-ving waar afgelopen weken zoveel gevochten is door en tegen Isral, de rabbi uit dat land wordt gevraagd een meisje te genezen. Als Hij zegt: daar ben ik niet voor, zegt de vrouw: maar de hondjes eten de kruimels die van de tafel vallen. En dan staat de Heer beschaamd, en zegt: tegen zoveel geloof kan ik niet op. Uw wil geschiede. Kennelijk moet ook Jezus nog toe-groeien naar de gedachte dat het heil k voor de heidenen is.
We lezen verder:
31 Hij vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.
32  Daar werd iemand bij Hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte Hem om deze man de hand op te leggen.
33  Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak Zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel diens tong aan.
34  Hij sloeg Zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!‘, wat betekent: ‘Ga open!’
35  Meteen gingen zijn oren open, zijn tong kwam los en hij kon normaal spreken.
36  Hij, Jezus, beval de omstanders om aan niemand te vertellen wat er gebeurd was; maar hoe strenger Hij het hun verbood, hoe meer ze het rondvertelden.
37  De mensen waren geweldig onder de indruk en zeiden: ‘Alles wat Hij doet is goed: zelfs doven laat Hij horen en stommen laat Hij spreken.
Zalig die het woord van God horen en er gehoor aan geven

IN ANTWOORD OP GODS WOORD WILLEN WIJ ONS GELOOF BELIJDEN:
 
Ik geloof in God, die mens en wereld heeft geschapen, bedacht, gemaakt, gewild...

Ik geloof in God, die met mens en wereld een relatie aanging, er om geeft, er van houdt.

Ik geloof in God, die een Vader wil zijn, een Moeder, Geliefde, Zuster, Broeder..

Ik geloof in Jezus, mens geworden zoals wij.
Die in onze tijd, in onze wereld, ons eigen leven heeft geleefd,
en is gekruisigd,         
voor de overheid een daad van willekeur,
voor Zijn leerlingen uiteindelijk een sprong in het duister, die onze redding werd -
dwars door dood en opstanding heen.

Ik geloof in die Geest van Liefde, die deel is van Gods wezen, die Jezus bezielde, die ook ons bezielen wil.

Ik geloof in mensen van Gods welbehagen, gewne mensen, die doen wat ze kunnen.          
Die leren luisteren naar de stem van God in de nacht van hun leven.
Mensen die er voor Hem en voor elkaar willen zijn.

Ik geloof dat de tijd maar tijdelijk is, en dat ons eeuwige liefde wacht, door dood en opstanding heen.

Zo waarlijk helpe ons God almachtig!

Preek
GENADE ZIJ U EN VREDE VAN GOD ONZE VADER EN VAN JEZUS CHRISTUS, ONZE HEER,
DOOR DE HEILIGE GEEST.


Lieve gemeente, lieve mensen van God.

Doven die horen, en sprakelozen die spreken...
Lammelingen die lopen waar geen weg terug was, die je kon gaan... Laffe mensen die leeuwenmoed krijgen, omdat ze zeker weten dat ze geen leeuw tegen zullen komen...
Ons zijn brede vergezichten geopend, van wat we in het normale leven voor onmogelijk, en anders voor zr onwaarschijnlijk houden...
En ik kan u garanderen dat de mensen, tot wie deze woorden gesproken werden, het ook voor heel onwaarschijnlijk hielden, zo niet onmogelijk.
Zij zijn de slachtoffers van onhandig politiek handelen, de slachtoffers van het kleven aan het pluche, het egostisch bezig zijn van de koningen en de hofkliek.
Onschuldige slachtoffers, zou je zeggen.
Mensen die niet beter weten, en geen andere keuzes hadden...
Tenminste...
            Tenminste... het had anders kunnen zijn als ze niet zo laf waren geweest, en als ze tch andere, misschien gevaarlijke,  keuzes hadden wllen maken...
Het was anders gegaan, als ze niet de machthebbers naar de mond hadden gepraat, als ze niet bang waren geweest voor hun eigen hachje, en op die manier lam geslagen waren – en stom geworden.
God houdt uiteindelijk alle mensen van het volk verantwoordelijk voor wat er gebeurt. Niet alleen de mensen op de hoge posten. Ook de mensen die niet hebben geprotesteerd.
Maar tch is er die belofte – de belofte van een snelweg richting Sion. Nu zijn ze in ballingschap, ontheemd, ontworteld, maar straks, ooit, dan gaan ze rechtstreeks terug naar Sion.
Sion: de plaats van de tempel. De plaats waar God wordt gediend en aanbeden. Niet met mooie woorden, vrome liederen en fraaie liturgie, maar met hoofd en hart, met daad en volle overgave. Kijk, voor de mensen is straks de terugkeer geregeld. Niet voor mensen die God niet waardig zijn. Niet voor mensen die dan ng niet voor de dag durven te komen met hun overtuigingen....
God belooft ongelooflijke dingen, maar we moeten er ook wel wat voor doen. Geloven, God dienen, dat vraagt lef en moed en interesse. Dat vraagt betrokkenheid.
En dn heeft ook de meest dorre persoon kans op een bloeiend geloofsleven. Dan kan elke woestijnervaring omslaan in een stralend getuigenis van Gods aanwezigheid in leven en sterven.
Op Gods tijd.
En waar Jezus, (we hoorden het in het Evangelie), waar Jezus is, daar s Gods tijd aangebroken. Toen en nu.
Het lijkt de mensen niet zo op te vallen. Tenminste: dat denk je.
Bij haast alle andere wonderen van de Heer staat dat de mensen God loofden en dankten voor wat ze hadden gezien en meegemaakt. Hier loven ze Jezus.
Alles wat ie doet is goed, zeggen ze. Hij is geweldig.
Maar dan zeggen ze het toch weer z, dat ze het Oude Testament aanhalen, de tekst van Jesaja die we straks lazen, en dan is het duidelijk dat ze wel degelijk Gods hand zien in het handelen en spreken van Jezus. Ook al doet Deze de dingen (net als God) telkens anders dan verwacht.
Jezus zou deze mens de hand wel opleggen, om hem beter te maken, verwachtte men, en misschien een formule zeggen...
Maar dat doet Hij net.
En Hij doet ook geen kunstjes voor het publiek.
Hij neemt de zieke apart. En Hij raakt diens tong aan met speeksel. Een voor ons wat vreemd dtail, misschien, maar het laat iets zien van de zorg die de Heer voor alle mensen heeft.
Hij is immers de oudste eerstgeboren zoon, en als zodanig toegewijd aan God.
Het volksgeloof van deze regio zegt dat het speeksel van een zoon die als eerste geboren is, helende krachten heeft. Jezus gaat hier op in, en is zo heel dicht bij de mens, en wat die aan kan.
Hij overdondert hem niet met gegoochel, met abracadabra of met hemelse macht, maar Hij is voor deze niet-Jood mens met de mensen.
Hij komt niet als Zoon van God, maar wel als mens van God, vol aandacht en genegenheid, vol respect ook.
En dan is God er bij. En doet wonderen.
Ook voor hen die over de grens leven.
Ook voor ons.
Want, zoals Jacobus al schrijft: alle zegen komt van Boven. (Dat zei mijn moeder ook al, als er iets over vloog, en er iets omlaag spatte. Ik vroeg me altijd af waar ze dat vandaan haalde, maar ik zie nu dat het een samenvatting is van Jacobus 1:17). Daar staat:  elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van Boven, van de Vader van de hemellichten; bij Hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen.
Ik wil even een opmerking terzijde maken over deze tekst. Anders leidt het maar tot misverstanden.
Hier wordt gesproken over God, als de Vader van de hemellichten. Dat is niet Vader in die zin dat de sterren en planeten Gods kinderen zouden zijn, maar wel z dat Hij hun oorsprong en Schepper is. De termen verandering en verduistering mogen ons doen denken aan de planeten, waarvan in de oudheid vrij algemeen werd aangenomen dat zij goden waren, en in elk geval grote invloed zouden hebben op ons leven. Alle goede dingen die we krijgen, alle kansen, voordeeltjes, gezondheid en geluk, kortom: alle zegeningen, die komen van God, is de boodschap. Ze komen niet van hemellichamen die door Hem geschapen zijn. Net als wij.
Dat is de bevrijdende boodschap die Jacobus wil overbrengen. We zijn niet afhankelijk van de luimen van het lot, van de grillige, in die dagen onvoorspelbare, wegen van de planeten, maar ons leven ligt in de Hand van Hem die genadig is.
Dat is een boodschap waar we goed naar moeten luisteren, en waar we iets mee moeten doen.
Op zijn minst moeten we proberen zlf genadige mensen te zijn. God gaat daar van uit. Jezus ook, als Hij ons leert bidden: vergeef ons onze zonden, zoals wij anderen immers hun zonden, hun tekortkomingen, vergeven.
Dat wil niet zeggen: vergeef ons in de zelfde mate als waarin wij vergevend zijn, maar wel: natuurlijk vergeven we onze medeschepselen, omdat we onze eigen tekortkomingen kennen. En wij mogen vertrouwen dat God, die zoveel liefdevoller is dan wij, dat dan zker zal doen, als wij Hem er om vragen...
Wie de boodschap van genade en ontferming hoort en er niets mee doet, wt kennelijk niet dat hij of zij een kind van God is. Dat is duidelijk. En die weerspiegelt ook God niet.
Dat is zonde en jammer.
Want daar waren we wel toe geroepen: om net als God het leven voor de mensen om ons heen mogelijk en aangenaam te maken. Door vriendelijk te zijn. Door respect en aandacht te schenken. Door tijd te maken...
Door net op onze tenen getrapt te zijn, als dingen anders gaan dan we hoopten. Want dat past ons niet.

Jacobus spelt het. Jezus doet het voor.
En God zal Zijn beloften ook voor ons waarmaken.
Net zo zeker als Hij het volk uit de ballingschap heeft laten terugkeren. Vat moed
Dan worden blinden de ogen geopend,          
de oren van doven worden ontsloten.

Verlamden zullen springen als herten,           
de mond van stommen zal jubelen
.
En wij? Wij doen mee. Vast en zeker...
Amen.

Muziek

Alles wat wij hebben, hebben wij van God gekregen,
om  door  te geven, om met velen te delen
     en er zo van te genieten.

Ook nu en hier kunnen we gestalte geven aan dat delen:   in de collecte

Na het gebed over de gaven zingen wij: gezang 461
Nu eerst de Collecte
Gebed over de gaven
Heer God, wat wij hebben verdiend,
wat wij hebben gekregen, is uit Uw genade.
Daarom kunt U er over beschikken, zoals U kunt beschikken over onze tijd, liefde en aandacht.
Wijs ons in dit alles steeds weer de weg.
Om Jezus’ wil. Amen.

Ons loflied is gezang 461

O wondre liefd', o wijsheid Gods,
toen zond' ons 't licht benam,
hebt Gij 't verlossend pad gebaand:
een tweede Adam kwam.

De liefde is zo wijs en goed:
wat eens in Adam viel,
ons menselijke vlees en bloed,
wordt leven weer en ziel.

Ja, meer dan ziel en leven zijn
gegund aan bloed en vlees:
God-zelf zal in ons wezen zijn,
zijn ademende Geest!

Hij die voor ons gestreden heeft
alleen, man tegen man,
als God en mens geleden heeft
wat niemand lijden kan,

in het verborgne van de hof,
aan 't kruis in stervensnood,
heeft Hij aan ons de weg geleerd
door lijden en door dood.

O hoogt' en diepte, looft nu God,
aanbidt zijn heiligheid!
Zijn woord werd nimmer nog gepeild,
zijn weg is veiligheid.

Laten we danken en bidden:
Lieve God, wij danken U, dat U ons telkens weer goede dingen hebt te melden. Dat we telkens weer mogen horen over vrijheid, bevrijding van onze eigen denkbeelden, van onze nachtmerries en angsten.
Wij bidden U voor allen die van die bevrijding niet hebben gehoord. En ook voor hen, voor ons af en toe, die de boodschap hebben gehoord, en deze vergaten...
Er soms niets mee deden...
Wees allen genadig, en wek ons het oor – elke morgen.
Dat wij luisteren en blij op weg gaan.
De weg naar elkaar, die ook een directe weg naar U is.

Wij danken U voor deze warme gemeenschap, waarbinnen wij mogen leven en werken. Liefhebben, zingen, bidden. Delen en doen.
Nu wij aan het eind van de vacantietijd zijn gekomen, keren we terug naar Uw huis, om met elkaar te delen, wat we aan goeds van U ontvingen.
We zijn dankbaar, en verheugen ons.
Maar we zijn ook verdrietig om hen die hier vandaag niet zijn. Om Ada de Haan, die we meer zullen missen dan we dachten. Om Dirk-Jan Snel, die in het ziekenhuis ligt, en voor wie we vragen om beterschap.
Er zijn er ook, die nog niet terug zijn. Breng hen veilig thuis, hier in ons midden.
Voor onszelf, onze familie, gezinnen, vrienden, onze jarige, onze andere zieken, willen we bidden, dat U genadig bent en vreugde schenkt.
Voor heel deze onrustige wereld bidden we, Heer, als we U loven en smeken zoals Uw Zoon het ons leerde:

Onze Vader, die in de hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd

Uw Rijk kome
Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel.

Geef ons heden ons dagelijks brood

En vergeef ons onze schulden,
Zoals wij aan anderen hun schuld vergeven

En leid ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van het kwade

Ons slotlied is psalm 46

De Godsstad ligt aan blanke stromen.
God staat haar bij, de dag zal komen.
Hij woont in haar, zij wankelt niet,
zij kroont zijn heilig rijksgebied.
Al hebben volken zich verheven,
Hij roept en doet de aarde beven.
Hij is met ons, Hij wendt ons lot.
Een vaste burcht is onze God.


Komt en aanschouwt des HEREN daden,
aanbidt zijn toorn en zijn genade:
zijn toorn die 't oorlogstuig verslindt,
zijn gunst waarin gij vrede vindt.
Hij spreekt: ,,Laat af, Ik ben de Here,
de Heilige die elk moet eren.''
Hij is met ons, Hij wendt ons lot.
Een vaste burcht is onze God.

Na de zegen, zingen we, in plaats van het ‘Amen’ lied 387:7

Zegen:
De Aanwezige zegent ons,
Hij houdt ons in Zijn hoede,
genadig is Hij het licht van ons leven,
zo maar, voor niets....
Hij ziet ons voor onschuldig aan,
schenkt ons leven en welzijn.
Omdat Hij van ons houdt.
Amen.

 naar boven